dinsdag 11 oktober 2011

Spellen in de echte wereld

Gisteravond mijmerde ik wat over hoe leuk ik woordspelletjes altijd al heb gevonden. De aanleiding was tweeledig, want het kwam door de Wordfeud-rage, maar ook door het rapport van de Taalunie met de titel "Ze kunnen niet meer spellen.", wat overigens suggereert dat er ooit iemand is geweest die dit wel helemaal kon. Ik voel me toch wel aan mijn stand verplicht om wat dieper op het bijzonder aardige boekwerkje in te gaan.

Om te beginnen moet ik zeggen dat ik het rapport zeer lezenswaardig vind en dat heeft vooral te maken met de toon van het geheel. Er is geen eenduidige probleemstelling te geven voor de spellingproblemen, dus er is ook geen antwoord te geven op de complexe situatie die wordt beschreven. Ook onder mijn collega's en collega's/masterstudenten leeft het gevoel dat leerlingen van nu minder goed spellen dan wij dat vroeger gedaan zouden hebben. Juist omdat we hier te maken hebben met onderbuikgebeuren, is het lastig om dit alles in kaart te brengen.

Toch wordt er in het rapport een bijzonder goede poging gedaan om dat te doen. Opgemerkt wordt dat de eisen waaraan een Vlaamse of Nederlandse leerling moet voldoen op het gebied van spelling niet uniform zijn en daardoor onduidelijk. Het is dan ook erg lastig om precies te meten wat nuttig zou zijn. Toch leeft onder de overgrote meerderheid van de Nederlandsspellenden het gevoel dat een foutgeschreven woord storend is.

Een andere oorzaak zoekt de Taalunie in de afname van vormelijkheid bij de jongste generatie spellers. Hier wordt een direct verband gelegd met het gebruiken van andere schrijfmiddelen dan de traditionele pen. Dat vind ik vreemd, want zo is het net of je een hamer de schuld ervan geeft dat die op je vinger heeft geslagen en niet jouw eigen klungeligheid. Hoe dan ook, de Taalunie ziet ook een verband in de samenleving; het toenemende egalitarisme zorgt ervoor dat contacten informeler worden. Daardoor zou ook de zorg voor goede afwerking van schriftelijke producten afnemen. Het is dan niet anders dan logisch dat er, bij gebrek aan belangstelling voor de juiste schrijfwijze, een spelling wordt bedacht die sterk leunt op spreektaal.

Het argument dat spelling nou eenmaal de hele tijd verandert en dat het ons daardoor onmogelijk wordt gemaakt om goed te spellen wordt terecht afgedaan als een smoes. Desondanks lijkt het erop dat deze emotie vrij breed wordt gedragen onder de bevolking en het lijkt me moeilijk om iets dáár aan te doen. Zeker als een andere conclusie is dat draagvlak voor een nieuwe verandering gering is. Ik denk ook dat de oplossing voor de spellingproblematiek - die dus nogmaals ook een gevoelsmatige is - niet ligt in het vereenvoudigen van de geschreven taal.

Gezien de emotionele lading van de hele kwestie is het dus maar goed dat er enkele essays zijn opgenomen in het rapport. Een bijzonder vermakelijk stuk vind ik dat van Ad Bok, de bedenker van het programma TiO-Schrijven, (overigens "TiO-Schrijven" in het essay, maar "TiO-schrijven" op de website) dat wij op het Canisius College sinds vorig jaar met succes zijn gaan gebruiken. "Als spelling een milieuaspect was, zou het een G-label krijgen; het merendeel van de energie die we in het leren van allerlei kleine regels steken, gaat immers royaal verloren.", redeneert Bok en dat is zeker een feit. Ik ben het met hem eens dat oefening kunst baart, dus dat een leerling veel moet schrijven.

Hoe dan ook, ik denk dat het probleem voor het spellen eenmaal zit in het feit dat etymologie een van de vier pijlers is waarop onze spelling leunt. We hebben om folkloristische redenen nu eenmaal voor dezelfde klanken een ou en een au, of een ei en een ij en daarbij nog allerlei andere oorzaken waarom het ene woord wel een tussen-n heeft en het andere niet. Het probleem zit hem dan ook niet in de regels, maar in de vele uitzonderingen daarop. Mijn dochter, een peuterende dreumes, zegt dat zij iets heeft geleest en daarmee past ze de grammatica correct toe. Weet zij veel dat lezen bij een groepje onregelmatige werkwoorden hoort?

