dinsdag 18 juni 2019

Het strategische belang van fantasie en narratief

Wat is de plaats van fantasie in jouw dagelijkse bestaan? Doe je er niet aan, omdat je nu eenmaal leeft in de harde realiteit waarin we allemaal leven? Fantaseer je thuis, met je kinderen? Is het geoorloofd dat je uit het raam staart op je werk?

Ken je dat gevoel dat je de bioscoop verlaat terwijl je denkt: Was ik maar wat meer zoals Wonder Woman, Black Panther of James Bond? (Weet je hoeveel er alleen al aan merchandising wordt verkocht vanuit die emotie?)

Uit onderzoek blijkt dat fantaseren om allerlei redenen gezond is. Dat lezen om allerlei redenen gezond is. Dat het spelen van een rol goed is. Deze zaken maken mensen aantoonbaar relaxter en gelukkiger. En we weten dat gelukkige mensen creatiever, meer invoelend en productiever zijn en dat creativiteit, empathie en productiviteit ook weer leiden tot meer geluk.

Om deze redenen wil ik - nogmaals - pleiten voor het investeren in fantasie, in verhalen en - dus - in plezier. Ik ben sinds jaar en dag ervan overtuigd dat investeren in kennis van en over verhalen leidt tot meer plezier in het lezen in het bijzonder en leven in het algemeen. Mijn pleidooi voor het belang van fantasie en narratief valt uiteen in een focus op lezen en op spelen.

Lezen en fantaseren is goed
In een sowieso prachtig betoog over fantaseren en lezen vertelt Neil Gaiman (één van de beste auteurs ooit) hoe hij in 2007 te gast was op de eerste officiële science fiction-beurs ooit in China. Hij had zich daar hardop afgevraagd waarom de Chinese overheid dat ineens aanmoedigde in plaats van verbood. Iemand antwoordde hem dat Chinezen op dat moment alles konden maken dat men aan ze voorlegde, maar dat niemand iets zelf bedacht, uitvond of innoveerde, omdat zij niet fantaseerden. Gedelegeerden die naar de VS waren gestuurd om te praten met werknemers van Apple, Google en Microsoft leerden dat die allemaal science fiction hadden gelezen als kind.

Naast dit schitterende voorbeeld van het belang van lezen zijn er overweldigend veel andere aanwijzingen waar uit blijkt dat belezenheid goed is (Broekhof en Schaafsma 2017 is het meest recente onderzoek dat ik ken). Lezen schijnt onder meer stress te reduceren, je woordenschat te vergroten en je vermogen om je in anderen in te leven. Je zou toch onmiddellijk naar een roman grijpen als je dit verneemt?

Laat ik nu eens niet focussen op het onderwijs dat lezen meer centraal moet stellen. Dat vind ik van oudsher natuurlijk wel (en in elk denkbaar type onderwijs), maar daar gaat het me nu niet om. Ik richt me nu eens op de volwassene die zegt geen lezer (meer) te zijn. En laat ik me omwille van alle helderheid beperken tot de communicatiemanager in het bijzonder.

Communicatiemanagers lezen niet?
In mijn kennismaking met mensen die veel met taal werken vraag ik vrij onmiddellijk of ze van lezen houden. Verrassend vaak, namelijk vrijwel altijd, krijg ik te horen dat de persoon in kwestie 'niet zo'n lezer' is of hooguit op een strandlaken eens een thriller leest. Uit alle respect voor deze mensen vraag ik me nu af: hoe is het dan gesteld met hun werk? Juist voor werk in de communicatie heb je toch een goede taalontwikkeling, een hoge mate van creativiteit en een goed inlevingsvermogen nodig?



Als al bij kinderen blijkt dat veel lezen op alle vlakken overtuigend veel beter is voor elke taalontwikkeling, zou je kunnen beredeneren dat dit op latere leeftijd ook het geval is. En ja, inderdaad ook hier blijkt weer uit allerlei onderzoek dat het lezen van fictie voor volwassenen gezond is:

  1. Beter ontwikkelde empathie
  2. Meer ontspannen
  3. Meer grip op de realiteit
  4. Beter geheugen
  5. Grotere woordenschat
  6. Waarneembaar creatiever
  7. Groter probleemoplossend vermogen
Als nu ook nog een keer blijkt uit allerlei onderzoeken (die al vanaf de jaren 1960 worden verricht) dat punten zoals deze je een gelukkiger en productiever mens maken, zou je toch onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde bibliotheek of boekhandel rennen?

's Avonds voor het slapen gaan dus even lekker een beetje fictie lezen vind ik geen straf. Sta je de volgende ochtend weer uitgerust op. En automatisch vergroot je dus onder meer je creativiteit, woordenschat en inlevingsvermogen. Dat wens ik elke communicatiespecialist toe.

Spelen en fantaseren is goed
Over het algemeen vinden volwassenen het heel belangrijk dat kinderen kunnen doen alsof zij iets zijn. Een kind dat een bakker nadoet denkt na over wat andere mensen lekker vinden, hoe je alle lekkernijen behendig aan de man brengt en hoe je een winkeltje inricht. Een kind dat met een pop speelt zal zich snel bekommeren om de behoeftes de fictieve persoon die de pop voor haar (m/v/a) is.

Er zijn allerlei aanwijzingen dat kinderen daadwerkelijk meer inlevingsvermogen krijgen en beter anticiperen op situaties in de werkelijkheid. Psycholoog Paul Harris heeft aan het begin van de eeuw de aanzet gegeven tot allerlei nieuw onderzoek op dit vlak. Die onderzoeken wijzen in de richting dat de aanwijzingen kloppen. Zelfs als je in het dagelijkse leven een rol aanneemt door je er bijvoorbeeld naar te kleden, schijnt het positief uit te pakken.

Dat verklaart ook de enorme populariteit van rollenspellen sinds de jaren 1970 op zowel op het professionele als huiselijke vlak. Toen waren de vermoedens er natuurlijk ook: anticiperen en inleven leer je door te spelen. Het gevangenisexperiment (Stanford, 1971) duikt nog wel eens op als voorbeeld als zowel de negatieve als positieve uitkomsten van een rollenspel worden besproken.

Bij assessments en trainingen ben ik ook wel eens onderworpen aan rollenspellen en daar heb ik gemengde herinneringen aan. In alle gevallen betrof het een min of meer alledaagse situatie waarin ik een lastige klant moest aansporen om product x te kopen, een ongeïnteresseerde puber moest activeren om een opdracht te maken of om een huilende collega op te beuren. Hoe goed de trainers en acteurs ook waren met wie ik te maken heb gehad - en dat waren ze - ik vond de rollenspellen vooral saai, want voorspelbaar.

