maandag 5 maart 2012

Staken voor erkenning en ruimte - deel 3

Geachte heer Zijlstra,

Daar ben ik weer! U weet nog wel, in december kreeg ik van u die Promotiebeurs voor leraren. Dat vond ik een goed initiatief, want het erkent mij als professional. U weet wel, die erkenning zit ook in een aantal andere maatregelen die deze overheid heeft genomen. Laat ik beginnen met uw regering en u te feliciteren met het feit dat er een tweede onderwijsstaking zit aan te komen morgen. Het is erg ongebruikelijk dat leraren staken en volgens mij is het een unicum dat dit gebeurt in één regeringsperiode.

Morgen ga ik niet staken. Volgens mij heb ik het niet zo goed begrepen, dat ik toen ben gaan staken, op 26 januari. Volgens mij heeft dat staken enorm weinig indruk gemaakt op u en uw collega-bewindslieden. Volgens mij had ik mij moeten aanbieden om in een denktank te gaan om onder elkaar eens te praten over de toekomst van het onderwijs.

Volgens mij is dat de manier waarop wordt gedacht in de coalitie VVD-CDA met gedoogpartner PVV. Die indruk krijg ik tenminste sterk als ik bij De Wereld Draait Door verneem dat minister-president Rutten samen met Joop van den Ende aan het brainstormen is aan het torentje over het cultuurbeleid en dat diezelfde minister-president zich nu met coalitie- en gedoogpartner heeft teruggetrokken in het Catshuis om zulks te doen voor 's lands economie. Zelf heeft u ook al een denktank benoemt om het prestatieloon te onderzoeken. Prima allemaal.

Meneer Zijlstra, het is niet dat ik twijfel aan uw goede bedoelingen met ons onderwijs, ik verschil alleen sterk van mening met u over een aantal voorgestelde maatregelen: de terugkeer van de 1040-norm, het prestatieloon, de sociale lening bij masterstudies en nu het inbedden van met rugzakjes behangen leerlingen in het reguliere onderwijs. Iedereen snapt dat we zorgvuldig met ons geld moeten omgaan, zeker in crisistijd en als vader van een peuter snap ik ook heus goed dat ik mijn dochter en haar generatie niet moet opzadelen met allerhande schulden. Graag wil ik met u onderzoeken of er geen verstandiger keuzes zijn te maken over dit alles. Daarbij twijfel ik nog steeds enorm aan de gronden voor deze beleidsvoorstellen.

Morgen wordt er gestaakt tegen het opnemen van kinderen in het reguliere onderwijs die normaal gesproken in het speciaal onderwijs terecht gekomen zouden zijn. Inmiddels heb ik ook zelf een flinke groep gerugzakte leerlingen onze reguliere school zien verlaten zonder diploma. In mijn praktijk heeft dat geleid tot onevenredig veel aandacht voor deze leerlingen. Zij verdienden die aandacht, maar omdat ik les geef op een 'normale' school is deze aandacht behoorlijk structureel ten koste gegaan van de leerlingen die niet een geoormerkt probleem hadden. (De 'normale' leerlingen, zeg maar.) Dat vind ik volstrekt abject.

Ook als alle door de AOB geschetste doemscenario's geen bewaarheid worden, vind ik het ethisch onjuist om in een welvarend land als het onze geen speciaal onderwijs aan te bieden. De overheid dient in mijn optiek op te komen voor alle burgers en dat betekent dat allerlei burgers extra steun moeten hebben. - Dan heb ik het allicht over de mensen die dat op allerlei gronden verdienen en niet over de profiteurs die altijd zo gemakkelijk in dit soort discussies naar binnen worden gemanoeuvreerd. - In een beschaafd land als het onze hoort in mijn optiek geen 'recht van de sterkste' thuis, maar daar geldt wat mij betreft de regel dat ieder welwillende burger optimaal de kans moet krijgen om diens talenten ten volle in te zetten ten gunste van de samenleving.

U mag mij uitnodigen om in de hierboven voorgestelde denktank plaats te nemen. Dat staken -hoe terecht ik dat nu ook weer vind - strijkt maar tegen de ministeriële en staatssecretariële haren in. Volgens mij moeten wij er als mannen onder elkaar wel uitkomen, met dat onderwijs. Verwacht echter niet dat ik gemakkelijk te overtuigen ben als ik geen gezonde argumentatie, te weinig feiten of te weinig visie denk te zien.

Met vriendelijke groeten,

Martijn Wijngaards
Leraar Nederlands op het Canisius College en op de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

donderdag 16 februari 2012

Ouders, blijf positief bij internettend kind!

Deze week sprak ik een vader van een jongen die een akkefietje had via internet met een klasgenoot. Die klasgenoot had op een taalsite enkele puberale uitdrukkingen gepost - je weet wel, met bepaalde lichaamsdelen erin - onder de naam van die jongen. Echt gericht cyberpesten was het niet, maar wenselijk is dit natuurlijk ook allerminst.

Andere ouders met wie ik de afgelopen tijd heb gesproken maken wel eens dergelijke zaken mee. Veel kinderen slaan er weinig acht op, maar ouders zijn vaak bang dat er zaken op internet gaan rondzwerven die hun kinderen later kunnen tegenwerken. Bovendien: het zou juist die kinderen moeten interesseren, zegt een gemiddeld gezond verstand.

