maandag 20 mei 2019

Softie of verstandig? Beleid maken op grond van vergeving en verzoening

Wat zou er gebeuren als we beleid zouden maken op grond van vergeving of verzoening? Ik zat me dat serieus af te vragen toen ik op een suffe ochtend op social media heen en weer werd geslingerd tussen verontwaardiging over populistische filmpjes enerzijds en artikelen over de voordelen van de Europese Unie anderzijds. Ik zat het me af te vragen omdat er vrijwel geen onderwerp meer lijkt te bestaan waar niet onmiddellijk polarisering over ontstaat. Weet ik veel waarom, omdat we snel beledigd zijn, of omdat de hakken nu eenmaal in het zand moeten, want dat is traditie, omdat we nu eenmaal vrijheid van meningsuiting hebben. Zeg het maar.

Afijn, toen zat ik me te bedenken waarom ik toch zo graag in Nederland woon. Om dat te illustreren gebruik ik graag het voorbeeld van het aanleggen van een weg van a naar b. De kortste weg van a naar b is een rechte lijn en er zijn allerlei overheden in de wereld actief om zo'n weg in afzienbare tijd te trekken, geregeld ten koste van dichtbevolkte gebieden, waar flats worden ontruimd en gesloopt of ten koste van natuur of van alles en nog wat. In Nederland hebben we een lange traditie van samenwerken. Ons land is op die basis gesticht, daar komt het in grote trekken wel op neer. Dus zo'n weg van a naar b kost hier jaren van onderzoek, van inspraakbijeenkomsten met buurtcomités, milieuverenigingen en andere belanghebbenden. Het fijne is, als we dan na jaren en jaren een slingerweg hebben van a naar b (om een leuk buurtje heen, om een natuurgebied, om een stiltetuin, met een fietspad ernaast) dan zeggen we over het algemeen ook altijd: 'Ja, dat is een goede weg.'

Dat brengt me op mijn vraag of beleid maken op grond van vergeving en verzoening niet verstandig is. Of politiek bedrijven op die basis niet ook veel beter is. En om niet meteen alleen de softe, naïeve kant op te gaan ben ik eens in de materie gedoken.

Wetenschappelijk onderzoek naar vergeving
Op het moment van schrijven zijn er meer dan 2500 wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar vergeving (volgens dit artikel). Deze onderzoeken variëren van het effect op de gezondheid van de mens die daadwerkelijk vergeeft, tot filosofische bespiegelingen over wat vergeven precies is tot aan de effecten voor de samenleving. Al deze onderzoeken laten een constant beeld zien die feitelijk goed nieuws inhouden: het is slim om te vergeven.

Er bestaat zelfs een prachtig Handbook of Forgiveness (2005) waarin de fenomenen vergeving en verzoening vanuit allerlei wetenschappen worden belicht. Ergens voorin het boek schrijven Jan de Waal en Jen Pokorny een interessant stuk over primaten (apensoorten die dichtbij de mens staan) dat uitwijst dat vergeving ook bestaat onder dieren. Dieren die elkaar onrecht hebben aangedaan begrijpen dat de sociale structuur weer hersteld moet worden. Daarbij tonen ze allerlei vormen van affectie naar elkaar: zoals kussen of knuffelen. Het lijkt erop dat vergeven een instinctieve manier is om samen te kunnen leven na onrecht.

Een ingewikkeld gebeuren
Vergeven zou ik willen omschrijven als het jezelf of iemand niet meer kwalijk nemen dat je op een of andere manier schade hebt ondervonden. Die schade kan materieel, lichamelijk of geestelijk zijn. Het kan zijn dat iemand iets van je heeft gestolen of stukgemaakt, dat iemand je heeft beledigd of veel erger. Het kan ook dat je zelf zoiets hebt gedaan. Vergeven kan een ingewikkeld proces zijn.

Wat samenhangt met vergeven is verzoenen. Dat is vrede sluiten met jezelf of (meestal) met iemand anders. Je accepteert van binnenuit dat de situatie is zoals die is en iemand anders ook. Je besluit om het elkaar te vergeven en om geen ruzie meer te maken. Dat klinkt simpel, maar als vergeven al ingewikkeld kan zijn is verzoenen dat al helemaal.

Vergeving en verzoenen zijn in de geschiedenis wel noodzakelijke stappen geweest om een nieuwe, opbouwende weg in te slaan voor ontwrichte relaties en zelfs samenlevingen. Te denken valt aan de stichting van de Bondsrepubliek Duitsland uit het puin van het Derde Rijk en nogmaals aan de hereniging met de DDR na 1989. Na het berechten van de belangrijkste leiders (op rechtvaardigheid komen we zo terug) is de gedachte in beide gevallen geweest: we kunnen wel iedereen die min of meer heeft gecollaboreerd gaan opsporen en vervolgen, maar dat is ondoenlijk. We zullen het iedereen moeten vergeven en samen de schouders moeten zetten op de wederopbouw.

Grote verzoeners vinden we doorgaans dapper. Neem Nelson Mandela of Mahatma Ghandi. Nelson Mandela heeft 27 jaar gevangen gezeten omdat hij zich als iemand met een zwarte gelaatskleur verzette tegen overheidsbeleid dat hem hierom minderwaardig behandelde. Toen hij werd vrijgelaten heeft hij zich verzoend met zijn onderdrukkers, om daarna te bouwen aan een nieuwe samenleving. Is Zuid-Afrika al een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft? Nee, maar de inwoners zijn hard op weg. De reden dat we Ghandi als een held zien ligt besloten in hetzelfde gegeven: na meer dan 150 jaar onderdrukking en geweld door de Britten heeft hij hard geijverd voor verzoening na de onafhankelijkheid van wat tegenwoordig India, Pakistan en Bangladesh is.

Hoe pragmatisch vergeven en verzoenen ook mag zijn voor een samenleving, gemakkelijk is het hele proces niet. In Rwanda kan men daarvan getuigen. Daar heeft de grootste genocide plaatsgevonden van de afgelopen 25 jaar. Juist in gevallen van zulke zware misdrijven zal het verschillende generaties vergen om tot samenwerking te komen. Ter vergelijking: het heeft zeker twee generaties geduurd voordat Nederlanders genuanceerder werden ten aanzien van Duitsers. Vlak na de oorlog waren de herinneringen aan de bezetting, de verwoestingen en de Holocaust te fris om te beseffen dat niet alle Duitsers nazi’s waren of zelfs schuldig waren aan enige misdaad. Zo’n proces kost dus tijd.

Een proces van vergeving kent twee fases: één ervoor en één erna, zo schreef Frère Roger van Taizé (Brief uit Taizé 1997). Aanvankelijk zijn er allerlei gevoelens en argumenten die het idee opwerpen dat vergeving en verzoenen niet mogelijk zijn. Als dat dan toch is gelukt, erna dus, dan proberen mensen elkaar te begrijpen in plaats van elkaar alleen met argumenten te overtuigen. De moeilijkheid zit dus in de fase ervoor.

De fase vóór vergevingHet besluit om te vergeven hangt af van een aantal factoren die uiteenvallen in drie categorieën situationele, relationele en persoonlijke (volgens een bijdrage van Mullet, Nevo en Rivière aan voornoemd handboek). Uit al die voornoemde onderzoeken blijken deze constanten te zijn in het hele proces van vergeven en verzoenen. Er is dus niet één recept dat daartoe leidt, maar er zijn wel vaste ingrediënten.

De situationele factoren hebben te maken met de ernst van de fout. Mensen die ernstige schade hebben ondervonden zullen er langer over doen om het een dader te vergeven, zeker als de consequenties op enigerlei wijze als vreselijk worden ervaren. Wat ook uitmaakt is of een dader de intentie had om iemand pijn te doen, of dat een dader spijt heeft of tot compensatie wil overgaan.

Relationele factoren hebben te maken met de nabijheid van een dader. Als slachtoffers en daders familie, vrienden of zelfs collega’s zijn, dan willen ze eerder tot vergeving overgaan om weer een bepaalde leefbaarheid te creëren (denk aan de primaten). Andere zaken die meespelen zijn of er sprake is van een verschil van hiërarchie is in de relatie. Groepsdruk kan het vergevingsproces ook beïnvloeden.