De bal helemaal bij het spellingonderwijs leggen zou ik ook niet sportief vinden, zeker gezien het gebrek aan eenduidigheid op het gebied van de probleemstelling. Toch denk ik wel dat een aantal zaken te verbeteren valt. Mijns inziens kan het aantal fouten bij het spellen van werkwoorden teruggebracht worden tot een enkele vergissing. De overgrote meerderheid van de lesmethodes maakt geen onderscheid tussen de stam en de ik-vorm, terwijl je veel minder fouten maakt als je je beseft dat je de stam gebruikt om te checken bij de ex-kofschip/'t fokschaap x-truc en de ik-vorm om te spellen. Voor mijn leerlingen werkt het onderscheid in elk geval wel, is mijn ervaring.

Bij andere zaken gaat het volgens mij inderdaad om het aankweken van een juiste houding ten aanzien van de verzorging van je communicatie op welk gebied dan ook; in dit geval dus van het schriftelijke gebeuren. Als docent hamer ik er bij mijn leerlingen op dat je door verzorgd te schrijven veel problemen in de kiem kunt smoren. Werkwoorden spellen doe je met de hierboven beschreven trucs, voor de rest weet je wat je spelt en waar dat niet zo is raadpleeg je even een naslagwerk (we leven in het mobiele-internettijdperk, dus een woordenboek is echt niet meer nodig). Mijn studenten wijs ik er desgewenst op dat zij een rolmodel moeten zijn, zéker ten aanzien van communicatie, dus ook voor wat betreft de verzorging ervan. "Als er ergens een wereld te winnen is, is het daar.", besluit taalkundige Jannemieke van de Gein haar essay en met die hartenkreet ben ik het zeer eens.

Midden in de conclusie staat voor mij een belangrijke waarde verwoord: "In de echte wereld, buiten het onderwijs, wordt iemands spelvaardigheid beoordeeld op teksten die de schrijver zelf heeft geproduceerd. Niet het aantal fouten dat je maakt in een dictee zal je door een werkgever of klant worden aangerekend, maar wel de vergissingen in een zelfgeschreven offerte of rapport. Het lijkt dus voor de hand te liggen om bij het aanleren van spelvaardigheid vooruit te lopen op situaties waarin een leerling na zijn of haar schooltijd terechtkomt." Amen.

Gemijmer: de digitale wederopstanding van Scrabble!


Als een beginnende rage in De Wereld Draait Door komt, stijgt na de uitzending het aantal deelnemers eraan enorm. Dit geldt ook voor het onvolprezen Wordfeud, de app die Scrabble weer hip maakt voor iedereen. Net nou er een mooi rapport is verschenen waaruit voorzichtig werd geconcludeerd dat onze leerlingen een attitudeprobleem hebben ten opzichte van hun spellingbewustzijn zit ik 12 parallelpotjes van dat letterspel te doen tegen één collega en 11 leerlingen.

Het is maar een druppel op de gloeiende plaat, maar via de ingebouwde chatfunctie krijg ik toch wel mooi commentaar van mijn leerlingen die nu noodgedwongen leren wat een tapir of een diode is, maar ook dat je door gebruik van de aanvoegende wijs soms nogal eens een e'tje kwijt kan om extra woordwaarde te verzekeren. Wat taal betreft is deze rage veel leuker dan Angry Birds of de zoveelste Mario-kloon. Ik daag je uit!

zondag 9 oktober 2011

Mediacoachen: doe het goed of doe het niet

Toen ik op de middelbare school zat - ik meen in de tweede klas - werden de lessen ergens ooit twee middagen onderbroken voor een project met de omineuze naam revo, wat stond voor relationele vorming. Die titel bleek een eufemisme te zijn voor seksuele voorlichting. Met de hele klas zaten we in een kring, samen met een lerares die in onze ogen hoogbejaard was. Waarschijnlijk was deze dame ingehuurd om elke natte puberale jongensfantasie met geweld in de kiem te smoren. (Bij gebrek aan internet moesten wij het doen met een levendig voorstellingsvermogen, maar ja, je zag nog liever je ouders 'het' doen, dan haar...)

Hoe dan ook, veel lol hebben we niet gehad aan deze overdracht. Lusteloos zaten we van de prikkelloze werkbladen op de klok te kijken, sleurden wij ons door de AIDS-spot met die bij heen en bij het doorgeven van de voorbehoedsmiddelen had zelfs niemand nog de puf om de condoom op te blazen. Wat een feestje had kunnen zijn, werd een totale misère. Volgens mij heeft de school dit project niet lang op deze manier afgedraaid en is het zelfs kort daarna geheel verdwenen. Dan hadden ze het maar meteen goed moeten aanpakken, of niet.