De reacties van ouders op dit soort verschijnselen zijn verschillend. Sommige ouders verbieden kinderen om zich nog in te laten met social media en aanverwante zaken, andere ouders maken zelf een Facebook-account aan om kinderen te controleren en weer anderen verwachten dat mentoren, conrectoren en god-weet-ik-niet-al wat voor onderwijzend personeel allemaal handelend optreedt. Erg positief en - vooral - duurzaam zijn dit soort manieren niet. In alle gevallen raad ik het volgende aan:

Positieve benadering: denk na over je digitale zelf
Als een leerling zijn naam op enigerlei wijze onjuist op internet ziet, raad ik aan om een Facebookpagina te openen waarop krachtig de boodschap staat die de leerling wél wil uitstralen. Het is erg goed als ouders samen met het kind zo'n pagina opzetten; ze moeten zich samen afvragen welke foto's, welke persoonsgegevens, welke favorieten en welke andere informatie met wie gedeeld wordt en wie allemaal 'vriend' kunnen worden. Uitgangspunt blijft daarbij dat je zo'n pagina een soort schutting om het privéleven heen is. Ik zeg bovendien dat het goed is om een disclaimertje aan te brengen die aangeeft dat deze Facebook-pagina door het kind zelf is gemaakt en dat uitingen op andere plekken op internet voor rekening van andere mensen is. Op die manier creëer je een soort uitvalsbasis.

Positieve benadering: heb het er samen over
Eigenlijk staat het hierboven al: ouders worden aangemoedigd om betrokkenheid te tonen bij het internetgebruik van het kind door het er samen over te hebben. Ik zou dat zelf aan tafel doen in een vorm als: "Goh, vertel eens, hoeveel vrienden heb je nu op Facebook?", "Heb je ergens al veel likes op gehad?" Die vragen kun je als inleiding gebruiken op een gesprek waarin je verder kijkt of de waarden van je opvoeding een beetje tot uiting komen. Die betrokkenheid zou ik in elk geval niet achter de rug van het kind tonen door de gaan spioneren; ik pleit voor open communicatie: houd alles bespreekbaar.

Positieve benadering: verdiep je in de materie
Angst is een slechte raadgever. Als je niet snapt wat je kind allemaal uitspookt, dan is het ook goed om je te verdiepen in wat er allemaal te koop is. Praat dus niet alleen met je kind, maar lees ook boeken over social media (Raymond Janssen heeft bijvoorbeeld een paar fijne boeken geschreven in de Dummies-reeks. En er bestaan ook speciale boeken voor ouders zoals Jongeren en hun digitale leefwereld van enkele leden van de kenniskring e-learning van InHolland.) Het is ook nooit verkeerd om op school eens te kijken welke leraren er intelligent omgaan met dit soort zaken en misschien weet de buurman ook wel weer iets.

Ouders merken vanzelf wel welke dieptes er bereikt worden door op deze manier met internettende kinderen om te gaan. Op alle vlakken is er wel ervaring op te doen, maar ook informatie te vinden. Het is algemeen bekend dat verbieden zinloos is - helemaal bij pubers - en dat klagen leidt tot improductiviteit. Van enkele ouders heb ik alweer enthousiast commentaar terug op de positieve benadering.

donderdag 26 januari 2012

Staken voor erkenning en ruimte - deel 2

Vandaag staak ik omdat ik mij niet gesteund voel als docent door de overheid. Ik voel mij niet erkend als professional. Bovendien ervaar ik dat de voorgestelde maatregelen als de urennorm mij nog meer ruimte ontnemen om mijn vak serieus uit te oefenen.

Dat de minister de staking onverantwoord vindt, maakt me boos en verdrietig. Een leraar staakt helemaal niet zomaar, omdat die weet dat zijn leerlingen daar direct de dupe van zijn. Op zo'n dag als vandaag is er dan ook écht iets aan de hand. Juist die erkenning voor onze professionaliteit, die wordt met zo'n opmerking keihard onderuit geschopt en dat vindt ik een gemiste kans en, zoals gisteren gezegd, haaks staan op het overwegend positief ingezette onderwijsbeleid.

Hieronder staat mijn 'onderbouwing van de dag'. Deze breidt uit wat ik hierboven heb gesteld. Bovendien onderbouw ik nota bene welke onderbouwing ik allemaal mis.

Getuige een keurig interview dat nu.nl heeft gehouden met minister Van Bijsterveld vindt de bewindsvrouw het dus onverantwoord dat leraren staken. Ze gebruikt de ruimte (sic!) ook goed die ze krijgt om antwoord te geven op enkele bezorgde vragen die op de nieuwssite waren gepost. Ik heb natuurlijk aandachtig geluisterd naar inhoudelijke gronden voor het beleid waartegen vandaag wordt gedemonstreerd, maar ik heb die niet gevonden. Visie? Heb ik niet gevonden. Steun? Heb ik niet gevonden.