Met name je vermogen of je jezelf ook kunt vergeven bepaalt de persoonlijke factoren. Kun je het jezelf vergeven dat je iemand schade hebt berokkend? Dan schijn je gemakkelijker andere mensen hun fouten te kunnen vergeven. De ernst van de situatie hangt ook enorm af van welke waarden jij zelf hanteert. Sommige mensen vergeven het zichzelf gemakkelijker als ze toch dat ene extra koekje hebben gepakt - en ze pakken er nog één. Voor andere mensen kan zo’n extra koekje nog tijdenlang een negatieve uitwerking hebben. Als er buiten jezelf ook nog andere mensen schade ondervinden van welke handeling dan ook, dan speelt je persoonlijke vermogen om te vergeven weer zwaarder mee.

Vergeven betekent uiteindelijk niet dat je iemand acties goedkeurt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik snap dat je niet beter weet, maar ik vind het niet leuk dat je het hebt gedaan. Ik vergeef het je omdat je het niet beter weet.’

Vergeven is dus ook niet iets dat je kunt afdwingen. Het zal uit jezelf moeten komen en dat is niet altijd gemakkelijk. Het is je eigen keuze en die kan afhangen van de situationele, relationele en persoonlijke factoren.

Een belangrijke persoonlijke factor is dat je je eigen grenzen goed moet kennen. Je moet je bewust zijn van wat je wel en niet waardeert en waarom dat zo is. Worden je waarden bepaald door wat je diep van binnen werkelijk vindt, of is er op een of andere manier toch nog druk van buitenaf?

RechtvaardigheidsgevoelVergeven is niet zomaar een naïeve daad. In allerlei gevallen zal er wel degelijk een gevoel van rechtvaardigheid moeten zijn voordat er tot vergeving wordt overgegaan. Vooral bij ernstige misdrijven vinden mensen het gewoonlijk prettig als er een behoorlijke straf wordt uitgedeeld aan de dader. Het gevoel of de straf voldoende vergeldt wat er is misdaan speelt een belangrijke rol in alle vergevings- en verzoeningsprocessen, in kleinere en in grotere kringen (vergelijk Staub).

Rechtvaardigheid is een ingewikkeld begrip waarbij altijd in meerdere of mindere mate een kloof wordt ervaren. Deze kloof heeft te maken met de afstand tussen hoe men de daad wil vergelden en hoe dat ook daadwerkelijk gebeurt. Niet zelden wordt er om strenge straffen geschreeuwd bij ernstige misdrijven, zeker als groepsdruk gaat meespelen als complicerende factor.

Boeken en literatuur worden ook interessant gevonden als er een bepaalde mate van wraak in voorkomt, want gematigde of geproportioneerde wraak is eigenlijk saai (vergelijk Murphy). Juist van mensen die geen spijt hebben van hun misdaden vinden we het gemiddeld genomen niet zo erg als ze flink worden gestraft door ons rechtssysteem. En als ons rechtssysteem in onze ogen faalt dan vinden we het heerlijk om naar superhelden te kijken die het recht in eigen hand nemen, al dan niet verzameld in teams waarin wrok of rechtvaardigheid in de naam zit: The Avengers of The Justice League. Wrok komt voort uit het gevoel dat we iets waardevols niet graag kapot zien gaan.




De fase ná vergeving: gezonder!
Uit psychologisch onderzoek uit 2001 en daarna blijkt al dat vergeven gezonder is dan wrok koesteren: letterlijk is het beter voor je lichaam. Mensen die vertellen vergevende gedachten te hebben ervaren een grotere mate van controle over hun eigen leven. Daarbij komt dat ze ook minder lichamelijke stressfactoren laten zien: zo waren hartslag, bloeddruk en spierspanning lager. Vergeven is gezond.

Vergeven heeft een positieve invloed op je vermogen om creatief te zijn. Iemand anders heeft geen macht meer over je. Je kunt weer bouwen, want de wrok zit niet meer in de weg. Bepaalt gedrag keur je nog steeds niet goed, sommig verdriet blijft, maar je bevrijdt jezelf van negatieve emoties naar de dader.

Frère Roger, de man die sprak over ‘ervoor’ en ‘erna’ in het proces van vergeving en verzoening, heeft van dit alles zijn levenswerk gemaakt. Hij is vermoord door een verwarde vrouw in 2005 en het eerste dat zijn opvolger deed is het haar vergeven. Daarmee wierpen hij en zijn medebroeders eventuele wrok onmiddellijk van zich af. De gevoelens van verdriet en afkeuring waren er niet minder om, maar het maakte ze vrij om zo zuiver mogelijk te kiezen op welke manier zij hun toekomst zagen.

Conclusie
Stel dat we nu eens beleid zouden maken op grond van vergeven en verzoenen, is het gemakkelijk om elkaar te vergeven dat we bijvoorbeeld nu eenmaal allemaal vooroordelen hebben? We zijn opgevoed zoals we zijn, we hebben gelezen wat we hebben gelezen, gezien wat we hebben gezien. We zijn allemaal bevooroordeeld op een of andere manier, dunkt me. 

Dus kunnen we het elkaar vergeven? Dat hangt van allerlei factoren af. Maar op zichzelf genomen moet het in de meeste gevallen mogelijk zijn.

Is het gezonder voor onszelf? Het lijkt er wel op. Je bent geen softie, maar behoorlijk verstandig, zo blijkt.

Is het gezonder voor onze professionele cultuur en voor onze samenleving in het algemeen? Het lijkt er wel op.

donderdag 18 april 2019

Diversiteit en de bibliothecaris (@Biebcongres 2019)

Wat was het leuk om eens het Nationale Bibliotheekcongres mee te maken. En om er wat te mogen vertellen. Met een clubje die-hards heb ik wat mij betreft een leuk moment gehad, in een intieme situatie, voor zover de prachtige locatie dat toeliet (De Van Nelle-fabriek in Rotterdam).

Hoofdthema van de dag was diversiteit en dat is natuurlijk ook 'mijn' thema. Althans, als je het definieert dat iedereen gelijke kansen moet krijgen en dat we allemaal fundamenteel gelijkwaardig zijn. Zo ongeveer werd het ook gedefinieerd die dag en er waren allerhande interessante presentaties en workshops die gestalte gaven aan de eh, diverse facetten van de thematiek.

Wat ik heb verteld had twee delen. Eerst kwam een inhoudelijk deel over diversiteit bezien vanuit literair-historisch perspectief. Vervolgens wat een bibliothecaris mijns inziens met deze informatie kan naar het onderwijs en de wetenschap toe.

Eerst heb ik wat thema's aangeboord waarover ik het sowieso graag heb: de doorwerking van middeleeuws gedachtegoed in onze populaire cultuur. Als voorbeelden heb ik het kinderboek Juf Braaksel en het geheim van de magische ring (2018) en stiefmoeders genomen verband gelegd tussen Prinsessia, Lego Friends en de Nashvilleverklaring. In beide gevallen kwam het neer op een van mijn favoriete bezigheden: als ik iets waarneem wat naar mijn idee voornamelijk gedachtegoed vertegenwoordigt uit het verleden open ik graag een venster naar het verleden om te kijken van waar het komt. Dan verwonder ik me en mijn verwondering deel ik graag. Om vervolgens dat venster te sluiten en blij te zijn dat we leven in de 21e eeuw. Ik sloot dit deel af met een verwijzing naar de tekst uit de afbeelding: uit een boek uit 2013 van een auteur die op het moment van schrijven veelgeplaagd is om andere redenen; een fragment dat eveneens getuigt een prachtig stukje (onbewuste) doorwerking.

Het tweede deel was nadrukkelijk bestemd voor bibliothecarissen, die vlijtige, liefdevolle mensen die zich werkelijk dag en nacht inzetten om dienstbaar te zijn aan alles en iedereen in de samenleving. Over mijn waarnemingen over de wondere wereld van het bibliotheekwezen. Waar het op neer kwam is wat ik alle bibliotheekmedewerkers toewens:


  1. Dat ze in samenwerking met het onderwijs tot mooie producten kunnen komen
    Dat betekent wat mij betreft in de meeste gevallen dat er - allicht - geconverseerd moet worden. Ik meen dat er in elke sector van het onderwijs én in bibliotheken vaak dezelfde wielen worden uitgevonden met de rug naar elkaar toe. Volgens mij kunnen bibliotheken met hun aanbod op het gebied van mediawijsheid, digitale vaardigheden, literatuur en leesplezier, kunst, cultuur en debat zo enorm veel professionals in het onderwijs ondersteunen en ontzorgen. En dat vanuit het respect vanuit elkaars professie.