Sinds vorig leerjaar springen ineens overal mediacoaches tevoorschijn. Dat vind ik absoluut een interessante ontwikkeling, maar ik ben nog wat voorzichtig of deze mensen in alle gevallen hun nut gaan bewijzen. De goede collega's daargelaten, ik heb horen zeggen dat veel scholen werknemers hebben laten opleiden die tijdens de cursus voor het eerst actief aan de slag zijn geweest met sociale media. Achter mijn schrijven zit deze keer geen wetenschappelijk onderzoek, maar de gedachte dat onvoldoende gekwalificeerde mensen voor een groep staan vind ik erg storend. Dan heb ik het niet over het feit dat zo'n cursus geen goede kwalificatie zou opleveren, maar meer over de mens zelf. Nogmaals, de goede mensen bedoel ik niet.

In mijn lessen Nederlands praat ik geregeld over sociale media, ik spreek leerlingen aan op hun digitale gedrag, ik probeer zelf een rolmodel te zijn en ik speel zelf met profielsites. Toch heb ik daarvoor geen cursus gevolgd, al houd ik de zogenaamde vakliteratuur wel bij. Hoe dan ook, ik gebruik vooral mijn gezonde verstand en ik roep mijn leerlingen dagelijks op hetzelfde te doen. Aardig detail: de meerderheid van mijn studenten op de lerarenopleiding blijkt desgevraagd net zoals ik te handelen. Van hen en van allerhande collega's door de provinciën heen weet ik dat hun leerlingen hen doorgaans serieus nemen als zij hierover communiceren met elkaar.

Ik ben bang dat een mediacoach die intrinsiek niets heeft met sociale media of onvoldoende ervaring heeft op dit gebied voor aap komt te staan. Het ergste vind ik misschien nog wel dat deze collega dat waarschijnlijk met de allerbeste bedoelingen gaat overkomen. Hopelijk heb ik het verkeerd.

Daarnaast geloof ik er niet in dat lespakketten echt helpen in dit geval. Wat ik tot nog toe aan materiaal en ideeën heb gezien, vind ik wat oubollig overkomen. Zo is de inmiddels bekende Suske en Wiske-strip (over oubollig gesproken) De sinistere site in groten getale over het puberende publiek uitgestort, waarin Suske en Lambik met de teletijdmachine op internet worden geflitst, om daar te surfen in surfkleding en met een surfplank, geheel voorzien van een webcam met ingebouwde gsm. Ik ben dan benieuwd wat voor mobieltje de maker heeft; die heeft vast nooit pingende kinderen gezien tijdens de les. Suske en Wiske behoort voor veel leerlingen tot dezelfde folklore als de kaasschaaf en de flessentrekker (overigens, ook voor veel Vlamingen, heb ik begrepen). - In De gamegoeroe gamet Suske met zo'n joystick waarmee ik in de jaren 1980 mijn Commodore 64-spellen aanstuurde... -

Daarnaast heb ik ook al eens gehoord van een lessenreeks waarin leerlingen samen een Hyves-pagina moeten maken. Over Hyves ben ik overigens altijd zeer te spreken geweest. Onder mijn leerlingen zie ik in elk geval allereerst de trend dat velen de overstap wagen naar Facebook. Toen ik dit voornemen van lesplanmakers voorlegde aan enkele onderbouwers, hoorde ik vooral allerlei achterdocht; binnen enkele seconden werd ik in de verdediging geduwd om uit te leggen waarom zoiets géén tijdverspilling zou zijn. Pubers onderhouden nu eenmaal hun eigen profielsites; dát is leuk en onvrijwillige toestanden zijn dat - in hun optiek - hoogst zelden.

Dit alles laat onverlet dat elke professional mijns inziens weet moet hebben van de ontwikkelingen op het gebied van sociale media. Bij voorkeur experimenteert elke collega ook met Twitter, Facebook, Google+ en met alle zaken die er vandaag nog meer zijn en die er morgen verschijnen. Dat dit een voortdurend proces moet zijn, staat voor mij buiten kijf. Daarbij blijft het belangrijkste uitgangspunt dat de docent degene is die vooral levenservaring voor heeft op zijn leerlingen en dat gezond verstand gaat boven alles. Omgaan met sociale media hoort voor mij inmiddels absoluut bij een professionele arbeidsopvatting, moge dat duidelijk zijn.

