woensdag 25 januari 2012

Staken voor erkenning en ruimte

Geachte heer Zijlstra,

Op de woensdag voor Kerstmis heb ik uit uw handen de Promotiebeurs voor leraren mogen ontvangen. Die beurs stelt mij, en 35 andere docenten, in staat om de komende vier jaar twee dagen per week te werken aan mijn onderzoek te werken, om uiteindelijk te promoveren. Natuurlijk ben ik heel blij dat ik door de strenge, intensieve selectie ben gekomen, want dat betekent dat ik de ruimte heb gekregen om mijzelf door te ontwikkelen als vakman.

Donderdag ga ik staken. Ik houd helemaal niet van staken. Ik houd van dagen waarvan ik 's avonds thuis denk dat er nuttige activiteiten hebben plaats gehad voor leerlingen en dus voor mij. U weet wel, fijne, gewone dagen. Dat ik donderdag ga staken komt omdat ik het gevoel heb dat mij juist een andere vorm van ruimte wordt ontnomen. Juist de 1040-urennorm, de prestatiebeloning en het ongecompenseerd terugdringen van vakantiedagen zijn twee voorgestelde maatregelen die daar lijnrecht tegenover staan. Zo'n beurs vind ik een goede beslissing van de overheid - overigens ook als ik die toegekend had gekregen.

Als inmiddels ervaren docent weet ik dat een leerling in beginsel niets leert van onderwijs. Een mens leert alleen als die dat zelf wil. Volgens de behoeftenhiërarchie van Maslow komt men tot zelfontwikkeling, het hoogste niveau, door zich erkend te voelen. Erkenning kent dan weer verschillende niveaus: van een goed cijfer of een beloning of een compliment naar hogere vormen als het krijgen van verantwoordelijkheid of uiteindelijk: ruimte. Onderwijs is vooral een communicatief proces binnen het door een docent geschapen zogenaamde pedagogische klimaat; die ruimte, die erkenning.

De reden waarom ik ook niet begrijp dat er wordt teruggegrepen op de hierboven genoemde maatregelen, is omdat het mijns inziens zo haaks staat op wat de overheid van te voren als beleid heeft aangekondigd. De doelen die zijn gesteld in actieplannen als 'Beter presteren' en 'Leraar 2020 - een krachtig beroep!' vind ik ook prima: sterke mensen voor de klas, leraar als gewild beroep en reflectie als structureel onderdeel van mijn baan. Dit alles geeft mij het juist wél het gevoel dat ik ruimte krijg en dat ik word gesterkt als professional, net zoals bij die promotiebeurs.

Er zijn inmiddels onderzoeken te over waaruit blijkt dat er geen verband bestaat tussen toenemen van het inkomen en geluksbeleving. Prestatieloon schijnt alleen te werken bij mensen die kortcyclische arbeid verrichten: als iemand meer dopjes op tubes tandpasta heeft geschroefd dan zijn collega, krijgt die meer salaris. Voor het werk als leraar geldt dat allemaal juist precies niet; ik heb nog geen baan gezien of ervaren waar je dikwijls tegelijk en op verschillende niveaus allerlei uitdagingen krijgt te verwerken. Dat maakt het vergelijken van prestaties van leraren ook veel lastiger en ingewikkelder, vooral als daar een geldelijke beloning tegenover moet staan. Hoe druk je bijvoorbeeld een pedagogisch klimaat uit in arbeidsloon?

Als leraar heb je eigenlijk alleen echt vakantie in de zomer. In alle andere vakanties werk je door aan je onderwijs en aan de toetsing ervan, net zoals je in je tijd als leerling of student meestal iets te doen had in een vakantie. Dat vinden de meeste leraren ook prima, evenals het feit dat er alleen maar gereisd kan worden in het hoogseizoen of dat ziekte in vakantietijd niet gecompenseerd kan worden als er weer leerlingen in het lokaal zitten. Onderwijsdagen zijn lang, kennen weinig tot geen pauze en vergt een voortdurende alertheid, een goede concentratie en een hele berg aan andere vaardigheden om pubers op te leiden voor een vervolgstudie. Aan mensen die nooit in het onderwijs hebben gewerkt is dit overigens lastig uit te leggen, weet ik. Wat iedereen wel snapt is dat het schrappen van vakantiedagen een ongelukkig middel is in het bestrijden van de grote werkdruk, het beoogde doel.

De commissie-Cornielje - voorzitter Clemens Cornielje is nota bene een partijgenoot van u - heeft al duidelijk te kennen gegeven dat de huidige vakantieregeling prima is, dat er zelfs nog wat meer ruimte kan komen voor bij- en nascholing en dat er 1040 uren lesgeven 'praktisch gezien onmogelijk' te realiseren is voor een school.

"We moeten leraren koesteren," zei u nog bij de uitreiking van de promotiebeurzen. Veel van het overheidsbeleid lijkt daar prima bij aan te sluiten. We zijn het allemaal eens over het feit dat leraar een mooi beroep moet zijn, dat een docent een goede opleiding moet hebben gehad en dat leerlingen moeten worden uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. Ik hoop dan ook werkelijk dat daarmee conflicterende zaken als prestatieloon, de 1040-urennorm en het terugdringen van vakantiedagen niet zullen doorgaan. Tenzij u of mevrouw Van Bijsterveld eerder aankondigt het wetsvoorstel terug te trekken ga ik donderdag staken voor erkenning en ruimte voor mijn professionaliteit.

Met vriendelijke groeten,

Martijn Wijngaards
Leraar Nederlands op het Canisius College en op de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

donderdag 12 januari 2012

Ben een leraar!

Gisteren heb ik gesproken op de nieuwjaarsopening van ROC A12 in Ede. Daar had men mij verzocht een persoonlijke visie te geven op de ontwikkelingen die gaande zijn in het middelbare beroepsonderwijs. Aanwezig waren, behalve collega's van het ROC ook mensen uit het omringende bedrijfsleven en uit de politiek.

