Omdat ik niet alle dagen op school ben in verband met mijn promotieonderzoek, zoeken leerlingen via allerlei media contact met mij als zij daaraan behoefte hebben. Dat vind ik prima, want de hoeveelheid berichten is gewoonlijk erg klein. Om een en ander te reguleren heb ik met leerlingen afspraken gemaakt over waar en hoe er wordt gecommuniceerd. Zo begeleid ik profielwerkstukken in een aparte, afgesloten groep op Facebook en via dat medium heb ik ook een groep voor mijn examenleerlingen. Het is opvallend hoeveel sneller ik een meerderheid bereik via Facebook dan via de schoolmail.
Mijn 3 havo-leerlingen zien niets in zo'n Facebook-groep. Zij hebben zelf voorgesteld om Whatsapp te maken. Vrij onmiddellijk heeft een enthousiaste leerling alle klasgenoten en mij samengevoegd in een groep. Mijn doel om daar gelegenheid te geven aan inhoudelijke vragen heb ik echter niet meteen bereikt. Met name de eerste avond na de oprichting van de groeps-app heeft mijn telefoon dermate voortdurend getrild dat ik het apparaatje maar heb uitgezet.
De volgende ochtend staat de teller op 316 nieuwe berichten. De meerderheid van de berichten blijkt afkomstig van drie leerlingen en de inhoud is kort, flauw en niet ter zake doend. Via Whatapp is het mogelijk om in elk geval een txt-bestand te maken van dit alles en precies dat bericht heb ik in de volgende les getoond op het bord. Daarbij heb ik geen waardeoordelen uitgesproken over de inhoud, maar ik heb aan de leerlingen gevraagd wat ik aanmoest met deze gang van zaken.
Allerlei leerlingen hebben een buitengewoon rode kleur gekregen. Samen hebben we gepraat over wenselijk gedrag, de behoefte aan een klassenapp waarin naar hartelust gespamd kan worden en over het feit dat ik in een grote hoeveelheid spamberichten niet ga zoeken naar een mail die wél belangrijk is voor mij of iedereen. Afgesproken is dat de les natuurlijk de plek is waar vragen gesteld kunnen worden, maar dat Whatsapp een prima alternatief is voor mijn regelmatige absentie op school.
Wat vooral aardig is aan het in beeld brengen van zo'n berichtenstroom is dat je zo duidelijk kunt zien wat er eigenlijk gebeurt in en groep. In een klassenapp gedragen leerlingen zich precies als in de fysieke klas. Vooral de grapjassen nemen veel ruimte in en via het digibord heb ik ze goed kunnen confronteren met hun opvallende en veelvuldige aanwezigheid. Het is ze zo duidelijk dat veel communicatie van klasgenoten verdwijnt in de lawine van hun spam. Het deed mij denken aan mijn chatlessen van weleer.
Het resultaat is dat de leerlingen nu zelfstandig op het idee zijn gekomen om een klassenapp te maken zonder mij en één met mij. Via die laatste app heb ik sindsdien slechts één vraag gehad en die is snel daarna door een andere leerling beantwoord met iets als: "Dat had Wijngaards al gezegd!" De leerlingen nemen de app serieus en ik kan dat nu ook doen. Op deze manier geef ik weliswaar Nederlands, maar krijgen we allemaal een mooie les in mediawijsheid cadeau.
Over game-based storytelling, teambuilding, persoonlijkleiderschap, blended learning en andere vehikels voor het vergroten van vertrouwen.
woensdag 6 november 2013
dinsdag 8 oktober 2013
Lerarencongres: over de Promotiebeurs voor leraren (NWO)
Vandaag heb ik mogen spreken op het buitengewoon leuke Lerarencongres in Ede. Het was de eerste keer dat organisator De Onderwijscoöperatie het evenement heeft georganiseerd. Het belang van deze bijeenkomst voor professionals is nog eens extra onderstreept door de aanwezigheid van Jet Bussemaker, minister van Onderwijs, en Geert ten Dam, voorzitter van de Onderwijsraad. Niemand minder dan Susanne Winnubst (Leraar van het jaar 2011) en Andrew Niemeijer (Leraar van het jaar 2009) verzorgden de opening. De eerste speelde een thuiswedstrijd, want haar ROC A12 was gastheer van het gebeuren, de laatste is ook een van de eerste laureaten van de Promotiebeurs voor leraren van het NWO.
Leraar24 had mij uitgenodigd om te spreken over die Promotiebeurs voor leraren. Inmiddels zit ik in het tweede jaar van dit initiatief: dankzij de steun van het NWO kan ik twee dagen per week, gedurende vier jaar aan mijn promotieonderzoek werken. Meteen heb ik veel betrokkenheid gemerkt in de zaal waarin ik sprak, want er is een hoop gevraagd. De belangrijkste drie vragen herhaal ik hieronder: ze gaan over de voorwaarden voor de beurs, wat de doorslag heeft gegeven voor onder anderen Andrew (het was fijn dat hij er bij was) en mij en wat de meerwaarde is voor jezelf.
Voorwaarden voor de Promotiebeurs
Je moet minimaal een mastertitel hebben in je vakgebied en je moet 0,9 fte werken in het onderwijs. Een hbo-master is ook prima, maar omdat deze praktischer van aard zijn dan de universitaire variant is het raadzaam om goede afspraken te maken met een promotor om eventuele lacunes op te vullen op het gebied van je onderzoeksvaardigheden.
Wat de doorslag geeft
Voor alle eerste 26 laureaten van de eerste lichting en de 42 laureaten van de tweede lichting geldt dat zij al bezig waren met een promotieonderzoek voordat zij de Promotiebeurs gingen aanvragen. Dat betekent dat al deze mensen al een plan hadden liggen dat samen met een promotor is opgemaakt. De beurs is voor ons allemaal een extra steun en stimulans om ook daadwerkelijk binnen maximaal zes jaar het opus magnum te hebben staan. Volgens mij zeg ik niets verkeerds als de overgrote meerderheid van deze mensen zonder dit initiatief van de overheid toch wel door was gegaan met het promotieonderzoek, alleen hadden zij (wij) er langer over gedaan, omdat je zo'n onderzoek toch in de randen van de dag zou moeten doen.
Een plan is dus een absoluut pre om een succesvolle sollicitatie te doen. Desalniettemin zijn er buitengewoon veel collega's "onder de radar" die wel de potentie en de energie hebben om aan een promotieonderzoek te beginnen, maar die niet weten hoe te beginnen met het liggen van contacten. Voor die mensen heb ik drie starttips:
Leraar24 had mij uitgenodigd om te spreken over die Promotiebeurs voor leraren. Inmiddels zit ik in het tweede jaar van dit initiatief: dankzij de steun van het NWO kan ik twee dagen per week, gedurende vier jaar aan mijn promotieonderzoek werken. Meteen heb ik veel betrokkenheid gemerkt in de zaal waarin ik sprak, want er is een hoop gevraagd. De belangrijkste drie vragen herhaal ik hieronder: ze gaan over de voorwaarden voor de beurs, wat de doorslag heeft gegeven voor onder anderen Andrew (het was fijn dat hij er bij was) en mij en wat de meerwaarde is voor jezelf.