Iedereen weet dat het voor een organisatie niet mogelijk is om alle werknemers ineens ten positieve te veranderen. Je kunt hooguit aanmoedigen en voorlichten. Je moet accepteren dat er - zoals altijd - er voortrekkers zullen zijn en deze mensen moet je faciliteren om de dagelijks opgedane ervaringen voor het welzijn van leerlingen en collega's in te zetten. Daarbij komt dat de werknemers op een school voornamelijk leraren zijn en het is een publiek geheim dat deze over het algemeen nu eenmaal wat koppiger zijn dan andere arbeidspopulaties.

Dat betekent dus dat een leraar zich constant bewust moet zijn van wat leerlingen bezighoudt - en dat is niets nieuws. Een leraar moet alert zijn op welke gevaren een leerling kan lopen, zonder daarbij zelf onethisch gedrag te vertonen. Tot slot moet een docent altijd en altijd in gesprek blijven met de leerling om deze het gevoel te geven dat die veilig is, omdat hij een geïnteresseerde en ervaren volwassene is die weet waarover hij praat.

Wat je natuurlijk moet voorkomen is dat jouw bemoeienis - want dat is het - met het sociale gedrag van een leerling leidt tot een moment van vervreemding. Voorlichten is niet zinvoller dan het altijd in gesprek blijven. Zonder jou zal een leerling zich toch wel wagen aan sociale media, het al dan niet opblazen van een condoom of het lezen van een Suske en Wiske-strip.

dinsdag 27 september 2011

Erkenning als motor van (t)(e-)learning?

Op een opleiding waar ik regelmatig kom, wordt tegenwoordig gebruik gemaakt van flexwerkplekken. Daarover wordt veel geklaagd. Nu is er van alles voor te zeggen dat mensen die een deeltijdbaan hebben hun werkplek moeten delen met anderen, maar in de opleiding waarover ik spreek hebben veel mensen het gevoel dat elke dag een territoriumpje moet worden afgebakend. Sommige collega's daar hebben al jarenlang een eigen bureautje gehad met een eigen laadje met spulletjes en een fotolijstje naast de monitor. Nu werken ze elke dag op een van de verschillende 'flexeilanden', zoals die plekken daar worden genoemd. Moeten deze collega's niet zaniken en gewoon doorwerken? Ik dacht het niet.

Verreweg de meeste leerlingen en studenten zijn bezig een veranderingsproces door te maken; dat is inherent aan het naar school gaan. Daarbij voltrekken zich bij pubers de meeste veranderingen sowieso buiten schooltijd om: hun lichaam verandert ('Help! Haargroei!') , hun wereld wordt schoksgewijs groter ('Hé, dat feest begint pas om 2 uur 's nachts!') en daar bovenop komt haast altijd een vorm van groepsdruk dat staat tegenover het eigen individu ('Help! Een pukkel!'). Wij, leraren, willen dan ook nog eens allerlei leerstof in de kop van deze kinderen duwen, bespreken met hun ouders dat ze echt moeten leren plannen - ondanks een zich nog ontwikkelende prefrontale cortex - en benadrukken keer op keer dat het kind in kwestie toch echt eens moet gaan werken. Moeten deze leerlingen en studenten niet zeuren en gewoon hun best blijven doen? Niet zomaar.

Ik zeg het vaker: ik had in geen enkel tijdperk liever willen leven dan in het huidige. Mijn repetoire als docent wordt enorm vergroot door alle digitale mogelijkheden. Toch wordt mijn onderwijs niet per se beter als ik nu een MOOC creëer, Twitter-lessen bedenk of een virtuele wereld schep waarin ik mijn leerlingen laat ervaren hoe de wereld van Koning Arthur er heeft uitgezien. Al deze schitterende mogelijkheden ten spijt, slechts ten dele kunnen deze aanvullen wat ik zelf kan.

Clichés zijn gewoonlijk waarheden als koeien. Zo'n cliché is de piramide van Maslow ook haast geworden, dus hij is heel erg waar. Voor een docent staat één term centraal en dat is erkenning. Zonder dat komt het niet tot zelfontwikkeling, volgens Maslow en laat dát nu net hetgene zijn waarom het ons eigenlijk überhaupt gaat in het onderwijs- en opleidingsgebeuren.

Mijn definitie van erkenning is: bevestiging van je zelfbeeld. Als jij bijvoorbeeld het idee hebt dat je goed bent in het maken van gipsen beelden, dan is het prettig als iemand je niet alleen complimenteert, maar je ook gedetailleerd vertelt wat er zo goed is aan je werk. Dat is wat je ertoe brengt om je volgende sculptuur nog beter te maken of om jezelf te verdiepen in nieuwe technieken. In gaming heet dat een level up.