    Als je bijvoorbeeld een Ontdeklab hebt gemaakt in je bibliotheek, kun je leerkrachten de ruimte geven om hun kinderen te observeren, of om wellicht op een rustige plek correctie te doen, of om wat dan ook te doen om die leerkracht in zijn professionele behoeften te voorzien. Ik zeg maar wat.

    Klinkt logisch, maar ik ben buitengewoon goedbedoelde cursussen voor leraren tegengekomen waar vervolgens weinig of geen gebruik van werd gemaakt. Reden: de leerkrachten gaven aan het al druk genoeg te hebben.
  2. Dat ze aansluiten bij de thema's en trends die actueel zijn in het onderwijs
    Ik noem maar wat: hoe verhoud je je als bibliothecaris tot gepersonaliseerd leren? Hoe verhoud je je tot blended learning? Hoe verhoud je je tot de enorme zucht naar samenwerking die zo zichtbaar is in de vele vakgroepen op social media en vergelijkbare netwerken waar mensen hun kennis en materialen delen? Hoe verhoud je je als bibliothecaris tot de immer voortwoekerende discussie over literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs? Hoe staan de vakdocenten erin op de school waarmee jij samenwerkt?
  3. Dat ze een liefdevolle plek bieden voor onderzoekers
    Universiteiten zijn enorm op zoek naar het zichtbaar maken van de maatschappelijke meerwaarde van al het onderzoek dat er wordt verricht. Ze zien hun onderzoekers graag de deur uitlopen om overal en nergens presentaties te geven over hun harde werk. Bibliotheken zijn de ideale plekken waar die gegeven kunnen worden. Zeker de bibliotheken die zich op enige afstand bevinden van een universiteit. Ik kan me voorstellen dat een universitair pr-bureau bijzonder blij wordt als een bibliotheek een liefdevolle plek - want dat is het per definitie - aanbiedt waar onderzoekers hun resultaten kunnen delen met mensen van allerlei pluimage en waar ze tegelijk - zo nodig - hun presentatievaardigheden kunnen oefenen.
Wat bibliotheken zo uitstekend doen is het aantrekkelijk maken van hun vestigingen. Alle drie de bibliotheken die dit jaar waren genomineerd voor beste van Nederland zijn prachtig en uitnodigend. Dikke duim als je daar of in die geest je collectie (= bibliothecarissen én materialen) zichtbaar hebt gemaakt. Hoera voor de bibliotheek en de zichtbare professionals die er werken of van daaruit het netwerk in gaan!

Wat volgens mij nog beter is is als je het als bibliothecaris voor elkaar krijgt dat je zichtbaar bent op de elektronische leeromgeving van scholen en opleidingen. Op welke manier dan ook, zolang het maar vanuit de samenwerking is. En de grote uitdaging lijkt me met name om in het curriculum een vaste plek te hebben, zodat bibliotheken blijvend kunnen bijdragen aan een maatschappij waarin breed geïnteresseerde kinderen worden opgeleid die leren dat ze pas iets mogen beweren als ze het onderbouwen. Pas dan maken we ook diversiteit echt zichtbaar, omdat we dan, bewust van onze vooroordelen, elkaar de kansen kunnen geven die we allemaal verdienen.

woensdag 27 maart 2019

Verklaring omtrent gedrag

Geïnspireerd door docent Tommie Derksen:

Bij dezen verklaar ik dat ik vanuit het radicaal verlichte gedachtegoed - (terminologie van Jonathan Israel) dat alle mensen gelijkwaardig zijn - heb gehandeld in mijn werk voor bibliotheek, wetenschap en onderwijs. Hiermee geef ik mijzelf dus met terugwerkende kracht aan, omdat ik als leraar en bibliothecaris kinderen en volwassenen heb 'geïndoctrineerd' dat zij prachtig zijn zoals ze zijn, ze inlevingsvermogen nodig hebben voor goed begrip van andere mensen, hun kunstuitingen en dat ik heb willen bijdragen aan een mooie toekomst voor mijn leerlingen, studenten en collega's.

Eveneens verklaar ik dat ik in heden en verleden heb gepubliceerd op basis van wetenschappelijk onderzoek en waarneembaar gedrag.

Ik verklaar hiermee ook dat ik het volstrekt oneens ben met de zogenaamde 'nieuwe schoolstrijd' en dat ik te allen tijde bereid ben om dit in een goed, oprecht respectvol gesprek nader toe te lichten, zoals het op een goed democratisch forum hoort.

donderdag 14 maart 2019

Over de houdbaarheid van de drievuldigheid social media voor professionals

In 2013 schreef ik een stukje over hoe een professional zich moet gedragen op social media. Omdat ik toen in het middelbare onderwijs werkte heb ik het geschreven vanuit de optiek van de leraar. Tot op heden krijg ik er uit zowel de publieke als de private sector nog wel eens reacties op. Hartstikke leuk natuurlijk.

Toentertijd kreeg ik overigens ook allerlei zinnig en inhoudelijk goed commentaar op het stuk. Dat heeft mijn mening erg aangescherpt. Met name de onvolprezen experts Wilfred Rubens en Willem Karssenberg gaven fijne aanvullingen.

Zou het stuk nog zo houdbaar zijn?, vraag ik me af. Of behoeft het enkele nieuwe hoeken?

Volgens mij bestaat goed social media-beleid nog altijd uit een speelveld met drie hoeken. Het is dan ook een speelveld; niet een setje regels en wetten. Er is ook zes jaar na dit stuk nog zo vreselijk veel niet bekend over social media. Zo weten we dat filmpjes een grotere kans hebben om viraal te gaan als ze worden geplaatst op woensdagmiddag, maar niemand kan het definitieve antwoord geven waarom.

Kort en goed gaat het mij erom dat je als professional met drie uithoeken rekening houdt:

  1. Gedraag je als een rolmodel. Je bent een volwassene. Gebruik je levenservaring en je gezonde verstand. Dat heb je altijd, ongeacht hoe sterk je digitale vaardigheden zijn. Gebruik social media als een digitale schutting om je privéleven en denk na over welke plaatjes daar op plakt. Experimenteer.
  2. Geef erkenning aan je collega's of leerlingen die social media belangrijk vinden, ook als jij er niets mee hebt. Blijf positief. Volg de discussies en de ontwikkelingen, ook zonder dat je een account hebt.
  3. Kijk of je bepaalde social media kunt gebruiken als toepassing om nieuwe dingen te leren, nieuwe wegen te bewandelen. Zie social media als toevoeging aan wat je doet.

Jeetje, als ik dit allemaal teruglees dan denk ik dat we dit tegenwoordig open deuren vinden. Tenminste dat hoop ik wel. Of zie ik het verkeerd?

Aanvullingen anno nu
  1. Onder het kopje van rolmodel hoort nu ook wettelijk je plicht om goed na te denken wat je publiceert online. De AVG biedt een strak kader dat wat mij betreft nog steeds neer komt op het gebruiken van je gezonde verstand. Deze perkt de ruimte om te experimenteren wellicht wat in, maar natuurlijk zijn het fatsoenlijke grenzen als het aankomt op het respecteren van andermans privé-informatie en grenzen.
    Wat mij betreft moet je je als ouder bijvoorbeeld ook gedragen als een professional. Ik zet bewust geen foto's van mijn kinderen online. Onze oudste gaat steeds meer belangstelling tonen voor social media. Stel je voor dat ik haar waarschuw om niet zomaar alles te publiceren en zij antwoordt: 'Dank zij jou staan er al duizend foto's van me online.' Dank je de koekoek.
    Fake news herkennen is echt iets waar je als rolmodel een goed voorbeeld hebt te geven. Als je twijfelt aan de bron of de informatie moet je dat niet voor jezelf houden.
  2. Op het gebied van erkenning denk ik dat we ook de mensen moeten erkennen die angstig zijn geworden door alle vertrouwensschade die enkele social media-bedrijven over zichzelf hebben afgeroepen. Het geheimzinnige handelen in informatie, de internettrollen, het lekken van data en de mogelijkheden om je daar als gebruiker tegen te beschermen wegstoppen in schimmige aanvinklijsten zijn geen bemoedigende ontwikkelingen.
    Anderzijds moet je mensen ook erkennen die zich als rolmodel gedragen op social media, die de positieve mogelijkheden weten te benutten en die het experiment niet uit de weg gaan.
  3. De toepassing van social media heeft wel allerlei verbeteringen doorgemaakt. Met bijvoorbeeld LinkedIn en Facebook kunnen bedrijven en instellingen op een hele hybride manier nieuwe collega's werven. Instagram is momenteel populairder dan andere social media bij jongeren. En over zes jaar is alles weer helemaal anders. Als je je gedraagt als rolmodel is alles volgens mij nog steeds goed. Fouten maken is niet per se interessant, wel wat je ná het fouten maken doet.
Tja. Ik denk dat hij nog wel houdbaar is, deze drievuldigheid. De grenzen van de driehoek zijn wellicht wat strakker te trekken sinds de AVG van kracht is. Daar binnen is echter nog genoeg ruimte om te ontdekken en te scheppen.