Van oudsher heb ik met allerlei vrienden ook rollenspellen gedaan thuis. Die waren niet saai. In het klassieke Marvel Roleplaying Game speelden we onze favoriete superhelden of eigen personages. Marvel leerde me de kracht van actie, van dramatische poses en overdreven uitroepen. Hoe je de meest ongeloofwaardige situaties toch betrouwbaar laat lijken, zoals Ian Fleming (wiens boeken ik graag las als prepuber) dat ook kon. Bij Dungeons & Dragons verkenden we Tolkien-achtige werelden vol magie, enge wezens en spannende locaties. D&D heeft me veel geleerd over de techniek achter het vertellen: hoe je een verhaal bijvoorbeeld spannender maakt, hoe je je medespelers langdurig bij het spel betrekt.

Waarom vond ik Marvel RPG (= roleplaying game) en D&D niet saai? Omdat ze feitelijk een set regels zijn op grond waarvan je een samenhangende en 'realistische' wereld kunt scheppen. Het is de natuurkunde waarop alle magie en superkracht is gebaseerd.

Het is niet verbazingwekkend dat dergelijke RPGs onderwerp zijn van serieus wetenschappelijk onderzoek en dat veel goede wetenschappers de systemen gebruiken voor hun werk. Dat er auteurs zijn die de systematiek achter D&D-achtige spellen gebruiken om een basis te leggen onder hun werk. Een mooi voorbeeld vind ik Randal Munroe die de D&D-statistieken gebruikt om erfelijkheid uit te leggen.

Het strategische belang
Door enerzijds meer te lezen voor het slapen gaan en anderzijds te investeren in een gezamenlijk verhaal kun je dus een meer relaxte, meer gelukkige en dus meer productieve werksituatie creëren. Vanuit daar kun je je collega's uitnodigen om creatief te kijken naar de basis: waarom doen we ook alweer wat we doen? Die basis kun je bewaken met elkaar, bijstellen indien bewaken juist niet nodig is. Je kunt elkaar leren kennen van een andere kant en jezelf ook.

Escapisme is goed. Volgens mij was het Tolkien die ooit zoiets zei als: 'De enige die zich druk maken over ontsnappen zijn gevangenbewaarders.' Fantasie opent je zintuigen juist. Samen ontsnappen volgens een vaste set van regels (zoals die van D&D) kan zorgen voor een veilig, scheppend werkklimaat, zolang er genoeg ruimte wordt geboden voor reflectie.

Het samen zoeken naar het juiste verhaal kan ook op persoonlijke basis gebeuren, dat hoeft helemaal niet dramatisch te zijn. Mulisch vertelde ooit ergens dat hij als puber al wist dat hij briljant was, alleen nog niet waarin. Dat geldt denk ik voor de meeste kinderen in deze kwetsbare fase van hun leven. Door samen met ze te praten, lezen en fantaseren kun je ze wellicht tot onderzoek aanzetten waarin ze briljant zijn. Ik heb nu al in een paar werksituaties meegemaakt dat een stagiaire aan me vroeg: 'Wat voor werk heb je voor me in gedachte?' Die vraag draai ik altijd om: 'Wat kun jij goed? Wat doe je graag?'

Om alle genoemde redenen nodig ik je van harte uit om te gaan lezen, te fantaseren, te scheppen en om vanuit daar zoveel mogelijk plezier te hebben als je kunt.

zaterdag 15 juni 2019

Op zoek naar het hartgrondige narratief

Als mensen me vragen wat ik doe, dan krijg ik al snel terug: 'Oh, storytelling.' Alsof daarmee alles is gezegd. Nee dus. Feitelijk is het een permanente zoektocht naar wat ik noem het hartgrondige narratief en dat is minder zweverig dan het klinkt. Alles wat ik doe en ooit heb gedaan is hiertoe te herleiden. Waar dat ongeveer op neerkomt probeer ik hier zo kort mogelijk te illustreren.

Waar het ook al weer om draait
Een jaar of acht geleden nodigde een groot ROC me uit om te spreken bij een nieuwjaarsborrel. Naast docenten en studenten waren daar allerlei mensen uit het netwerk aanwezig: stagebegeleiders uit bedrijfsleven en publieke sector, politici en vrijwilligers. Het College van Bestuur vroeg me hen te helpen bij het aan de man brengen van nieuw beleid. Ik meende oprecht geloof te zien in hun nieuw gekozen richting, maar tegelijk een soort angst om het te presenteren.

Daags na mijn ja kreeg ik twee grote enveloppen toegestuurd met drie dikke beleidsnotities erin. Tot in de kleinste details was uitgewerkt wat de nieuwe ideeën voor een beoogd, positief effect zouden hebben voor de student, de docent en de stagebegeleider. Manhaftig heb ik me door de boekwerken heengeslagen, om tot de conclusie te komen dat het verhaal eigenlijk vrij simpel is.

Als ik nu vertel wat ik heb gedaan, denk je automatisch: ja, logisch. Zo kan ik het ook. Uiteindelijk heb ik drie korte verhalen gehouden bij de borrel, waarin ik me afvroeg hoe ik me zou voelen als student, als docent en als stagebegeleider als ik vanuit het voor mij kort gepresenteerde beleid zou moeten werken. Wat me hielp is dat ik van het CvB alles mocht zeggen én dat ik hun notities ook op de korrel mocht nemen. Dat heb ik dan ook gedaan, vanuit de overtuiging dat ik dus dat oprechte geloof zag in hun beleidskeuzes. Ergens op internet circuleert nog een verslag van die receptie, maar ik weet niet meer waar.

(Sociaal) Ondernemen is urgentie creëren
Al enkele keren heb ik mogen samenwerken met beleidsmakers uit de culturele sector. Telkens hoor ik de klacht dat de culturele instellingen 'alleen maar de slingers mogen ophangen' bij allerlei gelegenheden. Muzikanten die niet of weinig betaald krijgen, kunstenaars die voor een habbekrats hun beeldende kunst mogen exposeren of acteurs die amper aan de bak komen, want men geeft de voorkeur aan een BN'er. Alsof cultuur een linkse hobby zou zijn, zeg maar.