Volgens mij zijn er binnen erkenning verschillende niveaus te onderscheiden. Van rudimentair naar geavanceerd zijn dat achtereenvolgens:
  1. Cijfers. Een goed cijfer bevestigt je je bepaalde stof goed hebt eigen gemaakt. Iemand die alleen maar goede schoolresultaten behaalt, zal hier een zeker gevoel van erkenning aan overhouden, al zal dat mijns inziens niet leiden tot een hele complete vorm van zelfontplooiing. Voor veel scholieren is een cijfer de meest voorkomende soort level up.
  2. Beloningen. In veel games kun je met prestaties afdwingen dat je een beter harnas, een beter wapen, een betere auto of een betere voetbal kunt krijgen. Het vooruitzicht dat er nóg betere harnassen, wapens, auto's en ballen zijn zorgt ervoor dat de gamer zich wil doorontwikkelen. Een briefje van €10 van oma en opa is evengoed een mooie beloning voor het verbeterde rapport. In de managementwetenschap (eigenlijk een soort contradictio in terminis, want zelfontplooiing kun je niet aansturen, alleen faciliteren) heet dat het wortel-en-stokmodel.
  3. Complimenten. Als iemand je zegt dat je iets goed hebt gedaan, levert die de meest zuivere vorm van erkenning - gezien mijn definitie. Hoe gedetailleerder de feedback, hoe beter jij je voelt over wat je hebt gepresteerd. Details gaan niet alleen over de onderdelen van de prestatie, maar ook over hoe de ontvanger zich heeft gevoeld ten opzichte van de prestatie. Pas op: opbouwende kritiek valt hier eigenlijk ook onder, maar iemand die juist bevestigd wil worden in zijn zelfbeeld zit niet meteen te wachten op verbeterpunten. Je zult dus wat tijd tussen compliment en opbouwende kritiek moeten nemen als je - met al je goede bedoelingen - wilt gaan onderwijzen, want anders ga jij het moment van de presteerder verpesten met een soort roep om bevestiging van je eigen zelfbeeld.
  4. Verantwoordelijkheid geven. Promotie is een goed middel van je baas om je het gevoel van erkenning te geven, want er verandert iets positiefs door je inzet. Die promotie hoeft niet automatisch te zijn in een verhoging van salaris (al mag dat altijd), maar die zal voornamelijk betekenen dat jij als een soort autoriteit behandeld wordt op een gebied waarin jij iets goeds hebt gedaan: je krijgt meer verantwoordelijkheden, er is meer ruimte voor je creativiteit of je krijgt een duidelijke eigen plek in de organisatie.
  5. Ruimte geven. Het moeilijkste is om jezelf erkenning te geven, want in principe zul je weerklank moeten vinden in je omgeving. (We kennen allemaal wel een voorbeeld van een onnoemelijk vals zingend mens dat denkt dat een professionele carrière in de popmuziek in het verschiet ligt. We denken dan: heeft niemand haar tegen zichzelf in bescherming kunnen nemen?) Soms heb je echter het gevoel dat je het bij het rechte eind hebt en dan zul je lang en geduldig moeten duwen op je werk voordat de verandering zich een beetje aan je openbaart. In zo'n geval zul je zelf een basis moeten creëren waarop je je zelfontwikkeling bouwt.
    De kunst van goed management zit hem er volgens mij in dat je juist ruimte geeft aan mensen die buiten de gebaande paadjes durven te denken. Pas als je op een creatieve manier dát weet te bewerkstelligen, zul je ook echt profijt hebben van het feit dat je met zo iemand kunt werken. Het bekendste voorbeeld van dit gegeven is de 20%-tijd die Google aan zijn werknemers geeft. Alle kritiek daarop ten spijt: het heeft Google zeker geen windeieren gelegd, integendeel.
Het geheim van goed onderwijs zit hem niet alleen in het up-to-date blijven of in het toch zo goed kunnen uitleggen. Het gaat erom dat een leerling, student of collega zich door jou erkent voelt, pas dan zul je veranderingen meemaken. Erkenning is daadwerkelijk een sleutelwoord!