woensdag 6 maart 2019

Captain Marvel of de triomf van opnieuw uitgevonden personage

Captain Marvel - de laatste toevoeging aan de enorme lawine aan superheldenfilms die het afgelopen decennium over ons is uitgestort - vind ik een fraai voorbeeld van een fictief personage dat keer en keer opnieuw is geschapen om in de huidige vorm te verschijnen. Is het slecht om zo'n personage opnieuw uit te vinden? Ik denk het helemaal niet, zolang het doel de middelen maar heiligt. Mijn gedachten hierover zijn meer dan die van een vader van dochters met superheldenstrips als guilty pleasure - of een brede literaire opvatting.

Captain Marvel wordt nu gepresenteerd als een van de belangrijkste personages van Marvel. Als dat al zo is, dan is dat sinds kort het geval. Ik meen dat ik haar, Carol Danvers, voor het eerst tegenkwam in de jaren '80, als een bijpersonage in De X-Mannen, de Nederlandse vertaling van The Uncanny X-Men. Ze noemde zich op dat moment net Binary, want haar oude naam, Ms. Marvel, vond ze niet meer leuk. Kortstondig heette het personage ook Warbird, daarna weer Ms. Marvel en pas sinds kort Captain Marvel.


Toen ik deze boekjes van uitgever Juniorpress las was er wel een Captain Marvel bij de Avengers (Vergelders), maar zij was een donkere mevrouw met een wit pak die - ik meen - kon veranderen in een lichtstraal. Ook zij was geen iconische superheldin. Ergens achterop een van de oudere exemplaren - ik heb ze niet meer - van de X-Mannen meen ik ooit een reclame te hebben gezien voor een strip waarin Captain Marvel stierf. De gevallen held droeg een pak dat erg leek op dat van het filmpersonage, maar het was wel een man.

Sinds Disney het bewind voert bij Marvel is Captain Marvel meer en meer naar voren geduwd als belangrijk personage in de comic books. De film onderstreept het belang dat Marvel ziet haar. Ze moeten namelijk wel en om twee redenen: Disney heeft niet de rechten van de meest aansprekende vrouwelijke superhelden van Marvel en Disney heeft zo een antwoord op het succes van de film Wonder Woman (2017) van concurrent Warner Bros./DC Comics.
Disney moest wel een krachtig personage scheppen, want de populairste vrouwelijke superhelden hebben ze nog niet in hun filmcatalogus. Waar de personages voor de comic books allemaal netjes zijn overgekocht door Disney, geldt dat niet voor hun equivalenten op het witte doek. Een heel verhaal dat ik nu laat voor wat het is. Het komt erop neer dat de meest aansprekende vrouwelijke personages uit de Marvel-catalogus vooralsnog bij filmmaatschappij FOX zijn ondergebracht, vanwege eerdere deals. We hebben het hier over personages als Storm, Rogue (die overigens ooit de krachten van Captain Marvel had) en Psylocke van de X-Men en Invisible Woman van de Fantastic Four. 

Bovendien heeft Disney geen Marvel-equivalent van de iconische DC-superheld Wonder Woman. De bioscoopfilm Wonder Woman heeft voor een ware kentering gezorgd op de superheldenmarkt. Het is de eerste 'blockbuster' geweest met een vrouw aan het roer. Dat moment heeft dus tot 2017 moeten duren. Met een Rotten Tomatoes-score van 93% behoort de film sowieso tot de betere films, ongeacht welk genre. 

Wonder Woman: ook aangepast
DC heeft met Wonder Woman een personage uit de stal gehaald dat samen met Superman en Batman tot de eerste superhelden hoort die bestaan. Samen worden ze ook wel de 'Trinity' genoemd, de drieëenheid van DC. Van de twee mannelijke helden zijn al verschillende bioscoopfilms gemaakt, voor Wonder Woman heeft het 75 moeten duren voordat ze op het witte doek verscheen. Het resultaat mocht er zijn.

De Wonder Woman uit 2017 is, net als het geval is bij Captain Marvel, een aanpassing geweest van de Wonder Woman uit de comics. In de driekwart eeuw van haar bestaan heeft ze allerlei kleren aangehad, van een tamelijk zedige rok tot aan een bijnabloot badpakachtig kostuum. In 2017 (eigenlijk al een DC-film ervoor, als bijpersonage) was de actrice gehuld in een soort Grieks-mythologische variatie op haar aloude kledij. Dat de Wonder Woman in de stripboeken sindsdien vrijwel hetzelfde is uitgedost lijkt mij het bewijs dat deze make-over een succes is gebleken.
Voor wat betreft het innerlijk is Wonder Woman ook aan onze tijd aangepast. De vrouwelijkheid ligt niet besloten in de traditionele, westerse opvattingen over wat precies vrouwelijk zou moeten zijn (zie de theorieën van Judith Butler hierover), maar in haar vermogen om hard en onverbiddelijk te zijn waar noodzakelijk en tegelijkertijd begripvol en inlevend. De Wonder Woman van de film is opgegroeid tussen de vrouwen en haar introductie in onze, door mannen bestierde wereld gaat gepaard met vermakelijke observaties. Nog nooit was ze zo tof, denk ik.

Wie de geschiedenis van het personage erop naslaat kan zien dat zij in het verleden een aantal keer is aangepast aan de tijdgeest. Bedenker William Moulton Marshton maakte van haar een enigszins te aanbidden, goddelijk type, in de jaren '50 verwerd ze vrijwel tot een secretaresse dat een decennium later zelfs een soort go-girl-achtige vrouw werd. In de jaren '80 kende Wonder Woman een opleving in de comics en pas sinds de New 52 (tien jaar geleden) zijn de verhalen om haar heen een tijdje onomstotelijk goed geweest. Het is dus prima dat Wonder Woman voor onze tijd opnieuw is uitgevonden en een symbool van diversiteit is geworden.

Het succes van de Wonder Woman-film wordt ook weerspiegeld in de jaarlijkse catalogus van de belangrijkste strips en graphic novels van DC. Voor de film waren de comics met vrouwelijke hoofdpersonages vooral te vinden in de opsommingen met kleine letters, daarna zijn er speciale hoofdstukken en categorieën aan de catalogus toegevoegd. Wonder Woman heeft de markt ontsloten voor iedereen die niet tot de veronderstelde jongens behoorde die tot dan toe als doelgroep werden aangemerkt.

Mathilda 30 jaar later: een denkoefening
Wat zou Mathilda zijn geworden als volwassen vrouw? De beroemde Roald Dahl-illustrator Sir Quentin Blake heeft deze denkoefening in een aantal tekeningen zichtbaar gemaakt: Mathilda zou een typische vrouw zijn van deze tijd. Allerlei opties passeren de revue, waaronder bibliothecaris en avonturierster. Zonder het originele boek geweld aan te doen heeft Blake van het personage een onverschrokken voorbeeld gemaakt voor kinderen. Alles kan, als je maar leest.

Het geeft ook te denken: hoe zou je Anton Wachter tegenwoordig gestalte kunnen geven? Of Frits van Egters? Sarah Burgerhart? Hoe zouden zij in onze tijd zijn geworden?