Voorwaarden voor de Promotiebeurs
Je moet minimaal een mastertitel hebben in je vakgebied en je moet 0,9 fte werken in het onderwijs. Een hbo-master is ook prima, maar omdat deze praktischer van aard zijn dan de universitaire variant is het raadzaam om goede afspraken te maken met een promotor om eventuele lacunes op te vullen op het gebied van je onderzoeksvaardigheden.
Wat de doorslag geeft
Voor alle eerste 26 laureaten van de eerste lichting en de 42 laureaten van de tweede lichting geldt dat zij al bezig waren met een promotieonderzoek voordat zij de Promotiebeurs gingen aanvragen. Dat betekent dat al deze mensen al een plan hadden liggen dat samen met een promotor is opgemaakt. De beurs is voor ons allemaal een extra steun en stimulans om ook daadwerkelijk binnen maximaal zes jaar het opus magnum te hebben staan. Volgens mij zeg ik niets verkeerds als de overgrote meerderheid van deze mensen zonder dit initiatief van de overheid toch wel door was gegaan met het promotieonderzoek, alleen hadden zij (wij) er langer over gedaan, omdat je zo'n onderzoek toch in de randen van de dag zou moeten doen.
Een plan is dus een absoluut pre om een succesvolle sollicitatie te doen. Desalniettemin zijn er buitengewoon veel collega's "onder de radar" die wel de potentie en de energie hebben om aan een promotieonderzoek te beginnen, maar die niet weten hoe te beginnen met het liggen van contacten. Voor die mensen heb ik drie starttips:
- Praat met je thuisfront of je de benodigde steun kan krijgen. Het is een hoop werk om naast je baan in het onderwijs te promoveren. Andrew zei het mooi: "Het is niet dat het dan ineens lesgeven-light en promoveren-light wordt. Het blijft gewoon hard werken in het onderwijs en aan je PhD."
- Kijk of je afstudeeronderwerp een ingang biedt voor een groot onderzoek. Of zoek naar andere zaken die je nog hebt liggen van je studie waaraan je veel plezier hebt beleefd of waarde hebt gehecht.
- Kijk of degene bij wie je bent afgestudeerd nog actief is of naar wie zijn opvolger is. Ga met haar of hem in gesprek. Trek die stoute schoenen aan. Of neem contact op met het NWO of met een van ons.
(Zo'n promotor moet je echt willen helpen om de aanvraag naar het NWO zo goed mogelijk te formuleren. Ik ben zo gelukkig dat mijn promotor, Prof. Dr. Wim van Anrooij (Universiteit Leiden) mij in alle fases van het proces heeft willen bijstaan in raad en daad: de eerste aanvraag, de tweede, uitgebreidere formulering van het plan en de voorbereiding van de presentatie aan de beoordelingscommissie bij het NWO. Voor die laatste ronde heb ik mij zelfs mogen laten coachen door verschillende van zijn collega's uit allerlei hoeken van de Universiteit Leiden.)
De meerwaarde
Promoveren mag je doen in wat jij leuk of belangrijk vindt. Het maakt voor een school niet uit wat je doet, want je doet onderzoeksvaardigheden op die buitengewoon nuttig zijn om door te geven aan je leerlingen of studenten. Ook als je schoolleiding niet onmiddellijk het nut van je onderzoek inziet (en dat komt bij veel van ons voor) moet je je niet laten weerhouden van het doorzetten van je plan.
Promoveren mag je doen in wat jij leuk of belangrijk vindt. Het maakt voor een school niet uit wat je doet, want je doet onderzoeksvaardigheden op die buitengewoon nuttig zijn om door te geven aan je leerlingen of studenten. Ook als je schoolleiding niet onmiddellijk het nut van je onderzoek inziet (en dat komt bij veel van ons voor) moet je je niet laten weerhouden van het doorzetten van je plan.
De meerwaarde voor jou zit in zelfontplooiing (het hoogste behoefte volgens die goede ouwe Maslow), het avontuur voor jezelf (al zul je toch heel wat monniksuren doorbrengen met je aantekeningen, je laptop en je leeslampje) en een net zo belangrijke: je voorbeeldrol als docent. Het niet-te-onderschatten belang van je werk is mijns inziens vooral je functie als rolpatroon. Veel leerlingen, en in alle profielen (!), (en ouders!) vinden het zeker leuk om te zien dat jij je hart volgt en dat jij zo goed mogelijk wil zijn in jouw vak. Dat is misschien wel de mooiste boodschap die je aan jouw leerlingen kan meegeven: neem je leven in eigen hand.
Alle aanwezigen en mensen die ik om mijn speech heb gesproken: bedankt voor alle vragen. Als je nog meer vragen hebt: zoals gezegd, neem alsjeblieft contact op met mij, een van de andere laureaten (ik wil niet voor hen spreken, maar volgens mij heeft niemand bezwaar), of met het NWO.
zondag 29 september 2013
Je kind als jouw avatar, of dan liever je cavia
Voordat ik wist waarom ik dat deed, zat ik vanmorgen toch even op TheFacesofFacebook.com te checken of ik in de voor- of achterhoede zat van de Facebookgebruikers. Geen idee waarom, want ik behoor me ernstig af te vragen wat deze informatie mij oplevert. Maar eerlijk is eerlijk, het is wél leuk om op al die gezichtjes te klikken. Bovendien is het schokkend om te zien hoeveel mensen er eigenlijk helemaal geen gezicht als avatar gebruiken. Het stikt van de voetballers, huisdieren en... kinderen!
Volgens mij behoor ik tot de laatste generatie die zelf kan kiezen of jeugdfoto's via internet worden verspreid. Sowieso hoor ik bij een dankbare minderheid: mijn moeder heeft vlijtig een aantal chronologisch geordende en van nuttig commentaar voorziene fotoalbums met mij als middelpunt heeft meegegeven toen ik het ouderlijke huis verliet. Voordat zo'n foto op Facebook of elders op internet komt te staan, zal iemand de moeite moeten nemen om zo'n plaatje uit de plastic fotohoekjes (weet je nog?) los te peuteren en ze op een scanner te leggen.
Sinds een jaar of vijftien beginnen langzaam digitale camera's de analoge te verdringen in mijn bestaan. Dat betekent dat ik tot voorbij mijn studententijd een rolletje in mijn camera had zitten. Daarvan moest ik mij bij aanschaf afvragen welke ISO-waarde die had. Je maakte ook niet van elke fluttigheid een foto, want je had maximaal 36 opnames op zo'n filmpje.