In die gevallen heb ik voorgesteld om dit denken om te draaien. Om te beginnen bij cultuur, met name omdat ik ook oprecht geloof dat alles begint met cultuur. Om bijvoorbeeld Wikipedia te openen, op zoek naar een moment in de geschiedenis dat we kunnen vieren of herdenken. Sociaal ondernemen vind ik nog spannender dan ondernemen op zichzelf, want je onderneemt met geld van ons allemaal.

Dat creëren van urgentie heb ik geleerd toen ik zijdelings betrokken raakte bij de voorbereidingen van het jubileumjaar van Nijmegen in 2005. Onder leiding van de toenmalige stadiondirecteur van N.E.C. zijn vrijwel alle profit- en non-profitinstellingen gaan samenwerken onder één logo, vanuit één communicatie-apparaat om samen een feestjaar te vieren. Alles wat iedereen al deed én speciaal nieuw had ontwikkeld werd onder dezelfde vlag geschaard en uitgedragen. Het heeft voor een hoop plezier, nieuwe samenwerking en zichtbare veranderingen gezorgd, van het verschijnen van nieuwe monumenten in het straatbeeld tot het uitvoeren van nieuwe manifestaties.

Wat ik vooral heb geleerd is om te wachten op het juiste moment met iets presenteren. Toen het idee ontstond om de scriptie van mijn master historische letterkunde uit te geven heb ik gewacht tot dat feestjaar én om wat nieuws te proberen met vorm en inhoud. Goh, wat was dat leuk en leerzaam, die tijd. Allerlei dingen ben ik anders gaan doen daarna, maar tja, als je wat nieuws probeert ga je snel op ramkoers richting wolven en beren op de weg. Als fouten maken ooit een demonstratiesport wordt op de Olympische Spelen gooi ik vast hoge ogen.

Het voordeel van leeservaring
Zelfs mensen die mij oppervlakkig kennen zien me vaak met een boek in de weer - in combinatie met een muziekinstrument en laptop, maar daar gaat het nu niet om. Ik vind veel leeservaring een voordeel. Enerzijds overzie je steeds beter wat je allemaal niet weet, anderzijds geeft het je de ervaring om snel bullshit te onderscheiden van wat werkelijk wezenlijk is. Ik houd er niet van als mensen zich verschuilen achter nietszeggende slogans, warrig geformuleerde visies, vage missiestatements of malle termen die zijn opgetrokken uit half-Engels.

Het voordeel van een historisch besef van narratief is ook dat je kunt aanwijzen welke zaken op welke plek wel en niet hebben gewerkt in het verleden. Je denkt te doorzien waarom Vondel werkelijk een meester was in het vertellen en zo enorm veel vergeten schrijvers zo enorm vergeten waren. Je denkt te doorzien waarom zoveel thriller- en comicbook-auteurs feitelijk schatplichtig zijn aan Arthur Conan Doyle of Ian Fleming, waarom dichters zich zoveel moeite getroosten of hoe de techniek van het verweven van narratief en muziek wordt toegepast bij componisten.

'Oh, storytelling,' dus. Ja, maar ik ben ervan overtuigd dat een ruime ervaring van omgang met tekst, context en het (professionele) leven in het algemeen veel waarde toevoegt aan het vertellen van verhalen alleen op techniek en vorm. Het hartgrondige narratief, het zo eenvoudig mogelijke verhaal dat draait om de waarde van jouw bijdrage aan de samenleving, komt voort uit een altijd durende zoektocht.

dinsdag 4 juni 2019

Gezocht: humor. Alleen: welke humor?

In allerlei vacatures voor leidinggevende functies staat onder de functie-eisen dat de kandidaat moet beschikken over 'een goed gevoel voor humor'. In de selectieronde van mijn laatste baan kwam dat ook expliciet naar voren in de gesprekken. Blijkbaar wordt humor gewaardeerd. Alleen vraag ik me af welke humor? Vagelijk hebben we allemaal wel enig idee welke kant we op willen, maar wat vragen we precies van een kandidaat?

Wat humor eigenlijk is
Een veelgebruikte - en zeer werkbare - definitie van humor vind ik die van Godfried Bomans. Humor is 'overwonnen droefheid' (vanaf 10.04' in het filmpje). Je moet dus zelf al gehuild hebben om iets voordat je er een grap over kunt maken. Lachen kun je ook pas om een grap als je verdriet erover enigszins acceptabele proporties heeft.


Neem mijn toenemende kaalheid als voorbeeld. Ik zou een lel lang haar kunnen laten groeien aan de zijkant van mijn hoofd en dat als natte plak over de kale plek kunnen kammen. Daarmee bedek ik mijn leed enigszins en zelfs iemand die me kort ziet valt dat op. Een enkeling zal zelfs - en terecht - hopen op zijwind. Beter dunkt het me te accepteren dat mijn hoofdhuid zichtbaarder wordt, want dat opent nieuwe deuren.

Humor in zijn meest gelaagde vorm heb ik op dat vlak meegemaakt tijdens een - inderdaad - op zichzelf droevige situatie. Een toenmalige leerling zat in een hersteltraject na een immense hoeveelheid chemokuren en bestralingen. Aan zijn klasgenoten berichtte hij ineens dat hij een nieuwe mijlpaal had bereikt: 'Ik heb nu als iets meer haar dan Wijngaards.' Als ik denk aan de bewonderenswaardige, wezenlijke wijze waarop deze jongen al zijn uitdagingen tot op heden het hoofd biedt, denk ik dat hij sowieso een dappere verpersoonlijking is van Bomans' definitie van humor.

Wel of niet lachen
Welbeschouwd zijn de drie hoofdrichtingen van humor ironie, sarcasme en cynisme, denk ik. Ironie is de milde variant, waarin je liefdevol spot met iemand of iets. Het is niet je intentie om te kwetsen. Bij sarcasme is de spot harder en ligt kwetsen meer voor de hand. Bij cynisme voert zwartgalligheid de boventoon en is de hele wereld zwaar en donker.

Cynisme is denk ik daarom de meest duidelijke vorm van humor. Denk aan het motto bij Hans Dorresteins liederen over zijn huwelijk: 'Zelfs Christus aan het kruis had het beter dan ik thuis.' Volgens mij is iedereen het er snel over eens dat dit cynisme is in zijn zuiverste vorm.

Bij wat wij opvatten als ironie of sarcasme is de grens volgens mij wat vager. Dat hangt samen met de mate waarin iemand zich gekwetst voelt. Iemand kan een grap liefdevol bedoelen, maar de ontvanger kan zich toch geraakt voelen. Volgens Bomans' definitie heeft de ontvanger nog niet alle tranen vergoten over het betreffende onderwerp.