In mijn speech heb ik niet geprobeerd om te vertellen wat die laatstgenoemde categorie mensen het beste kan doen. Daar ben ik niet van en daar ga ik niet over. Wel heb ik geprobeerd om inzichtelijk te maken hoe ik zelf handel en hoe ik daarbij zoveel mogelijk plezier heb. Door de directie is een speelveld afgebakend voor de komende jaren en dat wordt voornamelijk beïnvloed door externe ontwikkelingen als bezuinigingen in het onderwijs, vergrijzing van de lerarenpopulatie (in het mbo verlaat de komende zeven jaar ruim 50% de werkvloer!) en het stopzetten van zaken als de 30+-regeling. Het ROC zit middenin een groot aantal ontwikkelingen die ertoe moeten leiden dat de aansluiting blijft met het bedrijfsleven, dat er een nauwe, blijvende samenwerking is met lerarenopleidingen (Hogeschool Utrecht en Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) en dat de huidige werknemers de ruimte krijgen om zich snel en flexibel aan te passen aan de veranderingen die dit alles teweegbrengt.

In het kort komt het erop neer dat ik denk dat je zo goed mogelijk moet zijn in wat je doet. Aan mijn leerlingen leg ik dat wel eens uit met de volgende simplificatie: stel dat je ontzettend vaardig wil zijn in het spreken en schrijven van de Franse taal. Je zult dan heel hard gaan leren en bij de eerstvolgende toets haal je wellicht al een 9. (Je talent bepaalt hoe stevig je zult moeten aanpakken, maar dat even terzijde...) Vervolgens heb je er aardigheid in, zodat je zult denken dat je nog wel eens zo'n 9 wil halen. Daarom zul je wederom hard gaan studeren en daarop volgt weer een 9. Na verloop van tijd zul je merken dat je minder moeite hoeft te doen om dat niveau vast te houden en dan ben je dus echt top. Dat voelt verschrikkelijk goed.

Eerder schreef ik dat het krijgen van een goede beoordeling, een mooi cijfer, een vorm van erkenning is, een wat minder hoge vorm dan het krijgen van - om maar eens wat te noemen - verantwoordelijkheid, maar niettemin is het in principe oké. (Ook die niveaus van erkenning heb ik wat nader, beter uitgewerkt, zie het schema op het plaatje.)


Natuurlijk zijn er nogal eens mensen die dat gedoe omtrent erkenning ontzettend lastig vinden en dat is alleszins begrijpelijk. Hoe dan ook, ik denk dat écht top zijn het leuk maakt wat je doet; op je werk, thuis of waar dan ook. Je zult daarbij trouw moeten zijn aan jezelf en aan anderen. Aan eigenwijsheid heeft niemand iets en bovendien is het goed om je te omringen met de juiste mensen; die kunnen jou verder helpen in het leven en zij kunnen jou behoeden voor valkuilen.

Hoog in de pikorde heb ik de belangrijkste boodschap gezet: wees een leraar! Iedereen die een mbo-functie of hoger heeft, zal merken dat die eigenlijk een leraar is, omdat je wel eens kennis zult moeten doorgeven, iets zal moeten uitleggen of zou moeten coachen. Dat betekent dat leraar niet alleen een superbelangrijk beroep is, maar ook een levenswezenlijke attitude. Leraren geven het goede voorbeeld.

Natuurlijk heb ik nog veel meer verteld, maar daarover heb ik op dit edublog al eens geschreven. Ik hoop wel dat juist de boodschap dat je een leraar bent is blijven hangen gisteren. Dat besef voelen en uitdragen, dat is toch een goed voornemen!

P.S. Ik besef dat mijn piramide lijkt op die van John Wooden, maar die gaat over succes. In navolging van Bas Haring twijfel ik of dat wel is waarnaar ik streef, omdat ik niet precies weet wat dat precies moet zijn.

maandag 19 december 2011

Doe het goed of doe het niet #2

Beste Joitske,

Natuurlijk had ik al eerder moeten reageren op jouw reactie van medio oktober op dat stuk over mediacoaches op mijn edublog. De reden dat ik dat niet onmiddellijk heb gedaan, komt omdat ik aan het nadenken ben geweest over jouw vraag. Daarnaast heb ik ook wat van jouw indrukwekkende hoeveelheid werk (zowel kwalitatief als kwantitatief!) bekeken.

Hoe dan ook: allereerst natuurlijk bedankt voor die reactie. Je vroeg je toen af hoe je ervoor zorgt hoe een mediacoach de leerling bereikt. Je zegt dit ook in het licht van de gedachte dat leerlingen vaak meer weten van internet dan een leraar. Dat laatste vind ik in die zin waar, dat het betekent dat leerlingen vooral goed weten welke trends er gaande zijn online en daaromheen.

Een gesprek dat ik vandaag had met een leerling van het Canisius College heeft mij zowat in de richting van een antwoord gebracht. Het gesprek kwam erop waarom twee leraren exact hetzelfde aan leerlingen kunnen zeggen, maar waarom leerlingen het van de ene wel aannemen en van de andere niet. De leerling kon daar niet onmiddellijk goed antwoord op geven en daarom begon ze mij en een collega als voorbeeld te nemen. Aan mij kon ze zien dat ik ook een leven had naast school, zei ze, en blijkbaar was dat een geweldig argument voor het serieus nemen van mijn uitingen. Met dat leven bedoelde ze op mijn bestaan als onderzoeker en public speaker enzo. Een andere collega had dat allemaal niet en daarom had ze blijkbaar afgedaan.

Nu vind ik het principieel onjuist om collega’s af te vallen. Daarnaast vond ik dat mijn leerling - een beleefde, intelligente meid - bepaald ongelijk had. Ik heb allereerst betoogd dat mijn aller- allerbelangrijkste ambitie is om een goede vader en echtgenoot te zijn; dan komt er een tijdje niets en pas dan komen alle andere mensen en zaken. Van de door haar bedoelde collega weet ik dat ook zij precies de bedoeling heeft om voornamelijk een goede moeder te zijn en dat ze daarnaast parttime werkt als - in mijn ogen een zeer degelijke - docent. Ja, zo had mijn leerling dat nog even niet bekeken.