Van mijn dochter is welhaast elke dag van haar vierjarige leven gedocumenteerd. Inmiddels ook in fikse HD-kwaliteit. Ik hoor bij die vaders die een soort van verliefd bij allerlei acties het mobieltje tevoorschijn tovert om een een aantal plaatjes te schieten; net zolang totdat er een perfect bevonden foto tussen zit. Die verdwijnen dan netjes in geordende mapjes op de computer en uit de eindeloze reeks foto's op de bank of in de achtertuin wordt dan af en toe een selectie gemaakt om af te drukken of in te lijsten.
Héél zelden zet ik eens iets op Facebook. Dan deel ik graag iets met vrienden. Want ja, natuurlijk ben ik een trotse vader. Wel zorg ik er dan voor dat onze dochter niet te herkenbaar in beeld komt, want haar privacy wil ik niet helemaal schenden.
Maar tja, zij kiest er nog helemaal niet voor om in de publiciteit te komen. Dat moet zij ook nog niet doen. Dat komt nog wel en vermoedelijk zo snel dat we ervan schrikken. Hoe dan ook, wie ben ik om te beslissen dat ik een foto van haar online mag zetten? Maar tja tja... dan ben ik natuurlijk ook weer om de haverklap trots op mijn kind.
Tot mijn verbazing zie je over het hele Facebook ontzettend veel foto's van ouders die minder bewust foto's publiceren van hun kroost. En dan gaat het ook niet zelden om héél veel foto's ook. Vaak ook allemaal variaties op één foto. Als je heel snel beweegt wordt het een kort filmpje, zeg maar.
Wat te doen? Liken? Ik weet het niet. Opgeheven-vingertje-berichtje sturen? Bah... En dan mijmer ik maar weer dat vergelijkbare foto's van mij veel minder talrijk zijn en niet zonder enige moeite op internet kunnen komen.
Eén ding weet ik wel zeker: hoe trots ik ook ben op mijn kind, ik zal haar mooie gezicht nooit gebruiken als míjn avatar. Daar vraagt zij niet om en ik vraag me ook af of zij wel de legitimering moet zijn voor mijn bestaan - digitaal dan wel analoog. Getuige de enorme hoeveelheid avatars op TheFacesofFacebook.com zijn er bar veel mensen die honden, cavia's, tekenfilmfiguurtjes, sporters, acteurs, superhelden of gamepersonages gebruiken. Of ja: hun kroost.
Natalia Rojas heeft in elk geval een briljante site bedacht, waar we heerlijk kunnen kijken wie wat gebruikt om zichzelf mee in beeld te brengen op Facebook. Daar mogen we deze enorme slimmerik dankbaar voor zijn. Leuk detail: als je haar avatar wil zien, dan moet je naar... LinkedIn.
Volgens mij behoor ik tot de laatste generatie die zelf kan kiezen of jeugdfoto's via internet worden verspreid. Sowieso hoor ik bij een dankbare minderheid: mijn moeder heeft vlijtig een aantal chronologisch geordende en van nuttig commentaar voorziene fotoalbums met mij als middelpunt heeft meegegeven toen ik het ouderlijke huis verliet. Voordat zo'n foto op Facebook of elders op internet komt te staan, zal iemand de moeite moeten nemen om zo'n plaatje uit de plastic fotohoekjes (weet je nog?) los te peuteren en ze op een scanner te leggen.
Sinds een jaar of vijftien beginnen langzaam digitale camera's de analoge te verdringen in mijn bestaan. Dat betekent dat ik tot voorbij mijn studententijd een rolletje in mijn camera had zitten. Daarvan moest ik mij bij aanschaf afvragen welke ISO-waarde die had. Je maakte ook niet van elke fluttigheid een foto, want je had maximaal 36 opnames op zo'n filmpje.
Van mijn dochter is welhaast elke dag van haar vierjarige leven gedocumenteerd. Inmiddels ook in fikse HD-kwaliteit. Ik hoor bij die vaders die een soort van verliefd bij allerlei acties het mobieltje tevoorschijn tovert om een een aantal plaatjes te schieten; net zolang totdat er een perfect bevonden foto tussen zit. Die verdwijnen dan netjes in geordende mapjes op de computer en uit de eindeloze reeks foto's op de bank of in de achtertuin wordt dan af en toe een selectie gemaakt om af te drukken of in te lijsten.
Héél zelden zet ik eens iets op Facebook. Dan deel ik graag iets met vrienden. Want ja, natuurlijk ben ik een trotse vader. Wel zorg ik er dan voor dat onze dochter niet te herkenbaar in beeld komt, want haar privacy wil ik niet helemaal schenden.
Maar tja, zij kiest er nog helemaal niet voor om in de publiciteit te komen. Dat moet zij ook nog niet doen. Dat komt nog wel en vermoedelijk zo snel dat we ervan schrikken. Hoe dan ook, wie ben ik om te beslissen dat ik een foto van haar online mag zetten? Maar tja tja... dan ben ik natuurlijk ook weer om de haverklap trots op mijn kind.
Tot mijn verbazing zie je over het hele Facebook ontzettend veel foto's van ouders die minder bewust foto's publiceren van hun kroost. En dan gaat het ook niet zelden om héél veel foto's ook. Vaak ook allemaal variaties op één foto. Als je heel snel beweegt wordt het een kort filmpje, zeg maar.
Wat te doen? Liken? Ik weet het niet. Opgeheven-vingertje-berichtje sturen? Bah... En dan mijmer ik maar weer dat vergelijkbare foto's van mij veel minder talrijk zijn en niet zonder enige moeite op internet kunnen komen.
Eén ding weet ik wel zeker: hoe trots ik ook ben op mijn kind, ik zal haar mooie gezicht nooit gebruiken als míjn avatar. Daar vraagt zij niet om en ik vraag me ook af of zij wel de legitimering moet zijn voor mijn bestaan - digitaal dan wel analoog. Getuige de enorme hoeveelheid avatars op TheFacesofFacebook.com zijn er bar veel mensen die honden, cavia's, tekenfilmfiguurtjes, sporters, acteurs, superhelden of gamepersonages gebruiken. Of ja: hun kroost.
Natalia Rojas heeft in elk geval een briljante site bedacht, waar we heerlijk kunnen kijken wie wat gebruikt om zichzelf mee in beeld te brengen op Facebook. Daar mogen we deze enorme slimmerik dankbaar voor zijn. Leuk detail: als je haar avatar wil zien, dan moet je naar... LinkedIn.
maandag 3 juni 2013
Hoe het examen Nederlands er dan moet uitzien
Eigenlijk had ik dit stuk pas over twee weken willen publiceren, nadat de normering voor de examens vmbo, havo en vwo bekend zouden zijn. Een groep hoogleraren is mij voor met een petitie, waarin wordt opgeroepen het centraal schriftelijk eindexamen Nederlands anders in te vullen. (Onderteken die petitie, als je dat nog niet hebt gedaan!) Ik huiver echter om de bal nu te leggen bij de politiek, want ik zie neerlandici beter zelf een ter zake doende inhoud bedenken. Bovendien, er is al veel langer veel meer mis met de examinering van Nederlands. Die ellende wil ik niet alleen vaststellen, maar ik wil ook een aanzet geven om tot een goede oplossing te komen.