Onbedoeld grappig heb je ook nog, vooral bij kinderen. Dat je in een zacht gezegd ongemakkelijke situatie verzeild raakt. Daar kun je pas achteraf echt om lachen, om de genoemde redenen. Eerst sta je minimaal te stamelen met rode kop. Zo heeft mijn vader wel eens verteld hoe ik als baby een ongekend harde boer liet op een vol terras en hoe allerlei mensen hem verwijtend aankeken. Zat hij daar, als keurige man. De zogeheten wraak van de natuur heeft zich sindsdien al voltrokken. Een van onze dochters heeft als tweejarige peuter wel eens tegen een nieuwe leidster op de kinderopvang gezegd: 'Mijn papa heeft een grote piemel', terwijl ik in de deuropening klaar stond om mij aan haar voor te stellen. Leuke fase, die identiteitsvorming! Stond ik daar als preutse, beschaafd opgevoede vader.

Humor en leiding geven
Waarom in vacatures voor leidinggevende functies wordt gevraagd om 'een gevoel voor humor' ligt volgens mij besloten in een bepaalde verwachting van persoonlijk leiderschap. Iemand met een goed ontwikkeld gevoel voor humor wekt de indruk ervaring te hebben en zich ervan bewust te zijn. Humor is denk ik de meest elegante en liefdevolle manier om hieraan uiting te geven. Een leidinggevende met humor is in staat om:

  • zichzelf te voelen in een situatie én tegelijkertijd de situatie van bovenaf te beschouwen
  • zijn of haar eigen gedachten en gevoelens te delen met anderen
  • zichtbaar en voelbaar beheerst te zijn in elke situatie.
In zo'n vacature wordt dus de verwachting verwoord dat een leidinggevende in staat moet zijn om een werkklimaat te scheppen dat veilig is. Er moet ruimte zijn voor droefheid van elke aard. Door zelfspot en milde spot naar de ander kun je een hecht team hebben met elkaar, waarin iedereen maximaal de ruimte krijgt om te zijn en om te groeien. Echt goed leiding geven kan dus alleen als je je bewust bent van je eigen sterke en zwakke punten. Alleen goede intenties zijn niet genoeg (zie deze grandioze, herkenbare strip van Renske de Greef).

Ik neem aan dat dus uiteindelijk vooral ironie wordt bedoeld met 'humor' in de vacatures. We zitten niet te wachten op sarcastische opmerkingen of op een cynicus. Daar gaan we wel voor naar het theater ofzo. 'Was sich liebt das neckt sich', zei mijn oma en haar levensmotto was eveneens gesteld in goed Nederlands: 'Was man aus Liebe tut, das geht nochmal so gut.' Leve de humor dus, leve de ironie. 

woensdag 29 mei 2019

Fouten maken als nieuw begin

'Het is niet interessant als je een fout maakt, wat je daar vervolgens mee doet is interessant.' Dat roep ik graag. Mijn hemel, wat had ik dat alleen jaren eerder willen roepen. Maar tja, voortschrijdend inzicht gebeurt ook daadwerkelijk in het genoemde tempo: het schrijdt voort.

Fouten maken is in verreweg de meeste gevallen niet erg - uitgezonderd als er dodelijke of anderszins vreselijke gevolgen zijn. Van elke fout kun je leren, vooral van die foutjes zoals het aanslaan van een verkeerde noot in een muziekstuk, het laten vallen van een stuk taart in een Hollandse kring, het maken van een verkeerde berekening of een beslissing nemen onder de verkeerde voorwendselen. En van sommige fouten leren we nooit, zoals het stoten van je voet aan altijd dezelfde tafelpoot of het aanvaarden van een veel te hete bitterbal op een receptie. - Die krijg ik althans met moeite beschaafd weg, zeker als in conversatie.

Oh, het is niet dat ik nooit heb wakker gelegen van mijn eigen fouten. Toen ik hele dagen voor de klas stond waren ze zo gemaakt. Vooral tijdens zo’n achtste uur moest ik wel eens goed doorademen om niet een foute opmerking te maken, iets verkeerd uit te leggen of om iets te vergeten. Als je een veilig klimaat wist te scheppen met je leerlingen dan konden we alles van elkaar vergen, zeker op zo’n onbarmhartig moment van de dag. Soms, heel soms, dan lag ik wel wakker als ik een leerling onbedoeld had geraakt of als ik ‘s nachts ineens dacht aan wat ik niet had moeten vergeten.

Waar ik ook wakker van kon liggen als ik opschepperig was overgekomen op anderen. Dat ik tussen neus en lippen door iets vertelde dat ik had meegemaakt, of dat ik trots was op iets. En dan in een situatie waarin ik eigenlijk gefrustreerd was, omdat ik dáár ineens het tegenovergestelde voelde van wat ik zei.

Of het mijzelf overschreeuwen dat het wel ging. Dat heb ik wel een tijdje gedaan, terwijl ik leefde op koffie en paracetamol. Vooral in het middelbare onderwijs ging me dat snel af, want elke keer als ik dat werk te serieus nam dan knalde ik weer door zonder genoeg slaap en rust. Dan dacht ik aan al die leuke, aardige kinderen en vroeg ik me tegelijkertijd niet af of ze na verloop van enige tijd nog iets aan mij zouden hebben als ik op deze wijze door knetterde. Allicht niet, maar dat is wijsheid van achteraf.

Nu kun je heus met droge ogen beweren dat hoe je boodschap overkomt ook kan liggen aan de ander, maar daar gaat het mij niet om. Mensen interpreteren dingen op hun manier. Je kunt een liedje schrijven dat de ene draait op een bruiloft en de andere op een begrafenis. Hetzelfde liedje, andere interpretatie. Ga je niets aan doen.

Vrij snel na het moment dat ik besloot dat ik niet alles hoefde te weten is er een loden last van mijn schouders gevallen. Je doet wel je best, maar ineens in de goede richting. Gewoonlijk sta je ook stil, adem je door en ga je opmerkelijk vrolijk die kant op.

Dat ik als leraar naar iedereen altijd vergevingsgezind wilde zijn ging pas echt werken toen ik mezelf ook permitteerde fouten te maken. Dat klinkt als een cliché, maar zoals bekend bevatten clichés gewoonlijk waarheden. Ook ik heb moeten accepteren dat ik zelf verantwoordelijk ben voor elke keuze en dat zelfs elke uitkomst ooit het gevolg is van een keuze van mij, inclusief een lang spoor aan mensen die zich op een of andere manier door mij gekrenkt hebben gevoeld.