Ik vind het altijd een interessant om te zien hoe fictieve personages nieuw leven wordt ingeblazen. Dat gebeurt natuurlijk aan de lopende band, denk aan James Bond, Robin Hood of koning Arthur. Gewoonlijk levert het herscheppen van zo'n fantasiefiguur ook niet tot veel discussie, behalve bij Zwarte Piet. - Daar zou je een krachtig rolmodel van diversiteit van kunnen maken als we allemaal eens tot de kern van de zogeheten discussie zouden komen, maar dat terzijde. - Het herscheppen van personages is geweldig. En of ik naar de film ga of niet: leve de nieuwe Captain Marvel!

vrijdag 1 maart 2019

VU elimineert neerlandistiek. Wat is de juiste vraag?

Dat de Vrije Universiteit heeft aangekondigd de opleiding Nederlandse taal- en letterkunde te sluiten roept allerlei vragen in mij op. Voor zover je als mens niet stiekem altijd in opperste verwarring bent, ben ik dat hierover wel. De vragen die in mij opkomen gaan alle kanten op. En: zijn het wel de juiste vragen? Is er een hamvraag? Wie het weet mag het zeggen.

Is de sluiting het voorteken van naderend onheil? Of is het het gevolg van een algehele neergaande lijn? Is het erg dat de VU stopt met neerlandistiek? Zo ja: hoe erg? Zo nee: wat nu?

Is de sluiting de schuld van bestuurders? Van hun opvattingen over gezonde bedrijfsvoering? Zijn het wel de juiste bestuurders? Klopt de lat waarlangs zij de neerlandici en de hun studenten meten wel?

Ligt het aan de neerlandici zelf? En wacht neerlandici aan andere universiteiten niet hetzelfde lot? Is de structuur van tijdschriftartikelen, congressen en symposia aanlokkelijk genoeg voor nieuwe generaties studenten? Liggen de eisen voor de kwaliteit van de schrijvers en sprekers niet te hoog of juist te laag? Hoe verhouden ze zich tot die van andere wetenschappen? Zijn de onderzoeksvragen nog prikkelend genoeg? Is de samenwerking met andere wetenschapsgebieden hecht genoeg en zo ja, stimulerend genoeg en duurzaam genoeg? Wordt er niet teveel geklaagd op de Pleijs en Van Rossems die de alfawetenschappen voor een breed publiek toegankelijk maken? Waar zijn de Ionica Smeetsen, Freek Vonks, Diederik Jekels en Lieve Scherens van de alfawetenschappen?

Hebben de alfawetenschappen en vooral de neerlandistiek een imagoprobleem? Betawetenschappen vertegenwoordigen volgens mij misschien wel de weg naar voren en alfawetenschappen de weg naar binnen. Hebben de humanoria in het huidige tijdsgewricht met consumentisme en neoliberalisme nog enige marktwaarde? Zo ja: welke? Zo nee: wat dan? Moet het vak Nederlands wel sexy zijn? Is de weg naar binnen überhaupt sexy? Of kunnen we spectaculaire proefjes verzinnen? Wat is dan het alfa-equivalent van de colafles en het muntsnoepje?

Is de teloorgang van de neerlandistiek niet ook te wijten aan het onderwijs? Is het werken als leraar Nederlands wel aantrekkelijk genoeg voor de nieuwe generaties? Ligt het niet aan de versnippering van het literatuuronderwijs sinds de jaren '90? Is het vak niet te veel een servicevak geworden sinds de Tweede Fase? Of ligt de schuld bij het basisonderwijs, waar zinsontleding en spelling niet meer met de nadruk werd gegeven van dertig jaar geleden?

Ligt het aan de ouders? Aan die ouders die hun kinderen dwingen om te kiezen voor zogenaamd 'veilige studies' en N-profielen? Bieden die garanties op betere banen? Klampen zij zich niet teveel vast aan zekerheden die niet bestaan? Zijn hun kinderen niet te bang gemaakt om hun geluk te zoeken daar waar het ligt?

Is het de schuld van al de politici? Hebben zij niet teveel aangestuurd op loonmatigingen vanaf de jaren '80? Hebben zij niet teveel aangestuurd op financieringssystemen waarin goede voorstellen kunnen worden afgewezen op een gebrekkige presentatie? Verhullen deze systemen niet dat er structureel te weinig wordt geïnvesteerd in de wetenschap, zoals veel wordt gezegd? Is het de schuld van die politici die enerzijds hun mond vol hebben van Nederlandse cultuur, maar desgevraagd niet weten waarover ze het hebben? Of dat ze iets stamelen over de hobby van een loodgieter? Of ligt het aan hun kiezers die hen het mandaat gaven?

Ligt het niet ergens een soort van aan ons allemaal?

Ik pretendeer niet de juiste vragen te stellen. Maar stel dat er wel wat juiste vragen tussen zitten: wat moeten de antwoorden zijn? Ik pretendeer ook absoluut niet die te weten. Wat mij betreft moeten we die dan snel gaan zoeken met elkaar, voordat we zaken verliezen die ons dierbaar zijn of zouden moeten zijn.

zaterdag 16 februari 2019

De wondere wereld van de bibliotheken

De iets meer dan driekwart jaar die ik nu in bibliotheekland ronddwaal geeft me nog altijd het gevoel dat ik een soort Alice in Wonderland ben. Wie nog altijd het beeld heeft van een stoffige bende met strenge bibliothecarissen die voortdurend fronsend om stilte verzoeken komt bedrogen uit. Ik heb nog niet eerder een zo dynamische bedrijvigheid gezien als in de bibliotheek. En ik heb een mensenleven in onder meer het onderwijs rondgelopen, dus dat zegt wat (vind ik).

Wat maakt dat bibliotheekwezen dan zo dynamisch? Om dat inzichtelijk te maken gebruik ik de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (2015). Naar mijn mening is dat de tofste bibliotheekwet ter wereld. In bijvoorbeeld Duitsland, Engeland of België wordt de bibliotheek nog altijd in de culturele hoek gestopt. In Nederland is dat niet het geval, want de Wsob maakt dat de bibliotheek dienstbaar kan zijn aan de hele samenleving en vanuit een ruimer kader. Traditioneel valt de bibliotheek onder de wethouder cultuur in je gemeente, sinds de Wsob valt de bibliotheek onder het gehele college van burgemeester en wethouders (en dat besef dringt inmiddels ook druppelsgewijs door in de raadhuizen).

Het ruimere kader van de Wsob tracht ik in beeld te brengen met de mindmap hiernaast (klik erop om hem te vergroten). De vijf hoofdwegen vertegenwoordigen de vijf wettelijke functies van de Wsob. (Als leidend gebruik ik de wijze waarop bibliotheken verantwoording moeten afleggen aan de KB, even los van enkele inhoudelijke onvolkomenheden). In het midden staat de bibliothecaris, in mijn persoonlijke optiek de spil van het geheel.

Collectie staat centraal
Volgens mij staat de collectie van de bibliotheek niet alleen meer voor de boeken en materialen die er te vinden zijn. Minstens zo belangrijk is de bibliothecaris. Die moet van heel wat markten thuis zijn, want je moet zowel kennis hebben van de zaken die je in huis hebt, als van de wereld om je heen, als je bibliothecaris wil zijn. Van binnenuit ben je bezig met je boeken en materialen, van buiten uit ben je verbonden met je netwerk. Community librarian heet je dan, volgens bibliotheekwetenschapper David Lankes, die er verschillende fraaie boeken over heeft geschreven (zij het vanuit Amerikaans perspectief).