Afijn, waarom zeg ik dit allemaal? Dit gesprek was namelijk ook een soort aanleiding om antwoord te geven op jouw vraag. Volgens mij moet die nog enigszins in mist gehulde formulering drie zaken bevatten. Hieronder zal ik sowieso proberen zo helder mogelijk te zijn.

Leerlinggericht
Naar mijn mening is het allerbelangrijkste goed van je leraarschap wat men met een mooie term omschrijft als pedagogisch klimaat. Dat houdt voor mij in dat je zorgt dat regels geen issue zijn - want duidelijk - en dat je ervoor zorgt dat elke leerling het gevoel heeft om in voldoende mate erkenning te krijgen van jou. Je zult dus voortdurend in gesprek moeten zijn en blijven met je leerling en daardoor kom je te weten wat hem drijft en op welk niveau je moet inhaken om enige lesstof te laten beklijven in zijn systeem.

In die gesprekken ben je eigenlijk vaak coach, dus het uitnodigen van zelfreflectie is het voornaamste doel. In alle jaren dat ik leraar ben heb ik gemerkt dat op elk niveau dat ik lesgeef of heb lesgegeven - en dat is inmiddels van mbo-niveau 2 tot universitair - een leerling/cursist/student het zeer op prijs stelt als er af en toe even met iemand gespiegeld kan worden over alles wat een gemoed kan bezighouden. Opmerkelijk vaak zijn dat zaken die toekomstgericht zijn en bijzonder vaak zijn internetgerelateerde zaken niet een issue; verhoudingsgewijs dan. Daar ga ik graag even voor zitten en dat betekent dat ik nogal eens in een leerling investeer in een tussenuurtje, op de gang of in een pauze. (Dan vraag ik wel eens of de leerling (etc.) in kwestie het erg vindt of ik een boterhammetje eet. Dat laatste beschaafd natuurlijk - ik kan mij herinneren dat ik als leerling zelf wel eens afgeleid werd door schrokkende omnivoren die onstuimige oerbroden te lijf gingen tijdens een gesprek met mij. De inhoud van die gesprekken staat mij dan ook niet meer bij.)

Levenservaring
Ik houd altijd maar voor ogen dat ik de volwassene ben (bij leerlingen) of bepaalde ervaringen méér heb (bij studenten én bij leerlingen). In het geval van het mediawijze gebeuren betekent dit dat ik mij graag laat voorlichten door leerlingen wat hen bezighoudt, drijft of motiveert. Dit geldt dus ook voor alles wat met internet te maken heeft.

Waar je als leraar überhaupt meer ervaring mee hebt is met het verwerven en verwerken van informatie. Leerlingen worden overspoeld door een voortdurende lawine van gewenste en ongewenste gegevens en haast automatisch ontwikkelen zij een soort mechanisme om daarin onderscheid aan te brengen. Omdat die een soort onbewust proces is, hebben zij juist behoefte aan begeleiding daarin van een volwassene.

Natuurlijk komen veel van hun leraren uit de tijd van de krant, de televisie met twee netten en - ten gunstigste - iets als een Commodore 64. Die mensen hebben in elk geval als voordeel gehad dat ze het informatieve kaf van het koren hebben kunnen scheiden onder rustigere omstandigheden dan het kroost dat aan hen is toevertrouwd. Een beetje hbo- of wo-opleiding heeft dat proces dan ook zeer bewust - dus overdraagbaar - moeten maken. Jouw held Clay Shirky verwoordt dit alles inderdaad bijzonder mooi: “It’s not information overload, but filter failure.” En in het artikel waarin je zijn citaat aanhaalt geef je zelf al bruikbare tips.

Dichtbij jezelf
Toch denk ik dat vooral vermeld moet worden dat het verstandig is om je hand niet te overspelen. Hoewel ik op de instellingen waar ik werk te boek schijn te staan als een voortrekker, vind ik mijzelf een afwachtend type. Bij een nieuwe gadget hol ik niet automatisch naar de winkel, maar ik wacht even af of het ding sowieso doet wat is beloofd en daarnaast vraag ik mij gaande die hele periode van betrachte rust af of het apparaat iets positiefs toevoegt aan mijn toch al zeer rijke bestaan. Zo niet, dan ga ik niet voor de heb, maar dan besluit ik bewust om niet tot aanschaf over te gaan. Ik heb dan ook geen iPad of iPad-achtigheid, omdat ik die niet aanvullend genoeg vind ten opzichte van mijn laptop, mijn Androidmobiel of mijn PSP. (Dit stukje typ ik op een fijn netbookje; daar kun je gewoon lekker op schrijven.)

Die afwachtende houding heb ik ook ten aanzien van internetontwikkelingen. Ik ben niet voortdurend naarstig op zoek naar de nieuwste ontwikkelingen en trends. Via Edublogs en aanverwante sites verneem ik vanzelf wel welke zaken beklijven en van leerlingen hoor ik dergelijke verhalen ook wel. Maar goed, ik ben dus wel op de hoogte van wat er zo ongeveer speelt, maar ik heb nogal eens een avondje waarop ik niet uitgebreid mijn Google Reader zit te lezen. In jouw mooie presentatie Sociale media & voortgezet onderwijs zie ik ook verscheidene icoontjes waarvan ik nog geen vermoeden heb wat erachter steekt. Toch voel ik ook niet onmiddellijk de behoefte om als een bezetene die veelheid te gaan opzoeken.

Mijn behoefte om mij te manifesteren via sociale media is dan ook puur gedreven door eigenbelang en gemakzucht. Ik heb lang geaarzeld of ik wel ging deelnemen aan Facebook, maar inmiddels is het een dagelijkse procedure geworden om in enkele oogopslagen te zien wat allerlei mensen om mij heen bezighoudt. Wel ben ik zelf erg voorzichtig in het plaatsen van persoonlijke zaken, omdat ik niet wil dat er interferentie optreedt met een van mijn publieke bezigheden.