Mijn (oud-)leerlingen weten dat ik het eindexamentraject begin met de mededeling dat ik hen ga leren om punten te pakken; tekstverklaren doen ze maar op hun vervolgopleiding. Het eindexamen Nederlands bestaat nu uit een tekstverklaring en uit een zogenaamde geleide samenvatting. De moeilijkheid van deze onderdelen zit 'm niet in de teksten op zichzelf en zelfs niet altijd in de vragen erover. Het vervelende is dat het onduidelijk is waarvoor het CITO, de maker, punten toekent en hoeveel.
Vooral open vragen en de samenvatting leiden tot veel discussie. Vakgenootschap Levende Talen houdt elk jaar een groot overleg om vast te stellen waar de marges liggen voor de examinator. Daarmee moet je het dan doen, want naast het correctievoorschrift van het CITO is het Levende Talen-document je enige houvast.
Onduidelijke open vragen werken echter ook een soort fraude in de hand. De laatste vier schooljaren - het huidige incluis - heb ik vel arbeidsuren in de tweede correctie zitten omdat een collega probeert een soepelere manier van corrigeren erdoor te drukken. Strikt genomen is die ruimte er niet, maar in de ruimste zin kan over het nut en invulling én het antwoord op welhaast elke vraag discussie ontstaan. Ergo, je neemt het correctiemodel strikt en je snoeit in de dikwijls ruime puntentoekenning van je collega. Vreselijk vind ik dat eigenlijk.
Maar vreselijk vind ik het ook als collega's zich niet houden aan het systeem. Een collega die zijn leerlingen gemiddeld onrechtmatig - strikt genomen dus - punten toekent, vult deze resultaten ook in Wolf in (het puntenregistratiesysteem). Op die eerste invoer wordt de norm gebaseerd, maar die zou wel eens veel te streng kunnen uitpakken voor zijn examinandi als een tweede corrector zijn werk - strikt genomen dan - goed doet. Om boos van te worden, al weet je niet of je dat moet zijn op de mens of op het systeem.
Voor de leerlingen is het soms helemáál wazig wat er in zo'n examen moet gebeuren. Een persoonlijk voorbeeld: op een of andere middag sta ik geleid samenvatten uit te leggen aan een klas vol slimme, gemotiveerde gymnasiasten. Samen maken we een stuk op het bord en vervolgens leggen we het correctiemodel ernaast. Veel te dikwijls blijkt dat we punten missen die werkelijk vergezocht zijn (ook dit jaar staat er weer een voorbeeld in het Levende Talen-verslag). Onmiddellijk sta ik voor paal, want als ik het al niet zie, hoe moeten zíj daar punten halen? Tja, "CITO-denken is dat...", zeg je maar en daarbij roep je leerlingen erop te berusten dat zij wellicht nooit een tien kunnen halen. Dat is me een partij oneerlijk!
Schoolexamens
Het programma voor toetsing en afsluiting mag een school grotendeels zelf bepalen. Globaal is bepaald dat taal- én letterkunde moeten worden geëxamineerd, maar in welke proporties en zelfs op welke gronden is aan de scholen. Zo is het mogelijk dat een leerling op de ene school een acht haalt als hij zegt dat hij een bepaald boek ontroerend vond en daarbij huilt, op een andere school een cijfer wordt gebaseerd op een bijeengedownload boekendossier en bestaat er zelfs zoiets als onderwijs in 'leesplezier'. Het is goed mogelijk dat een intelligente gymnasiast, tjokvol potentie, zich aanmeldt bij een universitaire studie Nederlands in de volste overtuiging dat bananen een light motief zijn in Max Havelaar; zo'n leerling zat dat op de verkeerde school.
Doordat je literatuur (van oudsher enige culturele bagage) toetst én taalkunde (gewoonlijk woordkennis, stijl, spelling, grammatica en schrijfvaardigheid) toetst, is je SE-cijfer, op een goede school, een mooie mix van wat een leerling waard is voor het vak Nederlands. Een ander probleem dat rijst is dat de onderwijsinspectie eist dat het CE-cijfer niet meer dan 0,2 mag afwijken van het SE-cijfer. Het verschil in inhoud tussen SE en CE is echter zo groot, dat het schier onmogelijk is om binnen zo'n kleine marge te blijven. Dit werkt fraude mogelijk ook in de hand.
Close reading
Mijn invulling voor alle schoolexamens ligt besloten in het basisidee dat close reading het grootste fundament vormt voor het vak Nederlands. Een goede neerlandicus leest veel teksten met zijn leerlingen. Bij literaire teksten leer je kinderen dat er een context is (historisch en maatschappelijk) en dat de schrijver een palet aan middelen heeft om een krachtiger boodschap neer te zetten (stijl, beeldspraak, dat soort dingen) en dat in dit alles een ontwikkeling zit; een literair-historische lijn. Met andere woorden, ik lees graag samen met leerlingen een literaire tekst en dan staan we met elkaar stil waar iets moet worden verklaard. Daar doen we gerust een aantal lessen over doen en het resultaat loont echt.
Precies datzelfde geldt ook voor de zakelijke tekst. Ik vind het belangrijk dat een leerling ziet hoe een auteur zijn boodschap beter had kunnen verwoorden door alineaatjes anders in te delen of anderszins een tekst een andere structuur had gegeven. Of dat je leerlingen erop wijst hoe je door een andere woordkeus, of zelfs interpunctie, een sterkere boodschap kunt afgeven. Dat oefen je overigens passief (lezen) én actief (schrijven). Híer ligt de kern van het vak: precies, geïnformeerd en weloverwogen lezen. Bij een mondeling toets je immers ook of een leerling kan motiveren wát die denkt te hebben gelezen in een roman. Daar praat je samen over, niet over jouw interpretatie of die van een dode auteur die niet bij het gesprek is betrokken.
In een tijdperk waarin jonge mensen moeten leren om te gaan met de enorme diarree aan informatie die elke minuut over ons wordt heen gestort, is juist close reading een vaardigheid van doorslaggevend belang. Net zoals culturele bagage om die informatie mee te duiden. Daar moet niet te lichtzinnig over worden gedacht.
Invulling
Voor een examen moet je kunnen leren. Geschiedenis-, economie- en scheikunde-SE's toetsen kleinere brokken stof en bij je centraal schriftelijk moet je ervan getuigen dat je de complete stof beheerst. Bij Nederlands is het net alsof we eerst balbeheersing, dribbelen en penalty's examineren en in uiteindelijk een groot examen pianospelen afnemen. Dat kan dus best veranderen.