De fout als beleid
Hoe ik denk dat het niet moet heb ik ook wel eens ervaren. Als beginneling in het onderwijs. Op een school die door een vrij plotselinge toestroom van leerlingen allerijl in een grotere jas moest groeien. Er was een verwarrende cultuur van afrekenen enerzijds en aan de andere kant het afdekken van echte problemen met de zogeheten mantel der liefde.

Allemachtig, wat werd daar geklaagd door de langer zittende collega's. De leiding had geen oog voor ze. Ze spraken ze alleen als er iets fout ging. Een compliment kon er niet af. Vrijwel iedereen had in geen jaren een functioneringsgesprek gehad, laat staan een beoordelingsgesprek. Beleid werd top-down gemeld en onmiddellijk daarna gingen deze collega's hun lokalen in, om weer als vanouds hun gang te gaan. Vergis je niet, het waren over het algemeen goede leraren, met het hart bij het kind.

Ik herinner me een moment dat ik uit de les werd gehaald door een schoolleider. Op de gang kafferde hij me verschrikkelijk uit. Daarna beende hij rood aangelopen weg. En ik kon weer voor de klas, die doodstil door het ruitje naast de deur naar het tafereel had zitten kijken. Man, wat voelde ik me vervelend toen. De aanleiding was dat ik was vergeten om toetspapier in de envelop te stoppen bij een toets die ik had klaargelegd. Stom natuurlijk, maar de surveillerende collega bleek het goed te hebben opgelost door snel even een leerling naar de conciërge te sturen voor de blaadjes.

Dat deze uitvoering van beleid enige effectiviteit had kan ik niet ontkennen. Ik ben noch daar, noch elders ooit vergeten om zaken goed klaar te leggen. Had ik dat ook gedaan als de betrokken schoolleider me op een rustig moment even apart had genomen, voor mijn part een arm om me had heen geslagen en me even had gewezen op het aldaar geldende gebruik dat de leerlingen bij toetsen dingen willen opschrijven? Volgens mij was dat net zo effectief geweest.

Wat mijns inziens had geholpen was beleid dat uitgaat van het goede. Leiders die dat ook voorleven door oprecht en luidkeels te complimenteren. Door collega's zichtbaar te maken door te luisteren en pragmatisch op zoek te gaan naar oplossingen voor problemen. Door niet te focussen op boete en straf, maar op mildheid en vergeving.

De fase ná de fout als beleid
Later heb ik het in mijn persoonlijke beleid opgenomen dat met name de fase ná de als zodanig beleefde fout interessant is. Altijd is die interessanter dan de fout zelf. Als je dat voorleeft dan creëer je ook het aangename bijeffect dat mensen ook milder omgaan met jouw fouten. - Mensen die mij kennen weten dat ik bedreven ben in het maken van fouten. - Zo kun je samen een veilig en gezond klimaat maken.

Hopelijk nemen de oud-collega's in kwestie het mij niet kwalijk als ik hier een leuke herinnering aan hen noteer ter illustratie.

Een keer een grote klap achter de deur waar ik zat te werken in een knusse, gezellige dorpsbibliotheek. Een collega had net een bingospel laten vallen en alle balletjes rolden over de vloer. Alle kinderen die aan de bingo - de afsluiting van een voorleesmiddag - hadden deelgenomen waren net het gebouw uit. Na enig zoeken ontbraken alleen balletjes 15 en 31 nog. Mijn collega had inmiddels ook ergens tussen de vijftien en eenendertig keer verzucht hoe stom ze het vond van zichzelf om het spel te laten vallen.

Toen er twee jongens van bovenbouwleeftijd basisschool de bibliotheek binnen kwamen schoot ik ze meteen aan: of ze ons wilden helpen om de balletjes te vinden. Voordat we het wisten lagen de jongens op de grond en binnen een minuut waren ze gevonden. Een andere collega beloonde ze met een zakje chips (de mand met bingoprijsjes was minder interessant voor ze). Even later hoorden we een jongen nog net zeggen: ‘Ik ben echt blij dat je me naar de bieb hebt meegenomen!’

Kijk, dan kun je eigenlijk naar huis. Je dag kan niet meer mooier worden. We hebben onze collega dan ook bedankt. Als zij het bingospel niet had laten vallen, dan hadden we dat die jongen ook niet horen zeggen. De definitieve beloning was haar glimlach.

Fouten maken kan zo lonend zijn. Ze zijn gewoonlijk de inleiding naar wat beters. Een milde omgeving kan hierin helend werken. En heb je een serie fouten? Bingo.

maandag 20 mei 2019

Softie of verstandig? Beleid maken op grond van vergeving en verzoening

Wat zou er gebeuren als we beleid zouden maken op grond van vergeving of verzoening? Ik zat me dat serieus af te vragen toen ik op een suffe ochtend op social media heen en weer werd geslingerd tussen verontwaardiging over populistische filmpjes enerzijds en artikelen over de voordelen van de Europese Unie anderzijds. Ik zat het me af te vragen omdat er vrijwel geen onderwerp meer lijkt te bestaan waar niet onmiddellijk polarisering over ontstaat. Weet ik veel waarom, omdat we snel beledigd zijn, of omdat de hakken nu eenmaal in het zand moeten, want dat is traditie, omdat we nu eenmaal vrijheid van meningsuiting hebben. Zeg het maar.

Afijn, toen zat ik me te bedenken waarom ik toch zo graag in Nederland woon. Om dat te illustreren gebruik ik graag het voorbeeld van het aanleggen van een weg van a naar b. De kortste weg van a naar b is een rechte lijn en er zijn allerlei overheden in de wereld actief om zo'n weg in afzienbare tijd te trekken, geregeld ten koste van dichtbevolkte gebieden, waar flats worden ontruimd en gesloopt of ten koste van natuur of van alles en nog wat. In Nederland hebben we een lange traditie van samenwerken. Ons land is op die basis gesticht, daar komt het in grote trekken wel op neer. Dus zo'n weg van a naar b kost hier jaren van onderzoek, van inspraakbijeenkomsten met buurtcomités, milieuverenigingen en andere belanghebbenden. Het fijne is, als we dan na jaren en jaren een slingerweg hebben van a naar b (om een leuk buurtje heen, om een natuurgebied, om een stiltetuin, met een fietspad ernaast) dan zeggen we over het algemeen ook altijd: 'Ja, dat is een goede weg.'