De eerste vraag gaat over het gegeven dat Van Bijsterveld niet heeft geluisterd naar het advies van de commissie-Cornielje dat heeft geadviseerd om de urennorm niet te verhogen naar 1040 antwoord zij dat er nu eenmaal politieke verschuivingen zijn geweest in de Tweede Kamer en dat die ertoe hebben geleid dat de norm opnieuw op tafel is gekomen. Dat mag allemaal wel waar zijn, maar een inhoudelijk argument om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren is dat niet. Men stelle zich een aannemer voor die een gebouw moet renoveren dat door erg veel mensen wordt gerespecteerd en dat zelfs door een groot deel van de voorbijgangers mooi wordt gevonden. Hij zal allicht onderzoeken welke materialen er zijn gebruikt, hoe de authenticiteit van het aanzicht behouden blijft en welke moderne middelen de hele constructie voor de voorlopige eeuwigheid overeind zal houden. Vervolgens stelle men zich voor dat de onderaannemer (die een convenant heeft gesloten met de aannemer om hem in principe te steunen) gaat opperen dat de houten balken die het dak dragen moet worden vervangen door balken van het soort piepschuim dat wordt gebruikt bij het verpakken van dvd-spelers. Bovendien voegt de onderaannemer toe dat hij de steun geniet van een aanzienlijk deel van de klandizie van de aannemer. Ik mag aannemen dat dan de logica zegeviert bij de aannemer en dat hij denkt: uit onderzoek blijkt dat ik moet vasthouden aan mijn intelligente plan, ik luister niet naar die kwats. Dat geldt ook voor de minister: een verstandige beslissing neem je naar aanleiding van een gedegen onderzoek.

Natuurlijk doelt de minister vooral op de PVV. Die partij beweert dat de Nederlandse cultuur onder meer voortkomt uit het humanisme. U weet wel, dat is die stroming van intellectuelen aan het einde van de middeleeuwen die - onder andere zaken - een hernieuwde belangstelling aan de dag legde voor de filosofen uit de Griekse Oudheid. Dankzij allerlei contemporaine - voornamelijk islamitische - wetenschappers zijn de geschriften tot in die tijd behouden gebleven en daarin stond al te lezen dat je een bewering met feiten moet onderbouwen (en dat feiten bovendien niet zomaar feitelijk zijn). Naar goede humanistische gewoonte ben ik ad fontes gegaan (terug naar de bron) om te kijken wat de PVV in zijn verkiezingsprogramma heeft opgeschreven over onderwijs.

Tot mijn gedegen onderwijs behoort dat ik mijn leerlingen bijbreng hoe goed te argumenteren en hoe goed een alinea op te bouwen. Dat betekent dat in een goede alinea een kernzin staat, gevolgd door minimaal twee uitleg- en/of voorbeeldzinnen die aansluiten bij die kernzin. Als ik alleen al tekstkritisch naar de onderwijsparagraaf kijk, krijg ik het vermoeden dat de PVV niet sterk is geworteld in het humanisme.

Zo lees ik het volgende: "De herbouw van het onderwijs begint bij de basis: de pedagogische academie. Juist daar moet vakinhoud weer centraal staan." Hier wordt voorbijgegaan aan de vraag of de nadruk niet al ligt op die vakinhoud, want de alinea gaat als volgt verder: "Onze kinderen in het basisonderwijs hebben recht op goed opgeleide onderwijzers. Dat geldt voor alle onderwijslagen." Dat is een nieuw onderwerp, maar de bewering op zichzelf is gefundeerd in de wet en iedereen met een gezond verstand zal het eens zijn met deze stelling. Gaat de PVV hier dieper op in? Nee; de alinea gaat door: "Op school kom je om hard te werken. Dus zeggen we gedag tegen de ‘alles-is-leuk’-cultuur." - Ik heb mijn leerlingen even gevraagd of zij snappen wat deze cultuur inhoudt, maar zij keken mij langdurig vragend aan. Ook ik zou niet weten wat hier wordt bedoeld. Uitleg komt er niet en de alinea is nog niet af: "De onderwijzer wordt weer gewoon aangesproken met ‘meester’ of ‘juf’." - Wat deze verplichting bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs wordt niet onderbouwd. - "De Canon van Nederland wordt verplicht op de basisschool, het volkslied wordt geleerd en op elke school hangt onze vlag. - Welke canon wordt hier bedoeld? Die van de geschiedenis of die van 'Nederlandse' ruimtevaartexperimenten? En wat betekent 'onze vlag'? De vlag van Nederland of die van de PVV? - Niets wordt nader verklaard. De alinea besluit met "Goede scholen zijn veilige scholen.", overigens ook zonder 'veilige scholen' nader te definiëren.

Vrijwel alle alinea's zijn zoals hierboven beschreven opgebouwd. Het geheel leest niet prettig. Ik ben oprecht geïnteresseerd in alle standpunten van iedereen; ik beschouw mijzelf als een nette burger. Ik wil echter ook begrijpen waarop die zijn gefundeerd. Dat betekent dat ik het als bijzonder fijn ervaar als het een en ander verzorgd is geformuleerd in sterk overkomende alinea's. De in het verkiezingsprogramma opgestelde tekst komt onbeholpen op mij over. Zo kan ik ook wel iets verzinnen: "Koeien geven steeds vaker zure melk. Dat komt omdat zij machinaal worden gemolken. Er moeten weer meer handen aan de koe. Kippen moeten vaker meergraneneieren leggen. Op dichtgevroren boerensloten moet geschaatst kunnen worden in januari."