Voor het eindexamen lijkt het mij dan ook het verstandigst om uit te gaan van teksten. Daarbij leert de leerling netjes zijn signaalwoorden, begrippen en drogredenen, maar wordt hij ook getoetst op kennis van enige literatuurgeschiedenis. Het examen bestaat dan uit een deeltje taal- en een deeltje letterkunde. Zo kan er ook voor Nederlands worden geleerd en kan het vak gewoon weer netjes serieus genomen worden door onze leerlingen. Over de precieze invulling kunnen we uitvoerig delibereren; de basis ligt voor mij hier.
Mijn (oud-)leerlingen weten dat ik het eindexamentraject begin met de mededeling dat ik hen ga leren om punten te pakken; tekstverklaren doen ze maar op hun vervolgopleiding. Het eindexamen Nederlands bestaat nu uit een tekstverklaring en uit een zogenaamde geleide samenvatting. De moeilijkheid van deze onderdelen zit 'm niet in de teksten op zichzelf en zelfs niet altijd in de vragen erover. Het vervelende is dat het onduidelijk is waarvoor het CITO, de maker, punten toekent en hoeveel.
Vooral open vragen en de samenvatting leiden tot veel discussie. Vakgenootschap Levende Talen houdt elk jaar een groot overleg om vast te stellen waar de marges liggen voor de examinator. Daarmee moet je het dan doen, want naast het correctievoorschrift van het CITO is het Levende Talen-document je enige houvast.
Onduidelijke open vragen werken echter ook een soort fraude in de hand. De laatste vier schooljaren - het huidige incluis - heb ik vel arbeidsuren in de tweede correctie zitten omdat een collega probeert een soepelere manier van corrigeren erdoor te drukken. Strikt genomen is die ruimte er niet, maar in de ruimste zin kan over het nut en invulling én het antwoord op welhaast elke vraag discussie ontstaan. Ergo, je neemt het correctiemodel strikt en je snoeit in de dikwijls ruime puntentoekenning van je collega. Vreselijk vind ik dat eigenlijk.
Maar vreselijk vind ik het ook als collega's zich niet houden aan het systeem. Een collega die zijn leerlingen gemiddeld onrechtmatig - strikt genomen dus - punten toekent, vult deze resultaten ook in Wolf in (het puntenregistratiesysteem). Op die eerste invoer wordt de norm gebaseerd, maar die zou wel eens veel te streng kunnen uitpakken voor zijn examinandi als een tweede corrector zijn werk - strikt genomen dan - goed doet. Om boos van te worden, al weet je niet of je dat moet zijn op de mens of op het systeem.
Voor de leerlingen is het soms helemáál wazig wat er in zo'n examen moet gebeuren. Een persoonlijk voorbeeld: op een of andere middag sta ik geleid samenvatten uit te leggen aan een klas vol slimme, gemotiveerde gymnasiasten. Samen maken we een stuk op het bord en vervolgens leggen we het correctiemodel ernaast. Veel te dikwijls blijkt dat we punten missen die werkelijk vergezocht zijn (ook dit jaar staat er weer een voorbeeld in het Levende Talen-verslag). Onmiddellijk sta ik voor paal, want als ik het al niet zie, hoe moeten zíj daar punten halen? Tja, "CITO-denken is dat...", zeg je maar en daarbij roep je leerlingen erop te berusten dat zij wellicht nooit een tien kunnen halen. Dat is me een partij oneerlijk!
Schoolexamens
Het programma voor toetsing en afsluiting mag een school grotendeels zelf bepalen. Globaal is bepaald dat taal- én letterkunde moeten worden geëxamineerd, maar in welke proporties en zelfs op welke gronden is aan de scholen. Zo is het mogelijk dat een leerling op de ene school een acht haalt als hij zegt dat hij een bepaald boek ontroerend vond en daarbij huilt, op een andere school een cijfer wordt gebaseerd op een bijeengedownload boekendossier en bestaat er zelfs zoiets als onderwijs in 'leesplezier'. Het is goed mogelijk dat een intelligente gymnasiast, tjokvol potentie, zich aanmeldt bij een universitaire studie Nederlands in de volste overtuiging dat bananen een light motief zijn in Max Havelaar; zo'n leerling zat dat op de verkeerde school.
Doordat je literatuur (van oudsher enige culturele bagage) toetst én taalkunde (gewoonlijk woordkennis, stijl, spelling, grammatica en schrijfvaardigheid) toetst, is je SE-cijfer, op een goede school, een mooie mix van wat een leerling waard is voor het vak Nederlands. Een ander probleem dat rijst is dat de onderwijsinspectie eist dat het CE-cijfer niet meer dan 0,2 mag afwijken van het SE-cijfer. Het verschil in inhoud tussen SE en CE is echter zo groot, dat het schier onmogelijk is om binnen zo'n kleine marge te blijven. Dit werkt fraude mogelijk ook in de hand.
Close reading
Mijn invulling voor alle schoolexamens ligt besloten in het basisidee dat close reading het grootste fundament vormt voor het vak Nederlands. Een goede neerlandicus leest veel teksten met zijn leerlingen. Bij literaire teksten leer je kinderen dat er een context is (historisch en maatschappelijk) en dat de schrijver een palet aan middelen heeft om een krachtiger boodschap neer te zetten (stijl, beeldspraak, dat soort dingen) en dat in dit alles een ontwikkeling zit; een literair-historische lijn. Met andere woorden, ik lees graag samen met leerlingen een literaire tekst en dan staan we met elkaar stil waar iets moet worden verklaard. Daar doen we gerust een aantal lessen over doen en het resultaat loont echt.
Precies datzelfde geldt ook voor de zakelijke tekst. Ik vind het belangrijk dat een leerling ziet hoe een auteur zijn boodschap beter had kunnen verwoorden door alineaatjes anders in te delen of anderszins een tekst een andere structuur had gegeven. Of dat je leerlingen erop wijst hoe je door een andere woordkeus, of zelfs interpunctie, een sterkere boodschap kunt afgeven. Dat oefen je overigens passief (lezen) én actief (schrijven). Híer ligt de kern van het vak: precies, geïnformeerd en weloverwogen lezen. Bij een mondeling toets je immers ook of een leerling kan motiveren wát die denkt te hebben gelezen in een roman. Daar praat je samen over, niet over jouw interpretatie of die van een dode auteur die niet bij het gesprek is betrokken.
In een tijdperk waarin jonge mensen moeten leren om te gaan met de enorme diarree aan informatie die elke minuut over ons wordt heen gestort, is juist close reading een vaardigheid van doorslaggevend belang. Net zoals culturele bagage om die informatie mee te duiden. Daar moet niet te lichtzinnig over worden gedacht.
Invulling
Voor een examen moet je kunnen leren. Geschiedenis-, economie- en scheikunde-SE's toetsen kleinere brokken stof en bij je centraal schriftelijk moet je ervan getuigen dat je de complete stof beheerst. Bij Nederlands is het net alsof we eerst balbeheersing, dribbelen en penalty's examineren en in uiteindelijk een groot examen pianospelen afnemen. Dat kan dus best veranderen.