Vanuit de vijf functies van de Wsob doe je je werk. Je moet maar eens de website van de eigen bibliotheek bekijken. Je zult alle activiteiten kunnen herleiden tot een van de vijf:


  • Kennis en informatie: waarbij je naast lezingen kunt denken aan trainingen voor bijvoorbeeld werkzoekenden, of mensen die moeite hebben met het lezen van bijsluiters, het invullen van belastingformulieren of speciale colleges voor kinderen. Voor universiteiten is de bibliotheek een liefdevolle omgeving voor promovendi die hun diep doorwrochte onderzoeksresultaten willen delen met niet-vakgenoten.
  • Educatie en ontwikkeling: van oudsher werken bibliotheken en onderwijs graag samen. Tegenwoordig is een belangrijk deel van de activiteiten van de bibliotheek het ondersteunen van scholen op het gebied van mediawijsheid en informatievaardigheden. Bovendien zijn Taalhuizen een zichtbare manier waarop bibliotheken Nederlands- en anderstaligen helpen bij het verbeteren van hun taalvaardigheden. Hier is de bibliotheek gewoonlijk een van de leden van een netwerk waarin scholen, bedrijven, welzijns- en andere organisaties samenwerken.
  • Kennismaken met literatuur en leesbevordering: dit is de traditionele tak van de bibliotheek en het is geen wonder dat hier de meeste activiteiten te noteren zijn. Zowel binnens- als buitenshuis ondersteunt de bibliotheek allerlei mensen van onderwijs tot leesclub.
  • Ontmoeting en debat: het is vrij logisch dat je in een bibliotheek mensen kunt ontmoeten. Van eminent belang is hierbij het gebouw geworden. Daar moet de heilige drie-eenheid koffie-wifi-stroom aanwezig zijn, zodat je langdurig kunt studeren, lezen of kletsen. Plaatselijke politici en ondernemers kunnen hier in debat gaan met wie wil meedoen.
  • Kunst en cultuur: op allerlei manieren kan de bibliotheek de burger laten kennismaken met kunst en cultuur. Gewoonlijk gebeurt ook dit met alle andere culturele organisaties in de gemeente. Regelmatig staat er ook wel een aardige lezing op de agenda.
Een spin
Op de mindmap staan allerlei losse woorden tussen de lijnen. Hier heb ik voorbeelden van de vele organisaties gestrooid uit het sociale netwerk van de bibliotheek, in algemene zin dan. Hiermee probeer ik duidelijk te maken dat de bibliotheek een logische partner is geworden voor zo'n beetje elk bedrijf of instelling dat of die op zoek is naar bruikbare informatie. 


Wel moet gezegd worden dat het beeld dat je bij het woord bibliotheek hebt sterk afhankelijk is van de visie van de koepel waartoe je bibliotheek behoort. Sommige koepels werken met veel vrijwilligers op de vloer en meer ambulante programmeurs, andere hebben juist liever weer de inhoudelijk sterke bibliothecaris. Je gang naar een bibliotheek zal in elk geval vrijwel niet teleurstellend moeten zijn.

Ik vind het maar een wonderlijke wereld, het Nederlandse bibliotheekwezen. Deze mindmap is maar het topje van de ijsberg. Er valt nog meer dan genoeg te ontdekken. Voel je dan ook vrij om me daarbij te vergezellen.

zondag 3 februari 2019

Vrouwen en kinderen eerst? Moet dat?

Een aardige en soms confronterende manier om te bestuderen hoe seksistisch je bent is om een Ambivalent Sexism Inventory Test te doen (tevens wellicht goed voor je Engels). Dat gedachtegoed komt voort uit de Amerikaanse psychologie (Glick & Fiske) uit de jaren 1990. Het idee is dat verreweg de meeste mensen onbewust en onbedoeld seksistische opvattingen hebben. In de test kun je reageren op uitspraken als 'Vrouwen worden graag positief gediscrimineerd, maar vermommen dat als gelijke rechten', 'Je bent pas een vent als je de liefde hebt van een vrouw' of 'Bij een ramp moeten vrouwen verplicht eerder gered worden door mannen'.

Deze theorie is niet los te zien van het invloedrijke Gender Trouble (1993, als Genderturbulentie geredigeerd in onze taal te lezen) van de Amerikaanse filosoof Judith Butler. Zij stelt dat wij allemaal genderneutraal ter wereld komen. Onze opvoeding, cultuur en maatschappij leert ons vervolgens dat we een bepaald geslacht hebben en dat daar een bepaald gedrag bij hoort. We kleden meisjes in jurken, laten ze met poppen spelen en jongens dragen broeken en worden geacht op avontuur te gaan. Van Butler's ideeën uit is de hele queer theory ontstaan die alle vormen van gender vanuit een filosofisch kader verklaren en plaatsen.

Wat we onze kinderen voorschotelen
Als ik me even beperk tot kinderboeken, dan heb ik het idee dat we over de hele breedte zeker meer verhalen kunnen lezen waarin jongens en meisjes samen optrekken en er geen grote 'genderturbulenties' zijn. We kunnen met een gerust hart heel wat kinderboeken aan onze kinderen voorlezen of door ze laten lezen. Toch meen ik dat er juist op het onbewuste niveau nog wel wat terrein te winnen is.

Nu beperk ik me nog wat verder, namelijk tot drie kinderboeken uit 2018, die momenteel met een ster te lenen zijn bij de meeste openbare bibliotheken. Het zijn alle drie prachtige uitgaven, met de nodige aandacht en zorg geschreven en geïllustreerd. Met de Ambivalent Sexism Inventory in mijn achterhoofd heb ik bij deze stomtoevallige selectie (deze drie waren op het moment van uitzoeken niet uitgeleend) zonder langer dan enkele minuten te zoeken wat bevindingen gedaan. Die som ik even per titel op.

Bakken met Jill | Jirn Schirnhofer
De creatieve en vrolijke Jill Schirnhofer is een groot idool van mijn dochters. Terecht, want ze schudt ogenschijnlijk gemakkelijk indrukwekkende tekeningen en friemelornamenten uit haar mouw en alles wat zij maakt ziet er meteen geweldig uit. We kunnen het de auteur misschien niet kwalijk nemen, maar in de marketingteksten wordt duidelijk dat het boek is 'bedoeld voor meiden die graag net zulke mooie en lekkere dingen willen bakken'. Je zou maar een jongen zijn die graag cupcakes wil versieren met glitters en chocola.

Juf Braaksel en de magische ring | Carry Slee
Carry Slee mag inmiddels een begrip worden genoemd in de wereld van het kinderboek. Deze laatste toevoeging aan haar grote oeuvre is een gelaagd verhaal over een basisschool waar een een leuke, jonge lerares wordt geteisterd door een vreselijk, oud wijf dat schoolhoofd is geworden, juf Brakel, 'Braaksel'. Een soort Bulstronk light naar mijn smaak.

'Ik heb een nieuwe regel ingesteld,' zegt juf Brakel. 'Hij komt ook op het scherm in de hal te staan, maar ik licht het toch nog even toe zodat er geen misverstand ontstaat. Vanaf nu worden hier op school geen verjaardagen meer gevierd. Die onzin kost alleen maar tijd. Met zingen voor de jarige en vertellen wat de jarige heeft gekregen en het trakteren, zijn jullie op zijn minst een kwartier kwijt. En dat gemiddeld 30 keer 15 minuten. Daan, hoeveel minuten zijn dat?'

Hoe dan ook, de duivel wordt niet genoemd, maar ook hier meen ik weer een onbewust, gedateerd verhaalmotief te zien. Slee had ook kunnen kiezen voor een ervaren, oudere schooljuf die in conflict raakt met zo'n management-kantoortaal-bullshitbingo-dame van midden dertig.

Kan Dr. Proktor Kerstmis redden? | Jo Nesbø
Ook hier een uiterst vermakelijk kinderboek, dit keer met allerlei kleine kleurenplaatjes tussen de regels door. Mijn negenjarige zelf was hier uiterst content mee geweest, als het toen al had bestaan. Toch lees ik vrij voorin (ik ben zo verstandig geweest het paginanummer niet op te schrijven, maar het is onder de 20, meen ik):

'Toen ik (= Bulle. MW) op poolexpeditie ging, zette ik mijn eigen leven op het spel en dacht maar aan één ding.' Hij stak een ongelooflijk klein wijsvingertje in de lucht. 'Vrouwen en kinderen - oké, vooral vrouwen - redden van de kou en de honger. Met eenvoudige hulpmiddelen. [...]'