Ook bij de puntsgewijs gepresenteerde oplossingen wordt alleen maar geponeerd. Om maar eens wat te noemen: "Ambachtsschool terug." Maar waarom? Met welke inhoud? Met welk doel? En er wordt he-le-maal niets, NIETS, gezegd over de 1040-urennorm. Het fundament voor deze beslissing vind ik dus niet terug in het verkiezingsprogramma. Deze humanistische oefening heeft mij niets anders opgeleverd dan dat ik moet constateren dat weinig standpunten van de PVV onderbouwd lijken; overigens naar verluidt is dat een gewoonte die we al kennen sinds de dagen van Thales van Milete en dat was zes eeuwen voor het begin van onze jaartelling.

Tegelijkertijd blijf ik het standpunt van de minister maar niet begrijpen in de discussie over werkdruk. Helaas is de aandacht nu verschoven naar het aantal vakantiedagen en gaat ook hier de hele inhoud niet over de kwaliteit van onderwijs. Bovendien heeft de minister helemaal geen zeggenschap over hoe de vakanties worden ingepland. Daarover gaat het in de cao-onderhandelingen. De door haar voorgestelde maatregelen zijn er mijns insziens alleen op geënt om de 1040-uren beter in het werkschema van scholen, leraren en leerlingen te proppen.

Dat de publieke discussie zich voornamelijk op onderbuikniveau afspeelt, maakt me bezorgd. Stemmen van buiten de onderwijssector beweren zomaar dat leraren niet weten wat werkdruk is en dat er toch zoveel vakanties zijn. Dit mag geroepen worden, maar ik zie graag dat het allemaal onderbouwd wordt en juist die bewijslast zie ik niet. Je zou haast zeggen dat er nog een hoop onderwijs te verrichten is.

De staking is hartstikke terecht! Het voorgestelde onderwijsbeleid levert alleen meer werkdruk op voor leraren en het geeft geen enkele blijk van waardering of erkenning voor de vele professionals die dagelijks voor de klas staan. Er is immers geen enkel fundament, geen bewijs voor de stellingname van de regering. Bij de PVV, de partij die de urennorm weer op de agenda heeft gezet, moet men zich zelfs achter de oren krabben of een cursus elementair schrijven en argumenteren geen interessante optie is.



woensdag 25 januari 2012

Staken voor erkenning en ruimte

Geachte heer Zijlstra,

Op de woensdag voor Kerstmis heb ik uit uw handen de Promotiebeurs voor leraren mogen ontvangen. Die beurs stelt mij, en 35 andere docenten, in staat om de komende vier jaar twee dagen per week te werken aan mijn onderzoek te werken, om uiteindelijk te promoveren. Natuurlijk ben ik heel blij dat ik door de strenge, intensieve selectie ben gekomen, want dat betekent dat ik de ruimte heb gekregen om mijzelf door te ontwikkelen als vakman.

Donderdag ga ik staken. Ik houd helemaal niet van staken. Ik houd van dagen waarvan ik 's avonds thuis denk dat er nuttige activiteiten hebben plaats gehad voor leerlingen en dus voor mij. U weet wel, fijne, gewone dagen. Dat ik donderdag ga staken komt omdat ik het gevoel heb dat mij juist een andere vorm van ruimte wordt ontnomen. Juist de 1040-urennorm, de prestatiebeloning en het ongecompenseerd terugdringen van vakantiedagen zijn twee voorgestelde maatregelen die daar lijnrecht tegenover staan. Zo'n beurs vind ik een goede beslissing van de overheid - overigens ook als ik die toegekend had gekregen.

Als inmiddels ervaren docent weet ik dat een leerling in beginsel niets leert van onderwijs. Een mens leert alleen als die dat zelf wil. Volgens de behoeftenhiërarchie van Maslow komt men tot zelfontwikkeling, het hoogste niveau, door zich erkend te voelen. Erkenning kent dan weer verschillende niveaus: van een goed cijfer of een beloning of een compliment naar hogere vormen als het krijgen van verantwoordelijkheid of uiteindelijk: ruimte. Onderwijs is vooral een communicatief proces binnen het door een docent geschapen zogenaamde pedagogische klimaat; die ruimte, die erkenning.

De reden waarom ik ook niet begrijp dat er wordt teruggegrepen op de hierboven genoemde maatregelen, is omdat het mijns inziens zo haaks staat op wat de overheid van te voren als beleid heeft aangekondigd. De doelen die zijn gesteld in actieplannen als 'Beter presteren' en 'Leraar 2020 - een krachtig beroep!' vind ik ook prima: sterke mensen voor de klas, leraar als gewild beroep en reflectie als structureel onderdeel van mijn baan. Dit alles geeft mij het juist wél het gevoel dat ik ruimte krijg en dat ik word gesterkt als professional, net zoals bij die promotiebeurs.

Er zijn inmiddels onderzoeken te over waaruit blijkt dat er geen verband bestaat tussen toenemen van het inkomen en geluksbeleving. Prestatieloon schijnt alleen te werken bij mensen die kortcyclische arbeid verrichten: als iemand meer dopjes op tubes tandpasta heeft geschroefd dan zijn collega, krijgt die meer salaris. Voor het werk als leraar geldt dat allemaal juist precies niet; ik heb nog geen baan gezien of ervaren waar je dikwijls tegelijk en op verschillende niveaus allerlei uitdagingen krijgt te verwerken. Dat maakt het vergelijken van prestaties van leraren ook veel lastiger en ingewikkelder, vooral als daar een geldelijke beloning tegenover moet staan. Hoe druk je bijvoorbeeld een pedagogisch klimaat uit in arbeidsloon?