Dat brengt me op mijn vraag of beleid maken op grond van vergeving en verzoening niet verstandig is. Of politiek bedrijven op die basis niet ook veel beter is. En om niet meteen alleen de softe, naïeve kant op te gaan ben ik eens in de materie gedoken.

Wetenschappelijk onderzoek naar vergeving
Op het moment van schrijven zijn er meer dan 2500 wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar vergeving (volgens dit artikel). Deze onderzoeken variëren van het effect op de gezondheid van de mens die daadwerkelijk vergeeft, tot filosofische bespiegelingen over wat vergeven precies is tot aan de effecten voor de samenleving. Al deze onderzoeken laten een constant beeld zien die feitelijk goed nieuws inhouden: het is slim om te vergeven.

Er bestaat zelfs een prachtig Handbook of Forgiveness (2005) waarin de fenomenen vergeving en verzoening vanuit allerlei wetenschappen worden belicht. Ergens voorin het boek schrijven Jan de Waal en Jen Pokorny een interessant stuk over primaten (apensoorten die dichtbij de mens staan) dat uitwijst dat vergeving ook bestaat onder dieren. Dieren die elkaar onrecht hebben aangedaan begrijpen dat de sociale structuur weer hersteld moet worden. Daarbij tonen ze allerlei vormen van affectie naar elkaar: zoals kussen of knuffelen. Het lijkt erop dat vergeven een instinctieve manier is om samen te kunnen leven na onrecht.

Een ingewikkeld gebeuren
Vergeven zou ik willen omschrijven als het jezelf of iemand niet meer kwalijk nemen dat je op een of andere manier schade hebt ondervonden. Die schade kan materieel, lichamelijk of geestelijk zijn. Het kan zijn dat iemand iets van je heeft gestolen of stukgemaakt, dat iemand je heeft beledigd of veel erger. Het kan ook dat je zelf zoiets hebt gedaan. Vergeven kan een ingewikkeld proces zijn.

Wat samenhangt met vergeven is verzoenen. Dat is vrede sluiten met jezelf of (meestal) met iemand anders. Je accepteert van binnenuit dat de situatie is zoals die is en iemand anders ook. Je besluit om het elkaar te vergeven en om geen ruzie meer te maken. Dat klinkt simpel, maar als vergeven al ingewikkeld kan zijn is verzoenen dat al helemaal.

Vergeving en verzoenen zijn in de geschiedenis wel noodzakelijke stappen geweest om een nieuwe, opbouwende weg in te slaan voor ontwrichte relaties en zelfs samenlevingen. Te denken valt aan de stichting van de Bondsrepubliek Duitsland uit het puin van het Derde Rijk en nogmaals aan de hereniging met de DDR na 1989. Na het berechten van de belangrijkste leiders (op rechtvaardigheid komen we zo terug) is de gedachte in beide gevallen geweest: we kunnen wel iedereen die min of meer heeft gecollaboreerd gaan opsporen en vervolgen, maar dat is ondoenlijk. We zullen het iedereen moeten vergeven en samen de schouders moeten zetten op de wederopbouw.

Grote verzoeners vinden we doorgaans dapper. Neem Nelson Mandela of Mahatma Ghandi. Nelson Mandela heeft 27 jaar gevangen gezeten omdat hij zich als iemand met een zwarte gelaatskleur verzette tegen overheidsbeleid dat hem hierom minderwaardig behandelde. Toen hij werd vrijgelaten heeft hij zich verzoend met zijn onderdrukkers, om daarna te bouwen aan een nieuwe samenleving. Is Zuid-Afrika al een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft? Nee, maar de inwoners zijn hard op weg. De reden dat we Ghandi als een held zien ligt besloten in hetzelfde gegeven: na meer dan 150 jaar onderdrukking en geweld door de Britten heeft hij hard geijverd voor verzoening na de onafhankelijkheid van wat tegenwoordig India, Pakistan en Bangladesh is.

Hoe pragmatisch vergeven en verzoenen ook mag zijn voor een samenleving, gemakkelijk is het hele proces niet. In Rwanda kan men daarvan getuigen. Daar heeft de grootste genocide plaatsgevonden van de afgelopen 25 jaar. Juist in gevallen van zulke zware misdrijven zal het verschillende generaties vergen om tot samenwerking te komen. Ter vergelijking: het heeft zeker twee generaties geduurd voordat Nederlanders genuanceerder werden ten aanzien van Duitsers. Vlak na de oorlog waren de herinneringen aan de bezetting, de verwoestingen en de Holocaust te fris om te beseffen dat niet alle Duitsers nazi’s waren of zelfs schuldig waren aan enige misdaad. Zo’n proces kost dus tijd.

Een proces van vergeving kent twee fases: één ervoor en één erna, zo schreef Frère Roger van Taizé (Brief uit Taizé 1997). Aanvankelijk zijn er allerlei gevoelens en argumenten die het idee opwerpen dat vergeving en verzoenen niet mogelijk zijn. Als dat dan toch is gelukt, erna dus, dan proberen mensen elkaar te begrijpen in plaats van elkaar alleen met argumenten te overtuigen. De moeilijkheid zit dus in de fase ervoor.

De fase vóór vergevingHet besluit om te vergeven hangt af van een aantal factoren die uiteenvallen in drie categorieën situationele, relationele en persoonlijke (volgens een bijdrage van Mullet, Nevo en Rivière aan voornoemd handboek). Uit al die voornoemde onderzoeken blijken deze constanten te zijn in het hele proces van vergeven en verzoenen. Er is dus niet één recept dat daartoe leidt, maar er zijn wel vaste ingrediënten.

De situationele factoren hebben te maken met de ernst van de fout. Mensen die ernstige schade hebben ondervonden zullen er langer over doen om het een dader te vergeven, zeker als de consequenties op enigerlei wijze als vreselijk worden ervaren. Wat ook uitmaakt is of een dader de intentie had om iemand pijn te doen, of dat een dader spijt heeft of tot compensatie wil overgaan.

Relationele factoren hebben te maken met de nabijheid van een dader. Als slachtoffers en daders familie, vrienden of zelfs collega’s zijn, dan willen ze eerder tot vergeving overgaan om weer een bepaalde leefbaarheid te creëren (denk aan de primaten). Andere zaken die meespelen zijn of er sprake is van een verschil van hiërarchie is in de relatie. Groepsdruk kan het vergevingsproces ook beïnvloeden.