Tijd voor discussie?
Kan het allemaal kwaad, die onbewuste verhaalmotieven? Weet ik niet. Ik ben geen expert. Wel vallen ze mij op. Wel komen de vragen in mij op wat we met dit soort dingen moeten als opvoeder, als pedagoog, als collectioneur. Als vader van twee dochters die in toenemende mate kritisch zijn vind ik het wel fijn om zelf zo bewust mogelijk met deze materie om te gaan. Met wat ze lezen, wat ze zien op tablet en tv en met het speelgoed dat ze al dan niet wordt opgedrongen. Wie het weet mag het in elk geval zeggen.

zondag 20 januari 2019

Stiefmoeder, maar toch oké

In de trein hoorde ik een jongen (die ik rond de zeventien jaar inschatte) zeggen tegen een (ongeveer even oude) andere jongen: 'Ja, ze is wel mijn stiefmoeder, maar ze is wel oké.' Dat vond ik een interessante mededeling. Met name vanwege die tegenstelling dat de vrouw in kwestie ondanks haar functieomschrijving positief wordt omschreven.

Het venijn zit 'm in het voorvoegsel 'stief'. We weten niet precies waar het vandaan komt en wat het is, maar het voelt ergens niet goed. Stief. Dat smaakt niet lekker in je mond. Typisch weer zo'n venstertje naar het verleden dat deze jongen onbewust opende.

In de literaire traditie komen stiefmoeders er niet best van af. Überhaupt oude vrouwen. Als er in bijvoorbeeld sprookjes sprake is van de combinatie jonge vrouw en stiefmoeder dan staat dat garant voor problemen. Sterker nog, de duivel wordt er altijd op een of andere manier bij betrokken. De duivel als reëel bestaand persoon en aanjager van het kwade dat die stiefmoeder als zijn instrument gebruikt.

Ongeremde seksuele driften
In algemene zin wordt de alleenstaande oude vrouw, de weduwe, in de literaire traditie al snel verdacht van allerlei vreselijk gedrag. Vrouwen hebben vanuit de middeleeuwse traditie de naam emotioneel instabiele wezens te zijn (de woorden 'hysterie' en 'utero' zijn etymologisch verwant). De vrouw zou allerlei driften vertonen, met name seksuele en deze kunnen alleen beteugeld worden door haar onder toezicht te stellen van een man. Mannen zouden namelijk stabiele wezens zijn. Dat betekent dus dat een vrouw hetzij een vader, een voogd of een echtgenoot heeft die haar begeleid. Als een oude vrouw eenmaal al deze mannen heeft overleefd staat ze er alleen voor en wordt zij weer sneller verdacht van alle ellende.
Bovendien zouden oude vrouwen snel jaloers zijn op jonge vrouwen. Die zijn nog mooi. Die kunnen nog kinderen krijgen en nog volop kunnen genieten van het creatieve proces dat Tot zwangerschap kan leiden. Zij hebben immers een echtgenoot die hun behoeften niet alleen kan beteugelen, maar ook bevredigen.

Volgens deze traditie is een oude vrouw hierdoor dus een gemakkelijke prooi voor de duivel. Ze sluiten dan gemakkelijk een pact met de duivel en dat pact is geen contract. Dat werd gezien als seks hebben met de duivel in de ruil voor haar zielenheil.

De duivel kan wel inpakken
In de vroegste teksten van allerlei verhalen waar oude en jonge vrouwen met elkaar worden geconfronteerd zie je dat dat verband op de een of andere manier erbij wordt gehaald. De oude vrouw bedenkt meestal een list om de jonge vrouw uit te schakelen en altijd wordt de jonge vrouw ervan beschuldigd een creatie van de duivel te zijn. Zij is zo mooi, dat kan niet waar zijn.

Ook is het mogelijk dat een oude vrouw ervan wordt verdacht een duivels schepsel te zijn. Dan wordt er met name gedoeld op haar venijnige, listige en gemene gedrag. Het meest sprekende geval vind ik een passage in de prozaroman Frederick van Jenuen. Daarin wordt een prachtige koopmansvrouw belaagd door een man die de opdracht heeft gekregen te bewijzen dat zij ontrouw is tijdens de afwezigheid van haar echtgenoot. Deze schurk wil haar huis binnenkomen, maar hij heeft geen idee hoe hij dat moet aanpakken. Vervolgens bedenkt hij dat een oude vrouw de hem ontberende, kwaadaardige creativiteit moet hebben, want die staat dichter bij de duivel. De passage die volgt gaat zelfs een stap verder. Hier wordt beweerd dat het kwaad van oude vrouwen nog veel erger is dan dat van de duivel. Zelfs de duivel moet hoofdschuddend toegeven dat venijnige oude wijven een kwaad weten te bedenken dat hij zelf nooit had kunnen bedenken:

'[...] dat oude wijf scheen te zijn een eerbaere duechdelike vrouwe / maer van binnen was si vol archs ende fenijns gegoten / ende vol quader valscher practijcken / gelijc die oude wijfs dicwil zijn/want het is een out segghen / Dat die duyuel dye boose gheest niet en can met zijnder listigher subtijlheyt volbrengen / dat can wel een oudt quaet wijf toe brenghen / ghelijcmen in veel exempelen bescreuen vint / ende ghelijck alst oock hier wel blijct / want die duyuel qualick soude hebben gedaen dat dit oude valsce boose wijf bi bracht.'

Over schoonmoeders en vroedvrouwen
De enorme overlevering aan schoonmoedermoppen komt voort uit dezelfde opvattingen over oude, alleenstaande vrouwen. In de prozaroman Margriete van Limborch staat de jaloezie van de schoonmoeder aan de basis van alle ellende die de jonge Margriete ten deel valt: Margriete moet wel een schepsel van de duivel zijn, dat haar zoon Etzytes zo verliefd op 'dit sleterken' wordt. Weer die driehoek jonge vrouw-oude vrouw-duivel.

In de prozaroman De Zwaanridder sluit de schoonmoeder, Matabrune, zelfs een deal met de vroedvrouw. De jonge vrouw in dit verhaal is al zwanger. Samen bedenken ze een plan hoe ze de aanstaande kleinkinderen van Matabrune kunnen elimineren. Die vroedvrouw zit in het collectieve geheugen ook al snel in de verdachte hoek van de duivel. 

Oude vrouwen eindigen in prozaromans gewoonlijk op de brandstapel. Naast de verdorven dames in Margriete van Limborch en De Zwaanridder geldt dat ook voor De verduldige Helena en vast ook nog prozaromans waar ik op het moment van schrijven niet aan denk. En waar doet het verbranden van oude dames me ook alweer aan denken?

Heksenprocessen
In de sprookjes van bijvoorbeeld Sneeuwwitje en Doornroosje is de stiefmoeder een heks. Een heks is een oude vrouw die zich inlaat met magie. Een oude man die zich met magie bezighoudt is meestal een wijze tovenaar, maar dat even terzijde.

Heksen worden traditioneel ook geacht met de duivel samen te spannen. Het was een soort collectief, onbewust verband dat bijvoorbeeld in de zestiende eeuw common sense was. Naast in de literaire traditie zien we dat verband ook terug in de heksenprocessen uit die tijd. Deze hebben zich  voornamelijk afgespeeld in het Duitse taalgebied. (Vergelijk Burke 2009, 224-225, een zeer lezenswaardig boek.)

Lyndal Roper heeft dit denkbeeld tegen in alle verslagen en processtukken van die heksenvervolgingen. Die zijn veelvuldig bewaard. Door deze te bestuderen kwam Roper erachter dat de meeste vrouwen van hekserij werden beschuldigd door jonge vrouwen. Het patroon dat was te zien was dat een oude vrouw paste op het pasgeboren kind van de jonge vrouw. Het kind kwam te overlijden, door welke reden dan ook, en de oude vrouw kreeg hiervan de schuld, zij werd er door de jonge vrouw van verdacht een heks te zijn. De oude vrouw werd opgepakt en onder vreselijke martelingen moest zij ervan getuigen seks te hebben gehad met een duivel. Daarna was haar doodstraf onafwendbaar.

De verbanden tussen seks met de duivel, seks met dieren (met name honden), dreigende kindersterfte, jaloerse oude vrouwen en vruchtbare, eerbare jonge vrouwen in de historieliederen laten zien dat er een grote stroom aan collectieve ideeën bestond over vrouwen. Deze denkbeelden vinden we terug van liederen tot aan de heksenprocessen. Ook in de Teufelsliteratur die populair is in de tijd van de heksenvervolgingen. In hetzelfde taalgebied, het Duitse, worden in de negentiende eeuw vertellingen opgetekend door allerlei verzamelaars, zoals de gebroeders Grimm. En via allerlei moderne interpretaties van dat materiaal van Disney tot de Efteling hebben die denkbeelden ons bereikt, in onze tijd.