Als leraar heb je eigenlijk alleen echt vakantie in de zomer. In alle andere vakanties werk je door aan je onderwijs en aan de toetsing ervan, net zoals je in je tijd als leerling of student meestal iets te doen had in een vakantie. Dat vinden de meeste leraren ook prima, evenals het feit dat er alleen maar gereisd kan worden in het hoogseizoen of dat ziekte in vakantietijd niet gecompenseerd kan worden als er weer leerlingen in het lokaal zitten. Onderwijsdagen zijn lang, kennen weinig tot geen pauze en vergt een voortdurende alertheid, een goede concentratie en een hele berg aan andere vaardigheden om pubers op te leiden voor een vervolgstudie. Aan mensen die nooit in het onderwijs hebben gewerkt is dit overigens lastig uit te leggen, weet ik. Wat iedereen wel snapt is dat het schrappen van vakantiedagen een ongelukkig middel is in het bestrijden van de grote werkdruk, het beoogde doel.

De commissie-Cornielje - voorzitter Clemens Cornielje is nota bene een partijgenoot van u - heeft al duidelijk te kennen gegeven dat de huidige vakantieregeling prima is, dat er zelfs nog wat meer ruimte kan komen voor bij- en nascholing en dat er 1040 uren lesgeven 'praktisch gezien onmogelijk' te realiseren is voor een school.

"We moeten leraren koesteren," zei u nog bij de uitreiking van de promotiebeurzen. Veel van het overheidsbeleid lijkt daar prima bij aan te sluiten. We zijn het allemaal eens over het feit dat leraar een mooi beroep moet zijn, dat een docent een goede opleiding moet hebben gehad en dat leerlingen moeten worden uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. Ik hoop dan ook werkelijk dat daarmee conflicterende zaken als prestatieloon, de 1040-urennorm en het terugdringen van vakantiedagen niet zullen doorgaan. Tenzij u of mevrouw Van Bijsterveld eerder aankondigt het wetsvoorstel terug te trekken ga ik donderdag staken voor erkenning en ruimte voor mijn professionaliteit.

Met vriendelijke groeten,

Martijn Wijngaards
Leraar Nederlands op het Canisius College en op de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

donderdag 12 januari 2012

Ben een leraar!

Gisteren heb ik gesproken op de nieuwjaarsopening van ROC A12 in Ede. Daar had men mij verzocht een persoonlijke visie te geven op de ontwikkelingen die gaande zijn in het middelbare beroepsonderwijs. Aanwezig waren, behalve collega's van het ROC ook mensen uit het omringende bedrijfsleven en uit de politiek.

In mijn speech heb ik niet geprobeerd om te vertellen wat die laatstgenoemde categorie mensen het beste kan doen. Daar ben ik niet van en daar ga ik niet over. Wel heb ik geprobeerd om inzichtelijk te maken hoe ik zelf handel en hoe ik daarbij zoveel mogelijk plezier heb. Door de directie is een speelveld afgebakend voor de komende jaren en dat wordt voornamelijk beïnvloed door externe ontwikkelingen als bezuinigingen in het onderwijs, vergrijzing van de lerarenpopulatie (in het mbo verlaat de komende zeven jaar ruim 50% de werkvloer!) en het stopzetten van zaken als de 30+-regeling. Het ROC zit middenin een groot aantal ontwikkelingen die ertoe moeten leiden dat de aansluiting blijft met het bedrijfsleven, dat er een nauwe, blijvende samenwerking is met lerarenopleidingen (Hogeschool Utrecht en Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) en dat de huidige werknemers de ruimte krijgen om zich snel en flexibel aan te passen aan de veranderingen die dit alles teweegbrengt.

In het kort komt het erop neer dat ik denk dat je zo goed mogelijk moet zijn in wat je doet. Aan mijn leerlingen leg ik dat wel eens uit met de volgende simplificatie: stel dat je ontzettend vaardig wil zijn in het spreken en schrijven van de Franse taal. Je zult dan heel hard gaan leren en bij de eerstvolgende toets haal je wellicht al een 9. (Je talent bepaalt hoe stevig je zult moeten aanpakken, maar dat even terzijde...) Vervolgens heb je er aardigheid in, zodat je zult denken dat je nog wel eens zo'n 9 wil halen. Daarom zul je wederom hard gaan studeren en daarop volgt weer een 9. Na verloop van tijd zul je merken dat je minder moeite hoeft te doen om dat niveau vast te houden en dan ben je dus echt top. Dat voelt verschrikkelijk goed.

Eerder schreef ik dat het krijgen van een goede beoordeling, een mooi cijfer, een vorm van erkenning is, een wat minder hoge vorm dan het krijgen van - om maar eens wat te noemen - verantwoordelijkheid, maar niettemin is het in principe oké. (Ook die niveaus van erkenning heb ik wat nader, beter uitgewerkt, zie het schema op het plaatje.)


Natuurlijk zijn er nogal eens mensen die dat gedoe omtrent erkenning ontzettend lastig vinden en dat is alleszins begrijpelijk. Hoe dan ook, ik denk dat écht top zijn het leuk maakt wat je doet; op je werk, thuis of waar dan ook. Je zult daarbij trouw moeten zijn aan jezelf en aan anderen. Aan eigenwijsheid heeft niemand iets en bovendien is het goed om je te omringen met de juiste mensen; die kunnen jou verder helpen in het leven en zij kunnen jou behoeden voor valkuilen.