Met name je vermogen of je jezelf ook kunt vergeven bepaalt de persoonlijke factoren. Kun je het jezelf vergeven dat je iemand schade hebt berokkend? Dan schijn je gemakkelijker andere mensen hun fouten te kunnen vergeven. De ernst van de situatie hangt ook enorm af van welke waarden jij zelf hanteert. Sommige mensen vergeven het zichzelf gemakkelijker als ze toch dat ene extra koekje hebben gepakt - en ze pakken er nog één. Voor andere mensen kan zo’n extra koekje nog tijdenlang een negatieve uitwerking hebben. Als er buiten jezelf ook nog andere mensen schade ondervinden van welke handeling dan ook, dan speelt je persoonlijke vermogen om te vergeven weer zwaarder mee.

Vergeven betekent uiteindelijk niet dat je iemand acties goedkeurt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik snap dat je niet beter weet, maar ik vind het niet leuk dat je het hebt gedaan. Ik vergeef het je omdat je het niet beter weet.’

Vergeven is dus ook niet iets dat je kunt afdwingen. Het zal uit jezelf moeten komen en dat is niet altijd gemakkelijk. Het is je eigen keuze en die kan afhangen van de situationele, relationele en persoonlijke factoren.

Een belangrijke persoonlijke factor is dat je je eigen grenzen goed moet kennen. Je moet je bewust zijn van wat je wel en niet waardeert en waarom dat zo is. Worden je waarden bepaald door wat je diep van binnen werkelijk vindt, of is er op een of andere manier toch nog druk van buitenaf?

RechtvaardigheidsgevoelVergeven is niet zomaar een naïeve daad. In allerlei gevallen zal er wel degelijk een gevoel van rechtvaardigheid moeten zijn voordat er tot vergeving wordt overgegaan. Vooral bij ernstige misdrijven vinden mensen het gewoonlijk prettig als er een behoorlijke straf wordt uitgedeeld aan de dader. Het gevoel of de straf voldoende vergeldt wat er is misdaan speelt een belangrijke rol in alle vergevings- en verzoeningsprocessen, in kleinere en in grotere kringen (vergelijk Staub).

Rechtvaardigheid is een ingewikkeld begrip waarbij altijd in meerdere of mindere mate een kloof wordt ervaren. Deze kloof heeft te maken met de afstand tussen hoe men de daad wil vergelden en hoe dat ook daadwerkelijk gebeurt. Niet zelden wordt er om strenge straffen geschreeuwd bij ernstige misdrijven, zeker als groepsdruk gaat meespelen als complicerende factor.

Boeken en literatuur worden ook interessant gevonden als er een bepaalde mate van wraak in voorkomt, want gematigde of geproportioneerde wraak is eigenlijk saai (vergelijk Murphy). Juist van mensen die geen spijt hebben van hun misdaden vinden we het gemiddeld genomen niet zo erg als ze flink worden gestraft door ons rechtssysteem. En als ons rechtssysteem in onze ogen faalt dan vinden we het heerlijk om naar superhelden te kijken die het recht in eigen hand nemen, al dan niet verzameld in teams waarin wrok of rechtvaardigheid in de naam zit: The Avengers of The Justice League. Wrok komt voort uit het gevoel dat we iets waardevols niet graag kapot zien gaan.




De fase ná vergeving: gezonder!
Uit psychologisch onderzoek uit 2001 en daarna blijkt al dat vergeven gezonder is dan wrok koesteren: letterlijk is het beter voor je lichaam. Mensen die vertellen vergevende gedachten te hebben ervaren een grotere mate van controle over hun eigen leven. Daarbij komt dat ze ook minder lichamelijke stressfactoren laten zien: zo waren hartslag, bloeddruk en spierspanning lager. Vergeven is gezond.

Vergeven heeft een positieve invloed op je vermogen om creatief te zijn. Iemand anders heeft geen macht meer over je. Je kunt weer bouwen, want de wrok zit niet meer in de weg. Bepaalt gedrag keur je nog steeds niet goed, sommig verdriet blijft, maar je bevrijdt jezelf van negatieve emoties naar de dader.

Frère Roger, de man die sprak over ‘ervoor’ en ‘erna’ in het proces van vergeving en verzoening, heeft van dit alles zijn levenswerk gemaakt. Hij is vermoord door een verwarde vrouw in 2005 en het eerste dat zijn opvolger deed is het haar vergeven. Daarmee wierpen hij en zijn medebroeders eventuele wrok onmiddellijk van zich af. De gevoelens van verdriet en afkeuring waren er niet minder om, maar het maakte ze vrij om zo zuiver mogelijk te kiezen op welke manier zij hun toekomst zagen.

Conclusie
Stel dat we nu eens beleid zouden maken op grond van vergeven en verzoenen, is het gemakkelijk om elkaar te vergeven dat we bijvoorbeeld nu eenmaal allemaal vooroordelen hebben? We zijn opgevoed zoals we zijn, we hebben gelezen wat we hebben gelezen, gezien wat we hebben gezien. We zijn allemaal bevooroordeeld op een of andere manier, dunkt me. 

Dus kunnen we het elkaar vergeven? Dat hangt van allerlei factoren af. Maar op zichzelf genomen moet het in de meeste gevallen mogelijk zijn.

Is het gezonder voor onszelf? Het lijkt er wel op. Je bent geen softie, maar behoorlijk verstandig, zo blijkt.

Is het gezonder voor onze professionele cultuur en voor onze samenleving in het algemeen? Het lijkt er wel op.

donderdag 18 april 2019

Diversiteit en de bibliothecaris (@Biebcongres 2019)

Wat was het leuk om eens het Nationale Bibliotheekcongres mee te maken. En om er wat te mogen vertellen. Met een clubje die-hards heb ik wat mij betreft een leuk moment gehad, in een intieme situatie, voor zover de prachtige locatie dat toeliet (De Van Nelle-fabriek in Rotterdam).

Hoofdthema van de dag was diversiteit en dat is natuurlijk ook 'mijn' thema. Althans, als je het definieert dat iedereen gelijke kansen moet krijgen en dat we allemaal fundamenteel gelijkwaardig zijn. Zo ongeveer werd het ook gedefinieerd die dag en er waren allerhande interessante presentaties en workshops die gestalte gaven aan de eh, diverse facetten van de thematiek.

Wat ik heb verteld had twee delen. Eerst kwam een inhoudelijk deel over diversiteit bezien vanuit literair-historisch perspectief. Vervolgens wat een bibliothecaris mijns inziens met deze informatie kan naar het onderwijs en de wetenschap toe.