Voor het eindexamen lijkt het mij dan ook het verstandigst om uit te gaan van teksten. Daarbij leert de leerling netjes zijn signaalwoorden, begrippen en drogredenen, maar wordt hij ook getoetst op kennis van enige literatuurgeschiedenis. Het examen bestaat dan uit een deeltje taal- en een deeltje letterkunde. Zo kan er ook voor Nederlands worden geleerd en kan het vak gewoon weer netjes serieus genomen worden door onze leerlingen. Over de precieze invulling kunnen we uitvoerig delibereren; de basis ligt voor mij hier.
zaterdag 18 mei 2013
Van Ti-ta Tovenaar naar Grobbebollen
De sprekers op de SURF Edubloggers Meetup van afgelopen dinsdag hebben me geïnspireerd om een aantal ideeën nog eens goed op te schrijven. Hieronder een kleine overweging die ik - tussen heel veel andere - kreeg. De voornaamste zaken die in mij zijn opgekomen moet ik écht nog nader uitwerken en omzetten in eigen beleid. Hierover in de toekomst meer.
Wel zat ik op een gegeven moment te bedenken hoe mijn colleges historische letterkunde zijn veranderd sinds studenten tablets en laptops meebrengen. Meestal doen we daar natuurlijk aan close reading van oude teksten. Om deze enigszins te kunnen begrijpen, leid ik die nogal eens in met contextuele informatie. Mijn studenten nemen - terecht - geen genoegen ermee als ik zeg dat iets ongeveer in dat en dat jaar was. À la minute schalt het correcte jaartal (meestal met datum) door de ruimte. Met dank aan Wikipedia.
In de foyer van SURFnet hingen grote posters waarop in mooi getekende lemniscaten de resultaten stonden getekend van brainstorms die eerder zijn gehouden met mensen uit het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Bij een afbeelding die mij vooral opviel stond: "Ti-ta Tovenaar wordt grobbebol." Allicht ken ik de televisieserie, maar de opmerking op die plek vond ik raadselachtig.
Tabee cognitieve colleges
"Misschien wordt hier de veranderende rol van de docent bedoeld," opperde Maurice van den Akker, teamleider Mobiel bij SURF. De docent die van alwetend verandert in coachend of zoiets. Daar had Maurice wel een punt.
Cognitieve colleges zijn mijns inziens niet meer interessant om te geven. Als docent zie ik het eerder als mijn rol om verbanden en grotere gehelen aan te wijzen, om studenten te inspireren om ook eens iets uit te zoeken over wat een bepaalde filosoof schreef, welke politieke ontwikkelingen er ergens waren en hoe op dit alles in literaire werken wordt gereflecteerd. Dat is een stuk wezenlijker.
Afgelopen woensdag heb ik mijn tweedejaars studenten geprobeerd om de warrige periode tussen 1747 en 1830 enigszins uit te leggen, met name de rol van de Oranjes daarin. Vervolgens wilde ik een paar stukken tekst lezen uit de Janus. Dat ga ik een volgende keer weer anders doen, denk ik nu.
De benodigdheden voor goed onderwijs in dit geval zijn er - meen ik - drie in getal: het loslaten van mijn ego, het aanbieden van een digitale achtervang en systeembeheer bij de student.
Allereerst ben ik degene die het idee moet loslaten dat ik de spil ben waarom de kennisverwerving van de student draait. Ik moet niet meer het gevoel hebben de alwetende leraar te zijn die wel eens eventjes vertelt wat er op literair gebied allemaal is gebeurd in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Uit eigen ervaring kan ik vertellen dat dit een buitengewoon bevrijdende gedachte is, want ook studenten verwachten niet meer dat je alwetend bent. Zo kun je fijn samen gaan zoeken naar antwoorden en gaande de weg academische vaardigheden met hen oefenen. Daar hebben we allemaal veel meer aan.
Belangrijk is wel een site die studenten een portaal biedt waarvan uit de weg gevonden kan worden naar de benodigde achtergrondinfo. Op die site bied ik in dit geval een tijdbalk aan en verwijzingen naar relevante en verantwoorde artikelen. Dit alles bouw ik op een stam die ik gemakshalve een canon van werken ben gaan noemen. Niet als keurslijf - bah!-, maar als uitgangspunt.
De student maakt zelf, naar rato, eigen inzicht en vermogen, een naslagwerk waar de cognitieve data wordt verwerkt. Vooral het maken van een tijdbalk blijft een aanrader en daarvoor geef ik dus een aanzet. Het naslagwerk mag de student ook ter tentamen meenemen, want ik geef de student toch weer allerlei teksten waarvan hij - hoop ik - nog nooit heeft gehoord.
De colleges zijn dan de plek waar het inzicht kan voortschrijden, waar vragen kunnen worden gesteld en waar geïnterpreteerd kan worden. Ook voor mij, want uiteindelijk probeer ik ook maar wat; al mag ik aannemen dat het ook bij deze grobbebol altijd blijft gaan om een educated guess...
Wel zat ik op een gegeven moment te bedenken hoe mijn colleges historische letterkunde zijn veranderd sinds studenten tablets en laptops meebrengen. Meestal doen we daar natuurlijk aan close reading van oude teksten. Om deze enigszins te kunnen begrijpen, leid ik die nogal eens in met contextuele informatie. Mijn studenten nemen - terecht - geen genoegen ermee als ik zeg dat iets ongeveer in dat en dat jaar was. À la minute schalt het correcte jaartal (meestal met datum) door de ruimte. Met dank aan Wikipedia.
In de foyer van SURFnet hingen grote posters waarop in mooi getekende lemniscaten de resultaten stonden getekend van brainstorms die eerder zijn gehouden met mensen uit het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Bij een afbeelding die mij vooral opviel stond: "Ti-ta Tovenaar wordt grobbebol." Allicht ken ik de televisieserie, maar de opmerking op die plek vond ik raadselachtig.
Tabee cognitieve colleges
"Misschien wordt hier de veranderende rol van de docent bedoeld," opperde Maurice van den Akker, teamleider Mobiel bij SURF. De docent die van alwetend verandert in coachend of zoiets. Daar had Maurice wel een punt.
Cognitieve colleges zijn mijns inziens niet meer interessant om te geven. Als docent zie ik het eerder als mijn rol om verbanden en grotere gehelen aan te wijzen, om studenten te inspireren om ook eens iets uit te zoeken over wat een bepaalde filosoof schreef, welke politieke ontwikkelingen er ergens waren en hoe op dit alles in literaire werken wordt gereflecteerd. Dat is een stuk wezenlijker.
Afgelopen woensdag heb ik mijn tweedejaars studenten geprobeerd om de warrige periode tussen 1747 en 1830 enigszins uit te leggen, met name de rol van de Oranjes daarin. Vervolgens wilde ik een paar stukken tekst lezen uit de Janus. Dat ga ik een volgende keer weer anders doen, denk ik nu.