Ik heb wel eens collega’s meegemaakt die probeerden om hun populariteit te vergroten door deelname aan Facebook. Die kwamen van een koude kermis thuis, omdat ze mijns inziens twee fouten maakten: allereerst dat je als leraar populariteit moet nastreven. Ik denk dat je moet nastreven om zo goed mogelijk te zijn in je vak en dat daaruit een soort respect moet voortvloeien. Populariteit is ongrijpbaar dus daarin moet je niet willen investeren. Ten tweede denk ik dat Facebook - bij intelligent en voorzichtig gebruik - nagenoeg niets toevoegt aan de communis opinio ten opzichte van jou. Onbarmhartig geformuleerd: als leerlingen jou in real life een malloot vinden, dan vinden ze dat ook van jouw virtuele zelf.

Kortom, de enige reden waarom je gebruik maakt van digitale communicatiemiddelen is om beter bereikbaar te zijn én om de jouw toestromende informatie beter te kanaliseren. Logischerwijs betekent dit dat je zelf de regie krachtig in de hand moet houden al zit ook hier het geheim ‘m in een goede voorbereiding en afbakening. Blijf dus dichtbij jezelf.

Joitske, ik zal nog vast vanalles zijn vergeten te melden nu, maar op deze site heb ik al heel wat van de hierboven genoemde terreinen verkend. Hopelijk neem je mij niet kwalijk dat ik in deze vorm antwoord op jouw vraag geef, want ik hoop dat andere mensen ook kunnen bijdragen aan deze interessante discussie over hoe wij ons online kunnen manifesteren en onze leerlingen (etc. etc.) daarbij kunnen ondersteunen. Nogmaals bedankt voor jouw aandeel hierin en bedankt dat ik deze reactie mag plaatsen zo.

De beste wensen voor 2012 voor jou en voor iedereen die onderwijs, cultuur en wetenschappen een warm hart toedraagt!

donderdag 15 december 2011

Leestip: canon van Nederlands middeleeuwse verleden

In de grote diarree aan canons die ons de laatste jaren ten deel valt, zijn er toch wel de nodige nuttige uitgaven te ontwaren. Een boek waarvoor dit zeker opgaat is Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuwse verleden van Jan J.B. Kuipers. Dit bijzonder aardige naslagwerk verdient zeker een plaats in de kast van elke (!) leraar en hij zal het ook goed doen onder de kerstboom.

"Deze canon bevat geen onwrikbare ijkpunten," heet het in de reclamefolder van de uitgever, "maar presenteert onze middeleeuwse geschiedenis op toegankelijke wijze voor een breed publiek." Naar mijn mening maakt Kuipers deze bewering ook prima waar. Voor totale nitwits op het gebied van geschiedenis is het boek wellicht wat hoog gegrepen; men moet immers toch het basale besef hebben dat er ooit Romeinen in deze contreien hebben rondgelopen en vagelijk gehoord hebben van Karel de Grote. Desalniettemin is het instapniveau laag, dus dat kan alleen maar goed zijn.

Over de onderwerpkeuze valt altijd te twisten, maar ik denk dat Kuipers een goede keuze heeft gemaakt met de 50 onderwerpen die hij hier presenteert. Geen van de traditioneel bij geschiedenislessen aangeboden onderwerpen en personen ontbreken en er is - voor mij weer belangrijk - ook prima aandacht voor de literatuurgeschiedenis. Op dat laatste gebied wordt dan ook weer canoniek gedacht, maar nogmaals: ik denk dat het goed is dat het instapniveau laag is in deze uitgave.

Kuipers beschrijft op een pakkende wijze hoe het leven in verleden tijden eruit gezien moet hebben voor de gewone mens. Hij maakt veelvuldig gebruik van fraaie afbeeldingen, kaarten en vogelvluchten die zijn verhalen kracht bijzetten. Voor het historisch besef van de op dit gebied minder ingelichte medeburgers is dat niet alleen erg goed, maar ook ik mag graag kijken naar plaatjes die verduidelijken hoe onze samenleving is geëvolueerd van afgelegen, woeste negorijen tot een verstedelijkte samenleving vol eigenwijze burgers.

Natuurlijk valt er wat af te dingen op het gebruik van schoolplaten of van Romantische schilderijen van ridders en jonkvrouwen, maar ik kan dat echt niet afkeuren als dit boek beoogt om voor allerlei mensen een opstap te bieden naar meer interesse voor ons middeleeuwse verleden. Wel doet de schrijver zichzelf soms wat te kort door deze afbeeldingen wat matig te duiden, evenals er soms wat slordigheidjes te ontwaren zijn. (Zo wordt er in de hoofdtekst gesproken over Radbod en onder het plaatje ernaast heet dezelfde man Radboud.) Maar goed, ik vind dat peanuts.

De literatuurverwijzingen kan ook wat als karig aangemerkt worden, maar ik kan me levendig indenken dat de auteur ook hier weer rekening houdt met de beginsituatie van de beoogde lezer. Die lezer wordt dan ook uitgenodigd om eens een museum te bezoeken, een - al dan niet door hem geschreven - andere canon te raadplegen. - Overigens, van mij mag je reclame maken voor je eigen producten, hoor. Daar zie ik niets verkeerds in. - Kuipers laat in elk geval zien dat hij prima op de hoogte is van de laatste inzichten van archeologen, geschiedkundigen en literatuurhistorici. Soms weidt hij wat ver uit over bijzaken, maar in de regel houdt hij zijn teksten kort en doelgericht. Och, en misschien is het nog best aardig om weer eens met Johan Huizinga's Herfsttij der middeleeuwen aan te komen. Je weet nooit tot welke vernieuwende inzichten mensen komen als zij dit goede, oude werk weer eens uit de kast hebben gehaald.