Zo kan het dat twee jongens in hun volkomen onschuld praten over een stiefmoeder en zo een venstertje bieden naar een verleden dat we nog niet helemaal collectief hebben verwerkt.

zondag 6 januari 2019

Nashvilleverklaring: doorwerking van middeleeuws gedachtegoed

Vandaag kwam het nieuws aan het licht dat een grote groep orthodox-gereformeerde en -hervormde predikanten en gelijkaardige notabelen een zogenaamde 'Nashvilleverklaring' hebben ondertekend. Dat is een Nederlandse vertaling van een document uit de Amerikaanse biblebelt over 'Bijbelse seksualiteit'. Wat dat zo ongeveer is staat daarin. In het document leeft allerlei middeleeuws gedachtegoed voort dat allicht niet thuis hoort in een tijdperk waarin emancipatie zich eindelijk heeft doorontwikkeld tot inclusiviteit.

Middeleeuws gedachtegoed
Wat min of meer in de late, verstedelijkte middeleeuwen opgeld doet is het idee van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Om allerlei pragmatische redenen is het handig als in de nieuw opgekomen en drukbevolkte steden de verhoudingen tussen man en vrouw helder worden gedefinieerd. De man gaat buiten de deur geld verdienen en de vrouw zorgt voor het huis en de kinderen. De werkelijkheid is nooit zo zwartwit gescheiden geweest, maar de idealen waren duidelijk.

Een populair verhaal vanaf de late middeleeuwen tot in de vroege twintigste eeuw als model heeft gediend is dat van Griseldis (oorspronkelijk uit de Decamerone van Boccaccio). Dat gaat over een edelman, Gautier, die wil trouwen met het eenvoudige boerenmeisje Griseldis. Om aan zijn hofhouding te tonen dat zij een geschikte echtgenote is vernedert hij haar op allerlei vreselijke manieren en toch ondergaat zij alles zonder te klagen. Een vrouw moet immers gehoorzaam zijn aan haar man, zo is de boodschap.

In het historielied Griseldis staan de huwelijkse voorwaarden van Gautier het beste verwoord - beter nog dan in de prozaroman, waarop het lied is gebaseerd. Deze condities beslaan maar liefst vijf strofes (16 - 20):


‘'t Belieft u Vader gepresen,
dat gy sylt myn Huysvrouw zyn.
Salt uwen wil ook wesen,
daar op berichten myn.
Ofte ik u, Lief verheven,
traut voor myn Huysvrouw saan?
Ofte gy my al u leeven
sou wezen onderdaan?’


Een vrouw moet dus onderdanig zijn aan haar man. De man is de baas in huis. Een vrouw mag ook niet boos worden op haar man. Ook niet als hij een slechte beslissing neemt. Zij mag immers niet twijfelen aan zijn oordeel:

‘Gy sult tot geene tye
op my wesen vergromt,
maar altoos even blye,
wat u ook overkomt.
Dat gy tot geen termyne
sult zyn op myn verstoort.
Stelt uwen wil in myne,
als een goe Vrouw behoord.’


‘Sy sprak: ‘Genadige Heere,
ik dat niet weerdig ben,
te komen tot sulker eere.
Maar is dat uwen zin,
myn genadige Heer verheven,
zoo gedenkt immernigt
dat ik u al myn leven
zal geeve een kwaad gezigt.’


Griseldis belooft dat ze volledig trouw zal zijn. Zelfs als hij haar besluit te doden, dan nog zou ze dat dankbaar aanvaarden:

‘Ik sal myn Heer verheven,
als een goe Vrouwe ziet,
gehoorzaam zyn myn leven
en doen dat gy gebied.
Om de vriendschap te werven,
dat my mag komen aan.
Al soud gy my doen sterve,
ik sal 't in dank ontfaan.’


‘So waar ik een Vrouw misdaedig,
deed ik myn Man verseer.
Gehoorsaamheid gestaedig,
dat is der Vrouwen eer.’
Hy sprak tot al zyn Heeren
ende Jonkvrouwe fyn:
‘Siet, deese schamel deeren
sal myn Huysvrouwe syn.’


Waar zijn de LGBTQ+-mensen?
Pas ergens in de achttiende eeuw zijn mensen die geen heteroseksuele gevoelens hebben voorzichtig uitgekomen voor de gevoelens die ze wel hadden. Geen wonder dat we in verhalen en teksten voor die tijd geen LGBTQ+'ers tegenkomen zoals we ze tegenwoordig allemaal erkennen. In de Bijbel zul je dan ook vergeefs zoeken naar een uitspraak van Jezus over de - zeg even voor het gemak - niet-hetero's. Ja, iets over eunuchs in Mattheüs 19:12, maar dat is a. niet hetzelfde en b. onderbouwd met zoiets als: 'Wie het begrijpt begrijpt het.'

Vrij veel theologen zijn het erover eens dat de Bijbel dan ook niet letterlijk geïnterpreteerd moet worden. En als je dat wel doet, dan zul je de context in ogenschouw moeten nemen. Die context kunnen we niet helemaal doorgronden, aangezien de laatste teksten uit de Bijbel stammen uit de eerste eeuw en er zit nu eenmaal een hoop tijd tussen toen en nu. Zoals wat we nu middeleeuwen noemen en vroegmoderne tijd, waarin weer allerlei nieuwe interpretaties van de Bijbel de ronde zijn gaan doen.

Iets over Bijbelse verdraagzaamheid
Boven de Nashvilleverklaring wordt een psalm aangehaald: 'Weet dat de HEERE God is; Híj heeft ons gemaakt – en niet wij –…' Psalm 100:3. Laten we even meegaan in die gedachtegang. Als God ons allemaal heeft geschapen, dan heeft hij allerlei mensen van ons geschapen als L, G, B, T, Q of +. Eerlijk is eerlijk.

Van Jezus weten we dat de kern van zijn boodschap twee elementen bevat: ten eerste dat je God met heel je hart, ziel en verstand moet liefhebben. Dan zul je dus ook zijn creaties moeten liefhebben. Dat betekent dat je zuinig moet zijn op de hele schepping, op de aarde en dus ook op elkaar. Voor de duidelijkheid is dat dan ook element twee: heb je naaste lief zoals jezelf. Het wordt in Bijbelvertalingen nogal eens het Grote Gebod genoemd (Mattheüs 22: 34-40).

Dat Grote Gebod na te leven vergt veel moed. Je zult dus niet zomaar mogen oordelen. Ook niet of een L, G, B, T, Q of + allerlei gevoelens moet onderdrukken of ontkennen. Of jouw hulp daarbij nodig heeft. In die zin zou het alleen maar toe te juichen zijn dat je de regenboogvlag uithangt. En niet teveel rommel maakt.

We hoeven ons dan ook niet allemaal voort te planten. Sommige mensen kunnen dat nu eenmaal niet. Jezus' volgeling Filippus was dan ook uitermate verdraagzaam voor zo iemand in Handelingen 8: 26-40.

Venster naar het verleden
Wat de ondertekenaars van de Nashvilleverklaring schetsen biedt ons een indrukwekkende blik naar een geromantiseerd verleden dat nooit echt heeft bestaan. De werkelijkheid is nu eenmaal te weerbarstig. Ik ben benieuwd of Jezus - met de kennis van nu - het zelf ondertekend zou hebben. Ik meen van niet.

Wat ik schandalig vind is dat met de heren Van Dijk en Van der Staaij een Eerste en Tweede Kamerlid openlijk getuige achter dit document te staan. Is dat niet in strijd met Artikel 1 van de Grondwet, want discriminatie? Dat mag wel eens gerechtelijk onderzocht worden.

De Nashvilleverklaring vind ik zoiets als het Openluchtmuseum: je bent daar kortstondig gefascineerd bij het idee dat mensen water moesten halen bij de dorpspomp, moesten poepen in een koud hok boven een gat en sliepen op stro. Als je naderhand naar huis gaat ben je blij dat je thuis stromend water hebt, een hangende wc en een dekbed. En wifi. Ofwel: dat je leeft in het heden. De in de verklaring opgestelde ideeën over seksualiteit horen aantoonbaar thuis in een ander tijdperk dan het onze.