De benodigdheden voor goed onderwijs in dit geval zijn er - meen ik - drie in getal: het loslaten van mijn ego, het aanbieden van een digitale achtervang en systeembeheer bij de student.
Allereerst ben ik degene die het idee moet loslaten dat ik de spil ben waarom de kennisverwerving van de student draait. Ik moet niet meer het gevoel hebben de alwetende leraar te zijn die wel eens eventjes vertelt wat er op literair gebied allemaal is gebeurd in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Uit eigen ervaring kan ik vertellen dat dit een buitengewoon bevrijdende gedachte is, want ook studenten verwachten niet meer dat je alwetend bent. Zo kun je fijn samen gaan zoeken naar antwoorden en gaande de weg academische vaardigheden met hen oefenen. Daar hebben we allemaal veel meer aan.
Belangrijk is wel een site die studenten een portaal biedt waarvan uit de weg gevonden kan worden naar de benodigde achtergrondinfo. Op die site bied ik in dit geval een tijdbalk aan en verwijzingen naar relevante en verantwoorde artikelen. Dit alles bouw ik op een stam die ik gemakshalve een canon van werken ben gaan noemen. Niet als keurslijf - bah!-, maar als uitgangspunt.
De student maakt zelf, naar rato, eigen inzicht en vermogen, een naslagwerk waar de cognitieve data wordt verwerkt. Vooral het maken van een tijdbalk blijft een aanrader en daarvoor geef ik dus een aanzet. Het naslagwerk mag de student ook ter tentamen meenemen, want ik geef de student toch weer allerlei teksten waarvan hij - hoop ik - nog nooit heeft gehoord.
De colleges zijn dan de plek waar het inzicht kan voortschrijden, waar vragen kunnen worden gesteld en waar geïnterpreteerd kan worden. Ook voor mij, want uiteindelijk probeer ik ook maar wat; al mag ik aannemen dat het ook bij deze grobbebol altijd blijft gaan om een educated guess...
maandag 22 april 2013
Ewbank: schrijf een lied over cyberpesten!
Op een dag dat een Leidse scholier de gemiddelde internetgebruiker leert wat 4Chan is, Bram Moszkowicz een bedroevende dag heeft, ijlt ook het koningslied-gebeuren na. Die discussie gaat wat mij betreft ook helemaal niet meer over de kwaliteit van dat lied; het gaat mij veeleer om allerlei vreselijke verwensingen die componist John Ewbank naar zijn hoofd geslingerd heeft gekregen. Hopelijk tonen die niet aan dat de gemiddelde gebruiker van social media ongeneeslijk dom is, maar het geeft wel te denken. Het jegens Ewbank tentoongespreide gedrag is natuurlijk alleszins dom.
De affaire is een verdrietige, vergrote versie van wat er zomaar kan gebeuren op social media. Het is immers véél te gemakkelijk om met enkele drukken op de knop iemand de meest ellendige verwensingen toe te sturen. Je vraagt je hier af of de meeste mensen twintig jaar geleden ook de moeite hadden genomen om een boze brief te sturen. Dat kost toch heel wat meer moeite.
Ewbank moet en mag daar gewoon bovenstaan. Bovendien: hij
hoeft zijn lied helemaal niet terug te trekken! Hij moet gewoon voor het koningslied gaan staan dat hij heeft afgeleverd met alle andere BN'ers. Natúúrlijk! Hij heeft zoveel liedjes geschreven die zoveel mensen mooi vinden en bovendien begeef je je nu vooral op het gebied van smaak. Daarover valt immers niet te twisten. Gelukkig staat het NPO ook achter hem. Dat is netjes en dat hoort zo.
En: hoe trek je een liedje terug? Ik heb het nu nog in mijn hoofd. Geen idee wat je daaraan kunt doen.
Sterker nog, zijn koningslied voldoet aan alle hierboven gestelde voorwaarden. Bedenkelijke tekst (ook een social media-product overigens): check. Tekst waarin een Oranje wordt opgehemeld en als 'samenbindende factor' wordt opgesteld: check. Zelfs het acrostichon is helemaal teruggebracht tot de 'W van Willem'. Niets meer aan doen!
Om bovendien een goede bundel samen te stellen - zoals de boekjes die ik in mijn vorige schrijfsel aanhaal - is het zelfs alleen maar goed dat de Bauers en Kroesen zich in het feestgedruis mengen.
Maar ja, het was al duidelijk in de achttiende eeuw: als je op nationaal niveau ook maar íets doet omtrent een Oranje, dan speel je met krachten die onbeheersbaar zijn. Dat blijkt ook nu.
Cyberpesten is een vreselijk fenomeen. Het is schrikbarend hoe snel en goed je in beeld krijgt tegenwoordig hoeveel wind een hoge boom kan vangen. Ewbank moet dáár gewoon boven staan. Ook als ik persoonlijk niet mooi vind wat hij brengt; de mens val ik niet aan.
"Paraplu in een zeikregen." Dat vond ik een hele goede vondst. Misschien kan John Ewbank zijn recente ervaringen met cyberpesten verwerken in een mooi bluesnummer dat we dan meteen in het onderwijs kunnen inzetten!
donderdag 18 april 2013
Koningslied is uiteindelijk prima
| Het nieuwe Oranje liedeboek (exemplaar KB) |
Op het oog lijkt het alsof een lied dat is gemaakt voor één of ander lid van de Oranje-familie (van oudsher een stadhouder en na Lodewijk-Napoleon dus koning) in elk geval drie kenmerken bevat: het is een contrafact, het hele geslacht vanaf Willem de Zwijger dient te worden aangeprezen en bij voorkeur is er sprake van een acrostichon. Als je dit weet, dan flans je zo'n lied met enige snelheid in elkaar.
Contrafact
Onze voorouders hebben de gewoonte gehad om nieuwe teksten te rijmen op al bestaande melodieën. Op die manier was het immers mogelijk om enig succes te hebben met een lied; want men wist al hoe het gezongen moest worden. Er was natuurlijk nog geen radio om met een enorme snelheid nieuwe melodietjes onder de mensen te brengen. Zo'n lied wat is gedicht op een melodie die al bij een ander lied hoort noemen we een contrafact.
Als je een bundel met voor een Oranje geschreven liedjes ter hand neemt, zoals Het nieuwe Oranje liedeboek (uit 1767, te vinden in de Koninklijke Bibliotheek Den Haag en de Universiteitsbibliotheek Leiden), De opperadmiraal van Holland (1775, zowel in de KB als de UB Leiden) of de Oranje-krans (1788, Universiteitsbibliotheek Amsterdam), weet je dat je te maken hebt met documenten uit de buitengewoon roerige tijden waarin patriotten en orangisten lijnrecht tegenover elkaar stonden. Desondanks is duidelijk dat de lezer van zo'n bundel in elk geval werd geacht het Wilhelmus te kennen, want op die melodie werd het vaakst een contrafact gemaakt.