Voor mensen die een ontluikende interesse hebben op het gebied van de middeleeuwse geschiedenis van ons taalgebied is deze canon van J. Kuipers een leuke mogelijkheid om kennis te maken met dit alles. Ik vind zou het onzinnig vinden om te soebatten over keuzes en kleine oneffenheden; dit werk misstaat bij helemaal niemand in de boekenkast. Nederland in de middeleeuwen is een prettig boek voor koude winterdagen; elke avond kun je bij een behaaglijk haardvuurtje rustig even de uitgave openslaan voor één of meer van de korte hoofdstukken.

Jan J.B.Kuipers, Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden. Walburg Pers, Zutphen 2011.

zaterdag 26 november 2011

Geëmancipeerde Zwarte Piet wellicht minst slechte optie

Enkele Nederlanders die naar Canada zijn geëmigreerd worden dit jaar geconfronteerd met het feit dat zij bij hun sinterklaasviering geen Zwarte Pieten mogen toelaten. Canadezen, niet gehinderd door vage nostalgische gevoelens, hebben besloten dat het racistisch is om een blanke man zwart te schminken, rode lippen te geven en maf te laten doen in een kleurig pakje. Ook in Nederland voelen veel mensen zich ongemakkelijk bij het fenomeen, getuige de protesten én aanhoudingen tijdens de laatste intocht van Sint Nicolaas. Momenteel zitten we in een status quo: mensen als Erik van Muiswinkel hebben Zwarte Piet geëmancipeerd. In plaats van een dommige knecht is Zwarte Piet, nu Hoofdpiet, tegenwoordig min of meer een verstandige CEO van een groot logistiek bedrijf geworden. Weliswaar zijn er nog wat domme figuren in zijn toko, maar zonder de Hoofdpiet loopt alles in het honderd. Gezien de omstandigheden en het verleden denk ik dat het behoud van Zwarte Piet in deze geëmancipeerde vorm de minst slechte optie is.

Wie beweert dat Zwarte Piet zwart is geworden vanwege zijn gekruip door schoorstenen is natuurlijk niet goed wijs; als een blank iemand zich door zulke kanalen voortbeweegt komt die er hoogstwaarschijnlijk wel zwart uit, maar niet met rode lippen, kroeshaar en een kleurig pakje. De mogelijkheid bestaat dat er in een ver verleden intochten zijn geweest van een verklede Wodan - vandaar de lange baard bij Sint Nicolaas, die eigenlijk een kort baardje zou hebben gehad - en twee als kraaien verklede mensen. Hiervan is echter geen bewijsmateriaal overgeleverd, dus over deze hypothese kunnen we niet veel zeggen.

Het sinterklaasfeest is inderdaad een eeuwenoude traditie in Nederland, maar in de oudste bron die ik daarover ken (Bredero's toneelstuk Moortje), wordt niet gesproken over een zwarte knecht bij de Sint. Pas rond 1850 duikt die voor het eerst op naast Sinterklaas in Sint Nicolaas en zijn knecht van de Amsterdamse schoolmeester Jan Schenkman. Maar in pamfletten uit die zelfde tijd opereert Sinterklaas nog alleen. Het valt nog maar te bezien of zo'n donkere jongen tot het vaste beeld hoorde van de heilige kindervriend. Sterker nog, in die jaren had Sinterklaas nog niet eens zelf altijd het uiterlijk dat wij nu voor lief nemen. De knecht van Sint Nicolaas zag er bij Schenkman uit zoals het blanke beeld van donkere mensen was in 1850; zwarte huid, rode lippen, kleurige kleren (een fez) en kroeshaar.


Dat racisme nog lang geaccepteerd was blijkt ook uit andere bronnen. Een bekend voorbeeld is een reclameposter uit omstreeks 1910 waar een blank kindje een donker kindje uitlacht (zie hiernaast). Wie denkt dat de gemiddelde mens zijn lesje wel heeft geleerd van de Tweede Wereldoorlog heeft het mis. In Kuifje in Afrika en bij Sjors en Sjimmie (oude versie) zien we nog steeds de donkere mens met dikke rode lippen en bovendien met een gebrekkige grammatica. Daarnaast is de donkere jongen vaak lui en dom en daar mag in die tijd om gelachen worden. "Ook al ben ik zwart als roet, ik meen het tóch goed!", moet Zwarte Piet dan ook zingen om zich tegen alle vooroordelen te wapenen.

Hoe komen we dan toch aan dat beeld van de luie, domme, zwarthuidige en roodlippige mens? Het antwoord is toch te vinden in de tijd dat Nederlanders buitengewoon actief waren in de slavernij. Onze voorouders hadden nu eenmaal vaak het idee dat donkere mensen alleen beschaafd konden worden als zij hen daartoe dwongen; van nature waren ze immers dom en lui. In het proefschrift van Bert Paasman valt goed te lezen dat al in de achttiende eeuw er Nederlanders waren die hun bedenkingen hadden bij het systeem, maar Nederland is zowat het laatste land dat de slavernij heeft afgeschaft.

Waar Sint Nicolaas in de regel een waardige, oude man is geworden, is zijn knecht meestal een soort pechvogel. In een heruitgave van het boek van Jan Schenkman zie je de Sint rustig op een paard zitten, terwijl de knecht zeult met de bagage. In het avontuurlijke Van Spanje naar ons land van Cornelis de Bruin uit circa 1920-1930 wordt Zwarte Piet (met deze naam genoemd) geportretteerd als een soort minkukel: eerst loopt hij nog met een zware zak, maar al gauw krijgt hij ook een rijdier - wel dan weer een ezel - en waar Sinterklaas ongedeerd rechtop staat in de storm moet Piet achter zijn muts aanrennen. Overigens, ik kan mij nog herinneren dat ik als kind ben geconfronteerd met Pieten met een Surinaamser accent en dan hebben we het al over het einde van de jaren 1970, begin jaren 1980.

Zwarte Piet komt dus voort uit een betrekkelijk korte en behoorlijk bedenkelijke traditie; een traditie is hij op zichzelf echter nog niet. Als knecht bestaat hij dus rond 1850, maar in een recent artikel van John Helsloot lezen we dat hij pas honderd jaar later als enige en vaste naam Zwarte Piet krijgt. Dat betekent dat mensen ongelijk hebben als ze beweren dat we een eeuwenoude traditie doorbreken door de Sint zijn hulpje af te nemen.