Zo behandel ik momenteel met mijn 5 havo de oersaaie stijlfiguren. Dat leidt tot oersaai huiswerk en oersaaie nakijk- en bespreekmomenten in het lokaal. Natuurlijk vul ik een en ander aan met digitale opdrachten, maar daarin erken ik de leerling nog niet in het oersaai vinden van de stof. Alleen benoemen werkt ook niet, maar met behulp van mijn digitale schoolbord kun je gemakkelijk een ganzenbordje projecteren, twee pionnen maken en deze om de beurt over het spel bewegen. (Jongens tegen de meisjes; bij goed antwoord heeft, gaat de blauwe pion een vakje naar voren, bij een fout antwoord een vakje naar achteren. Namens de jongens antwoord altijd een leerling, evenals bij de meisjes en er mag gebruik gemaakt worden van collectieve intelligentie. Let wel: we bespreken hier een gewone opdracht uit een gewoon lesboek.) Na het ganzenbord gaan we slangen en ladders doen en eventueel daarna nog Risk (met elk goed antwoord bezet je een gebiedje namens de jongens of de meisjes. Etcetera.) Door het oersaaie nakijken in een spelvorm te gieten, erken ik de leerling niet alleen, ik buig het om in een werkvorm waarbij ik de meest hangende slungel nog bloedfanatiek heb zien worden (ik overdrijf niet).

(Oh, en je hoeft echt niet jongens tegen de meisjes te doen als je dat om wat voor reden dan ook niet wil doen; bedenk eens wat leuks...)

Een studente die net voor het eerst een les over Karelepiek heeft gegeven aan een 4 vwo en daarover enthousiast vertelt, moet ik in eerste instantie vooral complimenteren met het feit dat het überhaupt is gelukt. Die erkenning verdient zij. Die zit helemaal niet te wachten op de zeven verbeterpunten die mij onmiddellijk te binnen schieten.

Een collega die de hele week werkt moet een eigen werkplek kunnen krijgen. Hier gaat het om een gevoel van erkenning dat organisatorisch geregeld moet worden. Het is altijd goed om op de centjes te letten, maar een verdrietige werknemer die zichzelf teruggeworpen ziet in de piramide van Maslow, omdat die elke dag opnieuw een plekje moet veroveren in de plaatselijke flexibele gordel van smaragd leidt in de beste managementwetenschap niet tot meer productiviteit.

Door iemand te erkennen help je een deur te openen naar zelfontwikkeling. Maslow heeft gewoon gelijk. Cliché of niet, technologische vooruitgang of niet, daaraan moet je niet zomaar voorbij gaan.

maandag 15 augustus 2011

Heeft Jeugdpeil gamegedrag onder controle?

Het Jeugdjournaal heeft met Jeugdpeil een groot panel om onderzoek mee te verrichten. Dat levert eerder deze week een vrij aardig rapportje op over gamen. Kinderen van 8 tot 14 jaar hebben een vragenlijst ingevuld over hun gedrag ten opzichte van het spelen van games en de antwoorden zijn ontwapenend eerlijk.

Wat komen we te weten? De kinderen vertellen ons dat jongens eerder beginnen met gamen dan meisjes. Bovendien gamen ze meer en langer, oudere jongens soms meer dan 12 uur per week. Een minderheid van de panelleden vindt zichzelf zelfs verslaafd. Tegelijkertijd is er het beeld dat ouders niet vaak controleren. Degenen die dat wel doen, gebruiken veelal geen parental control-functies op de console of computer, maar die doen dat 'op gevoel' of met een voor de gamende jongeling duidelijk zichtbare wekker.

De kinderen zijn verdeeld over de vraag of gamen wel goed voor je is. Een minderheid heeft bij online gamen wel eens vervelende dingen meegemaakt, maar veel kinderen melden het meteen bij ouders (meisjes gek genoeg nooit bij een leraar, jongens wel). Tja.

Leuk is het onderzoekje wel, maar het voegt werkelijk helemaal niets toe aan wat we al weten over gamen. Sterker nog, het onderzoek roept meer vragen op, dan dat het antwoorden geeft. Dat heeft te maken met de opzet; die is niet goed.

Allereerst is gamen een containerbegrip in dit onderzoek. Er wordt niets gespecificeerd. Als iemand mij vraagt of ik van muziek houd, ik zo dom ben om 'ja' te zeggen en mij vervolgens opzadelt met een portie hardcore dan heb ik dat aan mijzelf te wijten. Net zoals er nogal wat land is tussen het eerste vioolconcert van Bach en een live-uitvoering van Slipknot, zijn er ook nogal wat genres en verschijnselen die je onder de term gamen kunt scharen. Voor het slapen gaan moet ik geen racegame doen, maar van een turn-based RPG kan ik behoorlijk tot rust komen. Een realistisch oorlogsspel op een Xbox is totaal iets anders dan een juwelenpuzzelspel op een mobieltje.