Zo luidt het eerste couplet van het eerste lied in Het nieuwe Oranje liedeboek op stadhouder Willem V als volgt:
Komt Jonge en gy ouwen /
En zingt met hert en Mond /
Wilhelmus van Nassouwe /
En vierd op goede grond /
Prins Willems dag verheeven /
Van tweemael negen Jaer /
Godt heeft hem ons gegeeven /
Wat is 't een blyde maer.
Leve de Oranjes!
Deze 'blyde maer' (boodschap) is dat de toenmalige prins van Oranje op 8 maart 1766 tot stadhouder werd benoemd en daarbij admiraal van de vloot en kapitein-generaal van de landmacht. Er is geen twijfel mogelijk; de Oranjes zijn door God aan ons vaderland geschonken en daarom zijn wij uitverkoren. Een bedenkelijke kant aan het erfelijke stadhouderschap zie je ook meteen: wij verwachten dat een Oranje zijn leven voor ons geeft. Dat lees je allemaal iets verderop in de bundel ook in het derde lied, overigens gezongen op O Holland schoon.
O Holland schoon leef lang in vree /
Met uwen Prins verheven /
Den Hemel zy hem altyd mee /
En spaer hem lang in 't leven /
Geteeld uit 't Edel Huys Nassouw /
Die voor ons Nederland getrouw /
Moet lyf en leven wagen ;
Men zal Oranje dragen.
Acrostichon
Natuurlijk is het Wilhelmus zelf de belangrijkste van alle Oranjeliederen. Het oorspronkelijk vlot gezongen stijdlied heeft een bijzonder boeiende geschiedenis op zichzelf. Een voornaam kenmerk van deze tekst is, zoals bekend, dat alle eerste letters van de coupletten samen het acrostichon WILLEM VAN NASSOV vormen (waarbij je de laatste letter als een U dient te lezen). In Oranjeboekjes kom je nogal eens een tekst tegen waar de dienstdoende dichter zich te buiten gaat aan deze manier van werken. Een echte Oranjefan kent blijkbaar immers niet alleen allerhande liederen, maar hij kan ook gedichten reciteren.
In de Oranjekrans vind je enkele fraaie voorbeelden onder 'Eenige Oranje spreuken'. Je ziet dat er geen twijfel bestaat bij de dichter dat een Oranje meer is dan een stadhouder; hij is een vorst. Aan het einde van de achttiende eeuw zie je al langzaam een soort opmaat naar het koningschap verschijnen in teksten als hieronder. Let dus ook op de beginletters van elke regel, die de drukker een kwartslag heeft gedraaid.
Of anders voor zes regels
W ees lang, ô dierbre Vorst!
D oorluchtig hooggebooren!
V an wien men zeggen dorst,
Y a, dat uw Eer bemorst,
F luks is ons Land verlooren,
D en Hemel Koning die houd over u de wagt
E euw in, Eeuw uit, tot aan uw laatste Na-geslagt.
Of anders, van agt regels.
P ast het nu geen Eereboogen,
V oor ons Ovrigheid hun oogen,
O p te stellen, vol cieraad,
R oepende met bly gelaat,
A l gelyk, Oranje boven!
N ooit mag zyne naam verdooven,
J a, God geeft hem wys beleid,
E n zyn Nageslagt altyd.
Of anders.
W aar zal ik myne vreugt mee toonen,
I k vlegt tot Nassau's Eer deez' kroonen,
L eef lang, ô Willem, Neêrlands lust!
L eef tot Gods Eer, wiens zegen rust,
E euw in, Eeuw uit, op uw geslagt,
M et ondersteuning zyner kragt,
D ie u als middel komt gebruiken,
E n zo onz' Vyands magt doet snuiken,
V oorwaar, God heeft ons bygestaan,
E n aan ons Land wat groots gedaan,
Y a, daar ons Kerk en Staatbouw schud',
F luks zend de Heer ons tot een stut,
D ie trouwe Vorst, Prins van Oranje!
E en Zaad, die ons verlost' van Spanje.
Het moge dus volkomen duidelijk zijn: de familie van Oranje is van koninklijke komaf, want Willem III had zich verbonden aan het Engelse koningshuis. Dat betekent dat we zonder bang te zijn kunnen vertrouwen op het ganse geslacht, ook in de toekomst. Immers, roemruchte voorouder Willem de Zwijger heeft ons ooit eens van Spanje verlost, dus als we een Oranje hadden opgesteld in het nationale voetbalelftal van 2010, dan hadden we de wereldbeker ook nog gewonnen, of zoiets.
Hatseflats
Kortom, als we gewoon het Wilhelmus als contrafact pakken, de hele koninklijke familie roemen (verdere inspiratie dus niet nodig) en gewoon Willem-Alexander als acrostichon gebruiken dan hebben we in een handomdraai een koningslied geschreven. Al te verheven ingewikkeld hoeft de tekst niet te zijn (voor de X bedenken we ook wel iets). We hebben dus helemaal geen Ewbank-melodietje nodig, geen website en geen naar alle hoeken uitvliegende keuze van onderwerp.
Dan kun je nog wel klagen over de naar aandacht hunkerende artiesten die willen meezingen, maar dat moet je hen niet kwalijk nemen; dat is inherent aan hun werk. Intellectueel en ethisch is er geen enkele gezonde reden te bedenken om iemand door erfopvolging tot staatshoofd te benoemen, maar ook daarover moeten we niet zeuren; het voortbestaan van het koningschap is inmiddels een democratisch besluit. Bovendien hebben we geluk dat ook de huidige Oranje een intelligent en integer mens lijkt te zijn. Nee, misschien moeten we niet te moeilijk doen over dit alles, vlug naar een of andere drogisterij rennen om wat oranje prut te kopen en met onze ogen dicht, héél hard zingen. Het gaat nu alleen maar om de 'samenbindende functie'!
Ik heb al wel een idee voor het lied. Het begint met een W en het heeft vijftien coupletten.
Ik heb al wel een idee voor het lied. Het begint met een W en het heeft vijftien coupletten.
P.S. Het bundeltje De opperadmiraal van Holland moet je - verwacht ik - vooral zien in het licht van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog en de onlusten tussen het Verenigd Koninkrijk en de Republiek der Nederlanden die uiteindelijk leiden tot de Vierde Engelse Oorlog; in deze voorvaderlandse propaganda worden de Engelsen als onbetrouwbaar, heers- en krijgszuchtig neergezet. Maar dat terzijde.
P.P.S. De drie van het jaartal op het voorblad van Het nieuwe Oranje liedeboek is er met de hand, foutief opgeschreven. In het boek staan liederen die slaan op verschillende gebeurtenissen in 1766. Het boekje moet dus in dat jaar of erna gedateerd worden.
P.P.S. De drie van het jaartal op het voorblad van Het nieuwe Oranje liedeboek is er met de hand, foutief opgeschreven. In het boek staan liederen die slaan op verschillende gebeurtenissen in 1766. Het boekje moet dus in dat jaar of erna gedateerd worden.
Abonneren op:
Posts (Atom)