Ethisch gezien zou het natuurlijk niet gek zijn om in december alleen de kerstman nog toegang te verschaffen tot ons land - al wordt dat rendier met de rode neus ook wel eens gediscrimineerd. Analoog aan de Amerikaanse omgang met Zwarte Smurfen kunnen we wellicht beginnen aan Paarse Pieten (dat allitereert ook nog eens). Als ouders van een meisje van twee worden mijn vrouw en ik ook geconfronteerd met het feit dat we door de hele cultuur worden gedwongen om het feest te vieren. Dat vinden we overigens niet erg; onze dochter beleeft veel plezier aan het hele gebeuren. Als er echter een grote groep mensen is voor wie dat niet geldt, dan vind ik evengoed dat daar buitengewoon serieus mee moet worden omgegaan. Een gedegen onderzoek zou wel op zijn plaats zijn, bedacht ik toen ik het - overigens in mijn ogen vaak twijfelachtige - televisieprogramma PowNews een voorschotje zag nemen.

Het is sowieso goed om eerlijk te zijn over het fenomeen Zwarte Piet (en dat zullen we te zijner tijd ook naar onze dochter toe zijn): het oorspronkelijke beeld van deze vrolijke baas stamt van ouderwetse, racistische opvattingen. Sinterklaas is overigens zelf ook een - ik vermoed protestantse - karikatuur van een heilige en een bisschop (zoek het woord kapoentje maar eens ergens op). Allebei de rollen zijn inmiddels geëvolueerd tot verstandige, kindvriendelijke mensen met een goed gevoel voor logistiek. De Zwarte Piet zoals die nu op televisie wordt neergezet is ook volgens meer ingewijden in deze discussie, (antidiscriminatiestichting Brandpunt) dan ook een prima stap in de goede richting.

Veel in mij zegt het zonde te vinden om kinderen op voorhand te vertellen dat het hele sinterklaasgebeuren een verzinsel is. Dat zal mijn vage gevoel van nostalgie zijn, gemengd met het idee dat het leuk is om kinderen collectief cadeaus te geven. De geëmancipeerde 'beste vriend van Sinterklaas' vertegenwoordigt momenteel een vriendelijke patstelling voor ons Nederlanders en Vlamingen. Het zou dan wel fijn zijn als de Zwarte Pieten-discussie gevoerd zou kunnen worden met meer onderzoeksgegevens, maar eerlijk zijn over het verleden vind ik überhaupt noodzakelijk. Ook alle plaatjes op boekjes, cd's en cadeaupapier waarop de Piet wordt afgebeeld met dikke rode lippen en oorbellen - zoals hierboven - mogen wat mij betreft subiet het museum in. Als we de hele zaak immers zuiver ethisch benaderen, hebben de Canadezen groot gelijk.

P.S. Als je iets leuks in je eigen college of les wil doen omtrent Sint en Piet dan heb ik hier wat aardige links voor je.

maandag 14 november 2011

Neerlandici aan de top!

René van Stipriaan (onder andere verantwoordelijk voor de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) schrijft in de laatste editie van Ons Erfdeel (nummer 4, november 2011) een hartverwarmend stuk over het feit dat neerlandici zich weer aan de top van de samenleving moeten ophouden. Volgens hem is een goede wetenschapper en docent Nederlands iemand waar tegen wordt opgezien omdat hij belezen is, beschikt over een groot taalgevoel en vooral geen concessies doet. Dit hele stuk was me uit het hart gegrepen.

In een uitgebreide historische beschouwing legt Van Stipriaan uit hoe sinds de jaren 1960 de universitaire studie Nederlands is uitgekleed door financiële problemen, wisselende studentenaantallen en de enorme mentaliteitsverandering na de - zeg maar - bestorming van het Maagdenhuis. Hij stelt dat veel afgestudeerde neerlandici denken heel veel te weten zonder zich te beseffen dat het tegendeel vaak pijnlijk het geval is. En volgens hem is 'de kou nog niet voorbij'.

Hoewel ik van een andere generatie ben dan René van Stipriaan, meen ik inmiddels ook verschuivingen te hebben gezien in het afgelopen anderhalve decennium dat ik in het onderwijs werk. Toen ik net begon woekerde het Tweede Fase-gedachtegoed nog in ernstige mate om zich heen. Dat heeft voor het vak Nederlands betekend dat er in de onderbouw van de gehele middelbare school een tijd afscheid is genomen van het ontleden van zinnen en het inprenten van spellingprincipes door middel van rijtjes. Methodemakers als die van Nieuw Nederlands geloofden dat door enkel te schrijven leerlingen zich vanzelf de spellingregels gingen eigen maken. In Taallijnen stonden nog wel wat oefeningen, maar die waren verbannen naar een klein katerntje achterin het boek. Inmiddels zijn alle rijtjes en oefeningen weer haastig teruggekomen in de reguliere methodes, maar de maatschappelijke schade die dit soort denken heeft opgeleverd vormt nog dagelijks een bron voor discussie: 'Wat wordt er toch slecht gespeld!'

(Oh, ik zwijg nog over sommige collega's die ik beroerde taalproducten zie leveren...)

In de bovenbouw van het havo is het historische literatuuronderwijs nagenoeg verdwenen. In de top 3 van de momenteel meest gebruikte lesmethodes staat nauwelijks serieus te noemen materiaal om goed mee van leer te trekken; de nadruk ligt geheel op het analyseren van teksten en toch nogal vaak op het mij vage begrip 'leesplezier'. En dat terwijl het juist van eminent belang is dat wij ons in de samenleving bewust zijn van onze (literatuur-)geschiedenis, in de breedte én in de diepte.

(Oh, ik wil het niet eens hebben over fatale koppeling van onwetendheid en desinteresse die ik soms zelfs bij collega's zie...)