Veel jongeren noemen zichzelf gameverslaafd, zonder dat het duidelijk is wat zowel het Jeugdjournaal als de ondervraagden nu eigenlijk hiermee bedoelen. Recent onderzoek van Jeroen Lemmens (2010) wijst uit dat een gameverslaafde stoornissen moet hebben op liefst 7 gebieden (beperkte realiteitszin hebben, tolerantieproblemen hebben, een wisselende gemoedstoestand, vaak terugvallen in oude patronen, ontwijkend gedrag vertonen, conflicten hebben met de omgeving en persoonlijke problemen hebben). De antwoorden waaruit het Jeugdpeil mocht kiezen hadden geen enkel element van dit alles in zich; die zaten meer aan de genotskant van het gamen.

De gegevens van jongens en meisjes worden keurig uitgesplitst, eveneens netjes per leeftijd. Omdat gamen niet wordt uitgesplitst in genres, wordt er ook geen onderscheid gemaakt tussen welke games jongens en meisjes spelen en wat zij onder gamen verstaan. Een nog veel recenter onderzoek dan het hierboven aangehaalde toont aan wat meisjes nu aantrekt in gamen. Mirjam Simone Vosmeer is in januari van dit jaar gepromoveerd op het complexe verband dat bestaat tussen games, geslacht, culturele boodschappen en collectieve mentaliteiten op het gebied van gendervraagstukken. Kortom, meisjes gamen nu eenmaal anders dan jongens.

Ook de voor- en nadelen van gamen beperken zich tot bewegen, slimmer worden of de fun factor. Dat is jammer, want er zijn onderzoeken die uitwijzen dat allerlei soorten games wel degelijk een heilzame werking hebben. (Zoals dat van de Universiteit van Rochester, waarin wordt aangetoond dat de visuele hersencapaciteit blijvend met 20% toeneemt als iemand veel actiegames doet.) Belangrijke organisaties als SURFnet en Kennisnet bundelen al enige jaren de krachten om nader te experimenteren met alle goede kanten van het spelen van verschillende games; denk aan Games2Learn.

Leuk is wel dat de kinderen van het Jeugdpeil massaal aangeven dat gamen als sociale activiteit prettiger is dan solitair achter een console of computer te hangen. Dat meer-dan-een-vermoeden heb ik ook al langer geuit en daarin sta ik niet alleen. We leven nu eenmaal niet meer in de tijd van alleen de bordspellen (al gaan we op het CC wel experimenteren met een combi volgend leerjaar). Maar welke games kinderen leuk vinden en aan welke kenmerken een leuke game moet voldoen, daarover is niets gevraagd. Ook sociale gamers kennen hun succesnummers.

Met een paar eenvoudige vragen hadden de onderzoekers goed gebruik kunnen maken van een grote groep behoorlijk brave en eerlijke kinderen om aanvullende gegevens te creëren. Nu komt er door te veel en te vaak generaliseren, in afwisseling met te beperkte en vaak suggestieve antwoordmogelijkheden op vragen te weinig informatie uit om echt vrolijk van te worden. Volgende keer beter, hoop ik. Nu nog even een half uurtje lekker aan mijn RPG'tje.

donderdag 28 juli 2011

Leestip: filosofen als stripfiguur

Een paar jaar geleden had ik al eens een deeltje gelezen, maar nu heb ik de hele reeks eens rustig doorgenomen: Action Philosophers is een Amerikaanse comic met daarin een enorm leuke manier om kennis te maken met de belangrijkste denkers uit onze geschiedenis. Tekenaar Ryan Dunlavey en schrijver Fred Van Lente geven niet alleen een korte samenvatting van de hoofdgedachten van 's werelds beroemdste filosofen, ze zoomen ook in op de persoonlijke geschiedenis.

Leuk is hoe ze gebruik maken van de mythen die om de filosofen hangen. Plato is een worstelaar geweest, dus hij wordt als een soort WWE-worstelaar neergezet die praat als de Hulk. ("Plato smash!") Tegelijkertijd wordt er goed ingegaan op zijn academie, zijn dialogen en zijn ideeënwereld.

Moeilijke zaken worden niet geschuwd: bij Nietzsche wordt ook verteld hoe figuren als Hitler zijn ideeën over de Übermensch hebben misbruikt voor hun eigen plannen en hoe ten tijde van Spinoza de positie van Joden was in Europa. Daarnaast spelen de auteurs met de stereotype beelden die Amerikanen hebben van Grieken of van Fransen. Heel leuk allemaal. Het zijn bovendien niet alleen westerse filosofen die de revue passeren. Namen als Lao Tzu of Bodhidharma kom je ook rustig tegen.