Hoog in de pikorde heb ik de belangrijkste boodschap gezet: wees een leraar! Iedereen die een mbo-functie of hoger heeft, zal merken dat die eigenlijk een leraar is, omdat je wel eens kennis zult moeten doorgeven, iets zal moeten uitleggen of zou moeten coachen. Dat betekent dat leraar niet alleen een superbelangrijk beroep is, maar ook een levenswezenlijke attitude. Leraren geven het goede voorbeeld.

Natuurlijk heb ik nog veel meer verteld, maar daarover heb ik op dit edublog al eens geschreven. Ik hoop wel dat juist de boodschap dat je een leraar bent is blijven hangen gisteren. Dat besef voelen en uitdragen, dat is toch een goed voornemen!

P.S. Ik besef dat mijn piramide lijkt op die van John Wooden, maar die gaat over succes. In navolging van Bas Haring twijfel ik of dat wel is waarnaar ik streef, omdat ik niet precies weet wat dat precies moet zijn.

maandag 19 december 2011

Doe het goed of doe het niet #2

Beste Joitske,

Natuurlijk had ik al eerder moeten reageren op jouw reactie van medio oktober op dat stuk over mediacoaches op mijn edublog. De reden dat ik dat niet onmiddellijk heb gedaan, komt omdat ik aan het nadenken ben geweest over jouw vraag. Daarnaast heb ik ook wat van jouw indrukwekkende hoeveelheid werk (zowel kwalitatief als kwantitatief!) bekeken.

Hoe dan ook: allereerst natuurlijk bedankt voor die reactie. Je vroeg je toen af hoe je ervoor zorgt hoe een mediacoach de leerling bereikt. Je zegt dit ook in het licht van de gedachte dat leerlingen vaak meer weten van internet dan een leraar. Dat laatste vind ik in die zin waar, dat het betekent dat leerlingen vooral goed weten welke trends er gaande zijn online en daaromheen.

Een gesprek dat ik vandaag had met een leerling van het Canisius College heeft mij zowat in de richting van een antwoord gebracht. Het gesprek kwam erop waarom twee leraren exact hetzelfde aan leerlingen kunnen zeggen, maar waarom leerlingen het van de ene wel aannemen en van de andere niet. De leerling kon daar niet onmiddellijk goed antwoord op geven en daarom begon ze mij en een collega als voorbeeld te nemen. Aan mij kon ze zien dat ik ook een leven had naast school, zei ze, en blijkbaar was dat een geweldig argument voor het serieus nemen van mijn uitingen. Met dat leven bedoelde ze op mijn bestaan als onderzoeker en public speaker enzo. Een andere collega had dat allemaal niet en daarom had ze blijkbaar afgedaan.

Nu vind ik het principieel onjuist om collega’s af te vallen. Daarnaast vond ik dat mijn leerling - een beleefde, intelligente meid - bepaald ongelijk had. Ik heb allereerst betoogd dat mijn aller- allerbelangrijkste ambitie is om een goede vader en echtgenoot te zijn; dan komt er een tijdje niets en pas dan komen alle andere mensen en zaken. Van de door haar bedoelde collega weet ik dat ook zij precies de bedoeling heeft om voornamelijk een goede moeder te zijn en dat ze daarnaast parttime werkt als - in mijn ogen een zeer degelijke - docent. Ja, zo had mijn leerling dat nog even niet bekeken.

Afijn, waarom zeg ik dit allemaal? Dit gesprek was namelijk ook een soort aanleiding om antwoord te geven op jouw vraag. Volgens mij moet die nog enigszins in mist gehulde formulering drie zaken bevatten. Hieronder zal ik sowieso proberen zo helder mogelijk te zijn.

Leerlinggericht
Naar mijn mening is het allerbelangrijkste goed van je leraarschap wat men met een mooie term omschrijft als pedagogisch klimaat. Dat houdt voor mij in dat je zorgt dat regels geen issue zijn - want duidelijk - en dat je ervoor zorgt dat elke leerling het gevoel heeft om in voldoende mate erkenning te krijgen van jou. Je zult dus voortdurend in gesprek moeten zijn en blijven met je leerling en daardoor kom je te weten wat hem drijft en op welk niveau je moet inhaken om enige lesstof te laten beklijven in zijn systeem.

In die gesprekken ben je eigenlijk vaak coach, dus het uitnodigen van zelfreflectie is het voornaamste doel. In alle jaren dat ik leraar ben heb ik gemerkt dat op elk niveau dat ik lesgeef of heb lesgegeven - en dat is inmiddels van mbo-niveau 2 tot universitair - een leerling/cursist/student het zeer op prijs stelt als er af en toe even met iemand gespiegeld kan worden over alles wat een gemoed kan bezighouden. Opmerkelijk vaak zijn dat zaken die toekomstgericht zijn en bijzonder vaak zijn internetgerelateerde zaken niet een issue; verhoudingsgewijs dan. Daar ga ik graag even voor zitten en dat betekent dat ik nogal eens in een leerling investeer in een tussenuurtje, op de gang of in een pauze. (Dan vraag ik wel eens of de leerling (etc.) in kwestie het erg vindt of ik een boterhammetje eet. Dat laatste beschaafd natuurlijk - ik kan mij herinneren dat ik als leerling zelf wel eens afgeleid werd door schrokkende omnivoren die onstuimige oerbroden te lijf gingen tijdens een gesprek met mij. De inhoud van die gesprekken staat mij dan ook niet meer bij.)