Eerst heb ik wat thema's aangeboord waarover ik het sowieso graag heb: de doorwerking van middeleeuws gedachtegoed in onze populaire cultuur. Als voorbeelden heb ik het kinderboek Juf Braaksel en het geheim van de magische ring (2018) en stiefmoeders genomen verband gelegd tussen Prinsessia, Lego Friends en de Nashvilleverklaring. In beide gevallen kwam het neer op een van mijn favoriete bezigheden: als ik iets waarneem wat naar mijn idee voornamelijk gedachtegoed vertegenwoordigt uit het verleden open ik graag een venster naar het verleden om te kijken van waar het komt. Dan verwonder ik me en mijn verwondering deel ik graag. Om vervolgens dat venster te sluiten en blij te zijn dat we leven in de 21e eeuw. Ik sloot dit deel af met een verwijzing naar de tekst uit de afbeelding: uit een boek uit 2013 van een auteur die op het moment van schrijven veelgeplaagd is om andere redenen; een fragment dat eveneens getuigt een prachtig stukje (onbewuste) doorwerking.

Het tweede deel was nadrukkelijk bestemd voor bibliothecarissen, die vlijtige, liefdevolle mensen die zich werkelijk dag en nacht inzetten om dienstbaar te zijn aan alles en iedereen in de samenleving. Over mijn waarnemingen over de wondere wereld van het bibliotheekwezen. Waar het op neer kwam is wat ik alle bibliotheekmedewerkers toewens:


  1. Dat ze in samenwerking met het onderwijs tot mooie producten kunnen komen
    Dat betekent wat mij betreft in de meeste gevallen dat er - allicht - geconverseerd moet worden. Ik meen dat er in elke sector van het onderwijs én in bibliotheken vaak dezelfde wielen worden uitgevonden met de rug naar elkaar toe. Volgens mij kunnen bibliotheken met hun aanbod op het gebied van mediawijsheid, digitale vaardigheden, literatuur en leesplezier, kunst, cultuur en debat zo enorm veel professionals in het onderwijs ondersteunen en ontzorgen. En dat vanuit het respect vanuit elkaars professie.

    Als je bijvoorbeeld een Ontdeklab hebt gemaakt in je bibliotheek, kun je leerkrachten de ruimte geven om hun kinderen te observeren, of om wellicht op een rustige plek correctie te doen, of om wat dan ook te doen om die leerkracht in zijn professionele behoeften te voorzien. Ik zeg maar wat.

    Klinkt logisch, maar ik ben buitengewoon goedbedoelde cursussen voor leraren tegengekomen waar vervolgens weinig of geen gebruik van werd gemaakt. Reden: de leerkrachten gaven aan het al druk genoeg te hebben.
  2. Dat ze aansluiten bij de thema's en trends die actueel zijn in het onderwijs
    Ik noem maar wat: hoe verhoud je je als bibliothecaris tot gepersonaliseerd leren? Hoe verhoud je je tot blended learning? Hoe verhoud je je tot de enorme zucht naar samenwerking die zo zichtbaar is in de vele vakgroepen op social media en vergelijkbare netwerken waar mensen hun kennis en materialen delen? Hoe verhoud je je als bibliothecaris tot de immer voortwoekerende discussie over literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs? Hoe staan de vakdocenten erin op de school waarmee jij samenwerkt?
  3. Dat ze een liefdevolle plek bieden voor onderzoekers
    Universiteiten zijn enorm op zoek naar het zichtbaar maken van de maatschappelijke meerwaarde van al het onderzoek dat er wordt verricht. Ze zien hun onderzoekers graag de deur uitlopen om overal en nergens presentaties te geven over hun harde werk. Bibliotheken zijn de ideale plekken waar die gegeven kunnen worden. Zeker de bibliotheken die zich op enige afstand bevinden van een universiteit. Ik kan me voorstellen dat een universitair pr-bureau bijzonder blij wordt als een bibliotheek een liefdevolle plek - want dat is het per definitie - aanbiedt waar onderzoekers hun resultaten kunnen delen met mensen van allerlei pluimage en waar ze tegelijk - zo nodig - hun presentatievaardigheden kunnen oefenen.
Wat bibliotheken zo uitstekend doen is het aantrekkelijk maken van hun vestigingen. Alle drie de bibliotheken die dit jaar waren genomineerd voor beste van Nederland zijn prachtig en uitnodigend. Dikke duim als je daar of in die geest je collectie (= bibliothecarissen én materialen) zichtbaar hebt gemaakt. Hoera voor de bibliotheek en de zichtbare professionals die er werken of van daaruit het netwerk in gaan!

Wat volgens mij nog beter is is als je het als bibliothecaris voor elkaar krijgt dat je zichtbaar bent op de elektronische leeromgeving van scholen en opleidingen. Op welke manier dan ook, zolang het maar vanuit de samenwerking is. En de grote uitdaging lijkt me met name om in het curriculum een vaste plek te hebben, zodat bibliotheken blijvend kunnen bijdragen aan een maatschappij waarin breed geïnteresseerde kinderen worden opgeleid die leren dat ze pas iets mogen beweren als ze het onderbouwen. Pas dan maken we ook diversiteit echt zichtbaar, omdat we dan, bewust van onze vooroordelen, elkaar de kansen kunnen geven die we allemaal verdienen.

woensdag 27 maart 2019

Verklaring omtrent gedrag

Geïnspireerd door docent Tommie Derksen:

Bij dezen verklaar ik dat ik vanuit het radicaal verlichte gedachtegoed - (terminologie van Jonathan Israel) dat alle mensen gelijkwaardig zijn - heb gehandeld in mijn werk voor bibliotheek, wetenschap en onderwijs. Hiermee geef ik mijzelf dus met terugwerkende kracht aan, omdat ik als leraar en bibliothecaris kinderen en volwassenen heb 'geïndoctrineerd' dat zij prachtig zijn zoals ze zijn, ze inlevingsvermogen nodig hebben voor goed begrip van andere mensen, hun kunstuitingen en dat ik heb willen bijdragen aan een mooie toekomst voor mijn leerlingen, studenten en collega's.

Eveneens verklaar ik dat ik in heden en verleden heb gepubliceerd op basis van wetenschappelijk onderzoek en waarneembaar gedrag.

Ik verklaar hiermee ook dat ik het volstrekt oneens ben met de zogenaamde 'nieuwe schoolstrijd' en dat ik te allen tijde bereid ben om dit in een goed, oprecht respectvol gesprek nader toe te lichten, zoals het op een goed democratisch forum hoort.