Compleet is het allemaal niet en er is ook geen duidelijke methode. Leuk is het allemaal wel. Voor degenen die zelfs De wereld van Sophie niet toegankelijk genoeg vinden vormt Action Philosophers een leuke inleiding, alhoewel híer nog geen Nederlandse vertaling van te krijgen is.

donderdag 14 juli 2011

Leestip: over gekonkel, geheimen en georganiseerde haat in de 19de eeuw

Als ik zo zou kunnen schrijven als Umberto Eco, dan had ik dat al lang gedaan. Natuurlijk heeft deze man met De naam van de roos een absolute 10 gehaald, maar het is niet eerlijk om elke roman daarna minder goed te vinden. Het is immers niet gemakkelijk om nog een 11 te krijgen voor iets anders. Toch vind ik De begraafplaats van Praag een absolute 10 waard.

Als je de verwarring van de eerste hoofdstukken te boven bent gekomen heb je door dat er liefst drie vertellers zijn (hoe dat zit is niet leuk om te verklappen). Hoofdpersoon Simonini is echter een Piëmontese notaris én vervalser die via Sicilië (alwaar hij de Garibaldijnse revolutie van dichtbij meemaakt) naar Parijs vertrekt. We hebben het hier dan over de Franse hoofdstad van Napoleon III: de hoofdpersoon maakt de slachtpartijen mee in de dagen van de commune, staat aan de basis van de Dreyfuss-affaire, maar daarvoor ook nog van allerlei andere geruchtmakende zaken waarin politici, regeringsfunctionarissen, clerici en vrijmetselaars er om de beurt van langs krijgen. Aan het begin is het al duidelijk: deze meneer heeft een hekel aan welhaast iedereen. Hij blijkt dan ook diverse keren rustig in staat om gewetenloos mensen te laten doden - of hij doet het zelf - of om ze te laten afvoeren naar de gevangenenkampen bij Frans Guyana.

Degenen die door het hele boek stelselmatig worden beschuldigd van alle kwaad dat overal gebeurt zijn de Joden. Hoewel de titel anders doet vermoeden, speelt het verhaal zich niet af in de Tsjechische hoofdstad; dat geldt echter wel voor de belangrijkste rode draad in het verhaal. Simonini werkt en schaaft gedurende zijn hele leven aan een tekst waarin Joodse rabbijnen 's nachts bijeenkomen op de beroemde Joodse begraafplaats in Praag. Daar zouden zij plannen smeden om de wereldheerschappij op te eisen.

De hoofdpersoon is fictief, maar zo'n document bestaat echt. Deze Protocollen van de wijzen van Zion liggen ten grondslag aan een hele hoop door nationale staten georganiseerd antisemitisme. Waar regeringen vroeger Joden in getto's konden onderbrengen, was dat niet meer mogelijk na de Amerikaanse en Franse Revoluties (schrijf ik op Quatorze Juillet), omdat alle burgers gelijkwaardig werden middels een grondwet. Omdat diverse machthebbers nu altijd behoefte hebben aan een zondebok, werden de Joden via slinksere wegen gestigmatiseerd.

Veel mensen hebben geloofd dat de Protocollen echt waren. Zo heeft aanvankelijk vooral in Frankrijk en Rusland, maar eigenlijk in alle Europese landen, het antisemitisme een sterke basis gekregen. Later heeft Hitler ook nog naar deze werken verwezen in Mein kampf. Hoe dit alles daarna is gelopen weten we helaas allemaal.

Vanuit dit oogpunt bezien vind ik De begraafplaats van Praag een belangrijk boek. Het is niet gemakkelijk om te lezen als je weinig voorkennis hebt op het gebied van vrijmetselaars, katholicisme en politieke en sociale mechanismen aan het begin van de Moderne Tijd, maar je krijgt er wel een hoop inzicht voor terug. Bovendien weet Eco op allerlei momenten de toon toch een soort van lichtvoetig te houden en dat vind ik erg leuk. Simonini is bovendien een geweldige smulpaap en Eco heeft het werk doorspekt met de mafste recepten die worden verorberd in allerlei bekende restaurants. Verwijzingen naar bekende namen als 'Froïd' en 'Goedsche', zorgen dat je goed moet opletten met wie Simonini aan het spreken is.

Een goede, belangrijke leestip voor doorzetters die met dit regenachtige weer liever binnenzitten. Het geeft een geweldig inzicht in de 19de eeuw waarin iedereen wel boter op het hoofd leek te hebben. En het laat goed de gelaagdheid zien van het zondebokmechanisme dat helaas zelfs vandaag nog bestaat; nu zijn het de moslims en morgen misschien wel alle intellectuelen.