Levenservaring
Ik houd altijd maar voor ogen dat ik de volwassene ben (bij leerlingen) of bepaalde ervaringen méér heb (bij studenten én bij leerlingen). In het geval van het mediawijze gebeuren betekent dit dat ik mij graag laat voorlichten door leerlingen wat hen bezighoudt, drijft of motiveert. Dit geldt dus ook voor alles wat met internet te maken heeft.

Waar je als leraar überhaupt meer ervaring mee hebt is met het verwerven en verwerken van informatie. Leerlingen worden overspoeld door een voortdurende lawine van gewenste en ongewenste gegevens en haast automatisch ontwikkelen zij een soort mechanisme om daarin onderscheid aan te brengen. Omdat die een soort onbewust proces is, hebben zij juist behoefte aan begeleiding daarin van een volwassene.

Natuurlijk komen veel van hun leraren uit de tijd van de krant, de televisie met twee netten en - ten gunstigste - iets als een Commodore 64. Die mensen hebben in elk geval als voordeel gehad dat ze het informatieve kaf van het koren hebben kunnen scheiden onder rustigere omstandigheden dan het kroost dat aan hen is toevertrouwd. Een beetje hbo- of wo-opleiding heeft dat proces dan ook zeer bewust - dus overdraagbaar - moeten maken. Jouw held Clay Shirky verwoordt dit alles inderdaad bijzonder mooi: “It’s not information overload, but filter failure.” En in het artikel waarin je zijn citaat aanhaalt geef je zelf al bruikbare tips.

Dichtbij jezelf
Toch denk ik dat vooral vermeld moet worden dat het verstandig is om je hand niet te overspelen. Hoewel ik op de instellingen waar ik werk te boek schijn te staan als een voortrekker, vind ik mijzelf een afwachtend type. Bij een nieuwe gadget hol ik niet automatisch naar de winkel, maar ik wacht even af of het ding sowieso doet wat is beloofd en daarnaast vraag ik mij gaande die hele periode van betrachte rust af of het apparaat iets positiefs toevoegt aan mijn toch al zeer rijke bestaan. Zo niet, dan ga ik niet voor de heb, maar dan besluit ik bewust om niet tot aanschaf over te gaan. Ik heb dan ook geen iPad of iPad-achtigheid, omdat ik die niet aanvullend genoeg vind ten opzichte van mijn laptop, mijn Androidmobiel of mijn PSP. (Dit stukje typ ik op een fijn netbookje; daar kun je gewoon lekker op schrijven.)

Die afwachtende houding heb ik ook ten aanzien van internetontwikkelingen. Ik ben niet voortdurend naarstig op zoek naar de nieuwste ontwikkelingen en trends. Via Edublogs en aanverwante sites verneem ik vanzelf wel welke zaken beklijven en van leerlingen hoor ik dergelijke verhalen ook wel. Maar goed, ik ben dus wel op de hoogte van wat er zo ongeveer speelt, maar ik heb nogal eens een avondje waarop ik niet uitgebreid mijn Google Reader zit te lezen. In jouw mooie presentatie Sociale media & voortgezet onderwijs zie ik ook verscheidene icoontjes waarvan ik nog geen vermoeden heb wat erachter steekt. Toch voel ik ook niet onmiddellijk de behoefte om als een bezetene die veelheid te gaan opzoeken.

Mijn behoefte om mij te manifesteren via sociale media is dan ook puur gedreven door eigenbelang en gemakzucht. Ik heb lang geaarzeld of ik wel ging deelnemen aan Facebook, maar inmiddels is het een dagelijkse procedure geworden om in enkele oogopslagen te zien wat allerlei mensen om mij heen bezighoudt. Wel ben ik zelf erg voorzichtig in het plaatsen van persoonlijke zaken, omdat ik niet wil dat er interferentie optreedt met een van mijn publieke bezigheden.

Ik heb wel eens collega’s meegemaakt die probeerden om hun populariteit te vergroten door deelname aan Facebook. Die kwamen van een koude kermis thuis, omdat ze mijns inziens twee fouten maakten: allereerst dat je als leraar populariteit moet nastreven. Ik denk dat je moet nastreven om zo goed mogelijk te zijn in je vak en dat daaruit een soort respect moet voortvloeien. Populariteit is ongrijpbaar dus daarin moet je niet willen investeren. Ten tweede denk ik dat Facebook - bij intelligent en voorzichtig gebruik - nagenoeg niets toevoegt aan de communis opinio ten opzichte van jou. Onbarmhartig geformuleerd: als leerlingen jou in real life een malloot vinden, dan vinden ze dat ook van jouw virtuele zelf.

Kortom, de enige reden waarom je gebruik maakt van digitale communicatiemiddelen is om beter bereikbaar te zijn én om de jouw toestromende informatie beter te kanaliseren. Logischerwijs betekent dit dat je zelf de regie krachtig in de hand moet houden al zit ook hier het geheim ‘m in een goede voorbereiding en afbakening. Blijf dus dichtbij jezelf.