Gelukkig zijn er zich ook veel mensen wel bewust van hun gebrek aan kennis. Aan de ene kant leidt dit tot het verschijnsel van het canoniseren van zaken die we toch wel allemaal moeten weten. Het feit dat dit op zichzelf al gebeurt onderstreept ook dat er op dit vlak wel degelijk iets aan de hand is. Ik blijf ervan overtuigd dat kennis pas iets waard is als die in een mens zit; juist die kan daarmee creatief denken, nieuwe verbindingen leggen.

Op de masteropleiding Nederlands van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen heb ik al een paar jaar een groot aantal studenten meegemaakt dat zich - gedurende een leerjaar - in stijgende mate bewust wordt welke lacunes er in de vakkennis zitten. Het is natuurlijk heel vervelend voor zo'n student dat er überhaupt bijgespijkerd moet worden wat ergens gedurende een leven als leerling of student al ingeheid had moeten zijn, maar het feit dat er elk jaar weer een lichting met gemotiveerde studenten voor mijn collega's en mij verschijnt geeft de burger moed. Nosce te ipsum, heet dat toch?

Vanuit mijn ervaring geredeneerd wordt iets pas echt leuk als je er zo goed mogelijk in probeert te zijn. Dat leidt dan tot succes en met die ervaring gesterkt ga je er nóg beter in worden en zo ga je een opwaartse spiraal in. Ik vind het zelf prettig om het plafond op te zoeken in allerlei zaken, om er dan uiteindelijk doorheen te breken. De valkuil is natuurlijk wel dat je jezelf in hoge mate van stress kan brengen, maar dat gebeurt alleen als je geen prioriteiten stelt (en geloof me, ook daar heb ik ervaring mee). En ja, ook ik kan mezelf aardig gek maken als ik dat wil: hoe meer je weet, hoe minder je immers weet. (Ik weet niet aan welke filosoof deze uitspraak nu werkelijk toegeschreven moet worden, maar gelijk had-ie wel.)

Ik kan niemand dwingen om te vinden wat ik vind of om te doen wat ik doe. Wel kan ik mensen aanbevelen om zoveel mogelijk gebruik te maken van de eigen capaciteiten en om het onderste uit de kan te halen. Daarnaast kan ik alleen maar zelf uitstralen dat het voor mij werkt en dat het verdomd plezierig is om op die manier te leven.

Als ik een leerling zie met het talent om Nederlands te gaan studeren, (want die beschikt over taalgevoel, een ontluikend wetenschappelijk besef en een goed doorzettingsvermogen) dan raad ik die ook van harte aan om aan zo'n studie te beginnen. Een goede vooropleiding of niet, het lijkt mij sowieso wel prettig voor een universiteit om mensen binnen te halen met veel potentie. En over dat voortraject gesproken: er zijn al steeds meer samenwerkingen zichtbaar tussen basisschool en middelbare school die ervoor zorgen dat de échte basisvorming al heeft plaatsgehad als een leerling de groep 8-musical heeft gedaan.

Tegelijkertijd vind ik ook dat er in de wetenschappelijke wereld een breder besef mag ontstaan dat vorm en inhoud hand in hand móeten gaan. Van huis uit ben ik opgevoed met het idee dat een goede wetenschapper zelfs zijn meest ingewikkelde bezigheden moet kunnen uitleggen aan een leek. Dat uitgangspunt lijkt me een prima begin. Te vaak maak ik immers warrige presentaties mee met erbarmelijke Powerpointjes en met te specialistisch geneuzel tussen de spreker en één specialist in de zaal. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier in de regel om uitstekende wetenschappers die bijzonder goed zijn in hun vak, maar waarvan ik wel het gevoel krijg dat zij zichzelf tekort doen. Dat vind ik intellectuele kapitaalvernietiging en menselijk bezien bijzonder sneu.

Ik was hartstikke kwaad toen ik op de middelbare school van het gymnasium naar het havo werd gestuurd, omdat ik te lui zou zijn. Maar de route die ik inmiddels heb bewandeld om mijn doctoraal te halen, en met het traject bezig te zijn waarin ik nu zit, is zodanig dat ik me verbeeld dat ik weet wat het is om écht met de voeten in de stront te staan. Ik kan de keren niet meer tellen dat ik enorm ingewikkelde zaken heb moeten uitleggen aan allerlei soorten leken, van mbo 2-leerling tot universitaire student. Eigenlijk zou het voor allerlei wetenschappers goed zijn om eens een presentatie te geven aan een vmbo-klas; gewoon om eens te oefenen om hoofd- en bijzaken te scheiden. Wat mij betreft heb je niets aan kennis als je die niet kunt delen. Elke wetenschapper zou een goede leraar moeten zijn, vind ik. Uiteindelijk ben en blijf je dienstbaar aan de samenleving.

Bovendien leven we in een fantastisch tijdperk, want er wordt steeds meer kennis doorzoekbaar en koppelbaar. Van Stipriaan staat zelf aan de basis van Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, een van de beste databanken van dit moment. Als wetenschapper, dus als leraar, kun je onderzoeksmethodes gebruiken die hun weerga niet kennen in de geschiedenis. Juist hier schreeuwt ook de neerlandistiek, in al zijn facetten, - en mijns inziens de maatschappij! - weer om goede voorbeelden en rolmodellen.

Het schrijven van René van Stipriaan appeleert bij mij aan heel veel gevoelens, gedachten en ervaringen die ik de afgelopen jaren heb gehad. Met hem pleit ik ervoor dat de neerlandicus zichzelf niet langer tekort doet en zichzelf emancipeert om daarmee het vak aan de top te verankeren. Dat betekent dat de samenleving weer de met taal spelende schrijvers krijgt en de erudiete leraren en de bevlogen wetenschappers. De enige manier waarop je respect kunt afdwingen van wie dan ook, is door zo goed en zo professioneel mogelijk te zijn, dunkt me.

Bedankt, René!