Joitske, ik zal nog vast vanalles zijn vergeten te melden nu, maar op deze site heb ik al heel wat van de hierboven genoemde terreinen verkend. Hopelijk neem je mij niet kwalijk dat ik in deze vorm antwoord op jouw vraag geef, want ik hoop dat andere mensen ook kunnen bijdragen aan deze interessante discussie over hoe wij ons online kunnen manifesteren en onze leerlingen (etc. etc.) daarbij kunnen ondersteunen. Nogmaals bedankt voor jouw aandeel hierin en bedankt dat ik deze reactie mag plaatsen zo.

De beste wensen voor 2012 voor jou en voor iedereen die onderwijs, cultuur en wetenschappen een warm hart toedraagt!

donderdag 15 december 2011

Leestip: canon van Nederlands middeleeuwse verleden

In de grote diarree aan canons die ons de laatste jaren ten deel valt, zijn er toch wel de nodige nuttige uitgaven te ontwaren. Een boek waarvoor dit zeker opgaat is Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuwse verleden van Jan J.B. Kuipers. Dit bijzonder aardige naslagwerk verdient zeker een plaats in de kast van elke (!) leraar en hij zal het ook goed doen onder de kerstboom.

"Deze canon bevat geen onwrikbare ijkpunten," heet het in de reclamefolder van de uitgever, "maar presenteert onze middeleeuwse geschiedenis op toegankelijke wijze voor een breed publiek." Naar mijn mening maakt Kuipers deze bewering ook prima waar. Voor totale nitwits op het gebied van geschiedenis is het boek wellicht wat hoog gegrepen; men moet immers toch het basale besef hebben dat er ooit Romeinen in deze contreien hebben rondgelopen en vagelijk gehoord hebben van Karel de Grote. Desalniettemin is het instapniveau laag, dus dat kan alleen maar goed zijn.

Over de onderwerpkeuze valt altijd te twisten, maar ik denk dat Kuipers een goede keuze heeft gemaakt met de 50 onderwerpen die hij hier presenteert. Geen van de traditioneel bij geschiedenislessen aangeboden onderwerpen en personen ontbreken en er is - voor mij weer belangrijk - ook prima aandacht voor de literatuurgeschiedenis. Op dat laatste gebied wordt dan ook weer canoniek gedacht, maar nogmaals: ik denk dat het goed is dat het instapniveau laag is in deze uitgave.

Kuipers beschrijft op een pakkende wijze hoe het leven in verleden tijden eruit gezien moet hebben voor de gewone mens. Hij maakt veelvuldig gebruik van fraaie afbeeldingen, kaarten en vogelvluchten die zijn verhalen kracht bijzetten. Voor het historisch besef van de op dit gebied minder ingelichte medeburgers is dat niet alleen erg goed, maar ook ik mag graag kijken naar plaatjes die verduidelijken hoe onze samenleving is geëvolueerd van afgelegen, woeste negorijen tot een verstedelijkte samenleving vol eigenwijze burgers.

Natuurlijk valt er wat af te dingen op het gebruik van schoolplaten of van Romantische schilderijen van ridders en jonkvrouwen, maar ik kan dat echt niet afkeuren als dit boek beoogt om voor allerlei mensen een opstap te bieden naar meer interesse voor ons middeleeuwse verleden. Wel doet de schrijver zichzelf soms wat te kort door deze afbeeldingen wat matig te duiden, evenals er soms wat slordigheidjes te ontwaren zijn. (Zo wordt er in de hoofdtekst gesproken over Radbod en onder het plaatje ernaast heet dezelfde man Radboud.) Maar goed, ik vind dat peanuts.

De literatuurverwijzingen kan ook wat als karig aangemerkt worden, maar ik kan me levendig indenken dat de auteur ook hier weer rekening houdt met de beginsituatie van de beoogde lezer. Die lezer wordt dan ook uitgenodigd om eens een museum te bezoeken, een - al dan niet door hem geschreven - andere canon te raadplegen. - Overigens, van mij mag je reclame maken voor je eigen producten, hoor. Daar zie ik niets verkeerds in. - Kuipers laat in elk geval zien dat hij prima op de hoogte is van de laatste inzichten van archeologen, geschiedkundigen en literatuurhistorici. Soms weidt hij wat ver uit over bijzaken, maar in de regel houdt hij zijn teksten kort en doelgericht. Och, en misschien is het nog best aardig om weer eens met Johan Huizinga's Herfsttij der middeleeuwen aan te komen. Je weet nooit tot welke vernieuwende inzichten mensen komen als zij dit goede, oude werk weer eens uit de kast hebben gehaald.

Voor mensen die een ontluikende interesse hebben op het gebied van de middeleeuwse geschiedenis van ons taalgebied is deze canon van J. Kuipers een leuke mogelijkheid om kennis te maken met dit alles. Ik vind zou het onzinnig vinden om te soebatten over keuzes en kleine oneffenheden; dit werk misstaat bij helemaal niemand in de boekenkast. Nederland in de middeleeuwen is een prettig boek voor koude winterdagen; elke avond kun je bij een behaaglijk haardvuurtje rustig even de uitgave openslaan voor één of meer van de korte hoofdstukken.

Jan J.B.Kuipers, Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden. Walburg Pers, Zutphen 2011.