Stipriaan, René van, 'Een commandotraining voor neerlandici. Pleidooi voor een terugkeer naar de top.' In: Ons Erfdeel. Vlaams-Nederlands Cultureel Tijdschrift. Nummer 4. (November 2011).

woensdag 2 november 2011

Van richtlijnen social media word je nooit dommer


Vakbond CNV Onderwijs komt vandaag met richtlijnen voor scholen en docenten over hoe om te gaan met social media. In een klein, hanteerbaar documentje sommen ze de belangrijkste zaken op waarmee een school, maar ook een professional, zijn voordeel kan doen. Nu zijn er ook uitgebreidere presentaties op dit gebied te vinden, maar het aardige aan het protocol van CNV Onderwijs is dat je het drie pagina's tellende stuk ook als Word-document kunt gebruiken en dan hoef je alleen maar de naam van je eigen school in te vullen. Gemak dient de mens - al had ik even een déjà vu...

Omdat deze materie mij altijd enorm boeit, vind ik het interessant om het stuk eens aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Dat boeien bedoel ik in brede zin; niet alleen alles wat te maken heeft met social media, maar ook communicatie in de allerbreedste zin en jouw rol als professionele docent. Hoe dan ook: van richtlijnen word je immers nooit dommer, toch?

Het uitgangspunt van CNV Onderwijs vind ik erg prettig: er wordt uitgegaan van het gezonde verstand van de professional. Hoera! Daar zou de overheid eens een voorbeeld aan kunnen nemen. Mijns inziens het de vakbond niet naïef; ze geven wel degelijk een hoop tekst en uitleg, zodat ook de digibete collega het een en ander kan begrijpen. Het woord protocol is dan ook wat zwaar aangezet, wordt in de tekst al uitgelegd; het gaat hier om een handreiking van de bond om de discussie op scholen aan de gang te helpen op het gebied van profielsites, videosites en Twitter.

Richtlijnen gebruik social media van CNV Onderwijs

1. Medewerkers van de school delen kennis en andere waardevolle informatie. Dit lijkt mij technisch haalbaar, maar ik weet uit eigen ervaring dat het bijzonder lastig is om tamelijk veel collega's ervan te overtuigen dat het überhaupt nuttig is om te weten dat leerlingen een virtueel leven als even normaal ervaren als het gebeuren offline. Hoe dan ook: in een ideale organisatie hoort zo'n grondgedachte wel.

2. Bij onderwijs onderwerpen maken medewerkers duidelijk of zij op persoonlijke titel of namens de school publiceren.
Goed bedacht! Dit wordt heel vaak over het hoofd gezien. Hoe dan ook, dit principe is gemakkelijk te tackelen als je afspreekt dat de website van de school geldt als spreekbuis namens de school en dat alle andere zaken niet als zodanig fungeren.

3. Medewerkers van de school publiceren geen vertrouwelijke informatie op social media.
4. Ga niet in discussie met een leerling of ouder op social media.
Voor verstandige mensen klinkt dit ontzettend logisch, maar de wat minder ingelichte mensen onderschatten wellicht de kracht en snelheid waarmee een verkeerd bericht gaat rondzingen. Omdat bovendien de privacy-opvattingen van sites als Facebook nogal eens vergaand zijn voor de gemiddelde mens, is het sowieso niet aan te raden om zelfs je meest intieme foto's te publiceren voor alleen je zogenaamde vrienden. Alles wat eenmaal op internet staat is gevoelig voor uitlekken; als het eenmaal op het web staat, staat het er in de regel voor altijd op.

5. Schoolbestuurders, schoolleiders en leidinggevenden zijn altijd vertegenwoordiger van de school – ook als zij een privé-mening verkondigen. Bij twijfel niet publiceren.
6. Medewerkers van de school zijn persoonlijk verantwoordelijk voor wat zij publiceren.
7. Medewerkers van de school weten dat publicaties op social media altijd vindbaar zijn.
8. Bij twijfel over een publicatie of over de raakvlakken met de school zoeken medewerkers contact hun leidinggevende.
Ik hoor bij de groep leraren die vindt dat je altijd leraar bent, 24 uur per dag. Dat betekent dat je je voortdurend bewust moet zijn dat je een voorbeeldfunctie hebt. Als je überhaupt al de onbedwingbare behoefte hebt om domme dingen te doen, is het nog steeds raadzaam om even om je heen te kijken of jouw status als rolmodel niet in het geding is. Zoiets varieert wat mij betreft als het rijden door een rood licht op een drukke kruising tot inderdaad het online publiceren een onnozele zuipfoto. (In een tekstkader op pagina 3 raadt ook CNV Onderwijs je dit expliciet af.) Bovendien: alles is communicatie, dus je moet je ook bijzonder bewust zijn van je taalgebruik. Als een leerling jou groet met 'xxx' moet je dat in vredesnaam dus niet terug gaan doen. Nooit! Sterker nog, heb het eens even met zo'n kind erover wat die nu werkelijk wil zeggen met zo'n afsluiting.

9. De school zorgt ook digitaal voor een veilig klimaat en communiceert met medewerkers, leerlingen en ouders hoe zij dit doet.
10. De school legt vast welke maatregelen zij neemt bij digitale overtredingen van medewerkers, leerlingen en ouders en communiceert dit met deze doelgroepen.
Ja en ja.

De vakbond gaat ervan uit dat we ons verantwoordelijk gedragen en dat we de veiligheid op school zo goed mogelijk willen waarborgen. Daar is niets verkeerds aan. Natuurlijk kun je - en moet je - allerlei zaken nader specificeren. Bovendien is het raadzaam dat ervaringsdeskundige docenten in dit soort zaken onmiddellijk worden gehoord als op een van beide gebieden er een probleemsituatie ontstaat.

Maar goed, het is en blijft raadzaam om gewoon zakelijk te zijn op internet, waar dan ook. Als je al gebruik maakt van sociale media - en dat raad ik je alleen al aan om te volgen wat er allemaal over jou wordt gemeld online - dan raad ik je nog steeds aan om zo'n profielsite in te richten als een soort schutting om je privéleven. En om hierover in discussie te gaan met collega's, ouders en leerlingen lijkt mij alleen maar goed. Daarvoor kan het document van CNV Onderwijs een prima ingang bieden.