"Vwo-examen Nederlands niet leuk en niet nuttig", kopt het op de website van Onze Taal. Als je zoiets leest, dan ben je toch even benieuwd, als neerlandicus. Dat deze bewering voor rekening van Onze Taal komt, zie je onmiddellijk als je doorklikt naar het artikel van Bas Jongelen dat hier blijkt te worden aangehaald: het is Jongelen te doen om de samenvattingsopdracht. Volgens hem was het eindexamen Nederlands in zijn tijd nog min of meer het echte werk, terwijl hij de samenvattingsopdracht van nu "een kunstje" noemt. Ik ben het niet met hem eens.
Toegegeven, ik ben niet gelukkig met de opdracht om geleid samen te vatten. De reden is echter inhoudelijk: dikwijls wordt er bij het CITO - op subpuntenniveau - een inhoudelijke keuze gemaakt die ik niet helemaal volg als ik op eigen kracht het examen maak. Dat betekent dat het voor leerlingen schier onmogelijk wordt om het totale aantal scorepunten te behalen.
De geleide samenvatting is in deze vorm gegroeid, omdat voorgaande vormen moeilijker waren om geobjectiveerd te corrigeren. Om die reden bestaat de tekstverklaring vooraf ook voornamelijk uit multiplechoicevragen. Door het aanbrengen van een aantal criteria waaraan een samenvatting moet voldoen, is de uiteindelijke tekst van de leerling in een aantal stukken te verdelen die weer op zichzelf nagekeken kunnen worden. Dat is de reden waarom het CITO ooit aan deze vorm van samenvatten is begonnen.
Als je goed naar de inhoud van zo'n opdracht kijkt, dan zie je dat een leerling nog steeds moet uitvinden welke zaken er allemaal in zijn eigen tekst moeten zitten. Sommige punten bestaan uit twee of meer subpunten en met alleen het opschrijven van kernzinnen haal je nog niet eens een derde van de totale score. Bovendien krijg je vrijwel nooit punten als je de tekst achter de structuurduiders alleen al hebt overgepend. Een kunstje is deze opdracht zeker niet, maar gelukkig is het ook allerminst. Maar als iemand mij een betere vorm van examineren kan leveren, dan hoor ik die graag.
Dat een tekst niet leuk is, dat zie ik ook. Volgens mij is dat een vuistregel bij het CITO: nooit een leuke tekst in een examen stoppen. Teksten bij Nederlands gaan al jaren over zaken waarmee leerlingen zich ten gunstigste tien jaar later gaan bezighouden, maar deze teksten zijn gelukkig nog niet zo oubollig als die van het examen Frans. Die teksten vind ik altijd nog erger.
Ik stel mij ook zo'n situatie voor bij het CITO. Dat er 's ochtends zo'n werknemer juichend binnenkomt met een tekst uit de Elsevier of een dergelijke bron:
- "Jongens, nou heb ik toch een leuke tekst!"
- "Doe maar gauw weg. Daar gaan we niets mee doen. Vergeet het maar."
Jongenelen beweert in zijn stuk bovendien iets dat mij tegen de borst stuit: poëzieonderwijs zou volgens hem alleen maar zijn voor de mooiigheid; nuttig zou het niet zijn. Volgens mij is juist het tegendeel het geval. Totdat de mensheid in staat is om op telepatische wijze met elkaar te communiceren - en je mag je ernstig afvragen of dit ooit het geval zal zijn - zullen we behept zijn met taal, een primitievere vorm van communicatie. De meeste taaluitingen zijn mededelingen, vragen en anderszins zakelijke boodschappen. Het is ook belangrijk als mensen proberen om een niveau hoger te gaan zitten door gevoel te willen omzetten in taal door middel van poëzie of om het even welke andere vorm van kunst. Jonge mensen op dit verschijnsel en op de basale technieken wijzen vind ik een groot goed.
Elk jaar heb ik wel weer een paar van die knapen wiens enige poëtische kennis zich uitstrekt tot hetgeen tijdens pakjesavond plaatsvindt of bij wie het enige bekende rijmgoed het refrein van het clublied van N.E.C. is. Ik vind het fijn dat ik het repetoire van kan verbreden en kan verdiepen. Daarnaast: als ik een gedicht met leerlingen analyseer op het digibord, laat ik met allerlei kleuren zien wat de dichter allemaal in zo'n tekst heeft gestopt. Als ik dan vraag of de leerlingen de dichter in kwestie een vakman (-vrouw) vinden, dan gaan toch altijd haast alle vingers omhoog, los van de smaak. Kennis van literatuur en van poëzie blijf ik van eminent belang vinden, mensen die mij kennen weten dat ik dit al vaak genoeg heb gezegd.
Het gezeur over taalvaardigheid van jongeren van nu is niet van de lucht, ook niet in de commentaren op het weblog van Jongenelen. De analyse voor dit probleem is moeilijk, bestrijkt meerdere onderdelen en jaren en ook een oplossing is meerledig. In elk geval weet ik zeker dat het niet goed is dat een vwo-leerling in de bovenbouw maar twee lesuren effectief Nederlands heeft. (Daar moet je nog een derde uur aan toevoegen dat wordt besteed aan keuzewerktijd of een andere vrucht van de Tweede Fase.) volgens mij is er geen land in de wereld dat zo weinig moedertaalonderwijs geeft aan de hoogste intellectuele opleiding. Graag had ik eens de tijd en rust om eens met mijn leerlingen uitgebreid het schrijven van een fatsoenlijke tekst of het lezen van een mooi stuk proza te behandelen. Nu is Nederlands voor veel leerlingen het sluitstuk op de begroting; alle andere vakken lijken belangrijker. Langetermijndoelen, zoals goed kunnen samenvatten, is iets dat je leert door veel te oefenen en die tijd alleen al hiervoor is er veel te vaak veel te weinig.
Gevoelens onder woorden brengen is goud. Maar het is meer dan zilver als je goed kan omgaan met welke tekst dan ook. Totdat er wat beters wordt bedacht om te examineren voor het mooie vak Nederlands is de combinatie tekstverklaren en samenvatten de beste optie, niet eens de minst slechte. Gezien alle reacties op onderaan het stuk van Jongenelen durf ik deze bewering gerust te doen; verreweg de meeste gaan slechts over een aspect van Jongelens tekst en niet over het geheel. - En dan zwijg ik over het taalgebruik hier en daar. - Bovendien: ook bij het genootschap Onze Taal zou het samenvatten van iemands artikel in één zin nog even geoefend moeten worden, in dit geval.
Over game-based storytelling, teambuilding, persoonlijkleiderschap, blended learning en andere vehikels voor het vergroten van vertrouwen.
dinsdag 15 mei 2012
vrijdag 4 mei 2012
Google Drive scoort in cloudbattle met Dropbox en Skydrive
In het woord systeembeheer zitten twee elementen: systeem en beheer. Dat betekent dat iemand die te maken heeft met veel informatie deze dus het beste goed georganiseerd kan opbergen en dat er regelmatig onderhoud gepleegd dient te worden. Omdat verreweg de meeste informatie die we genereren en verwerken digitaal is, kun je mijns inziens het beste veel gebruik maken van online opslagmogelijkheden. Op die manier kun je altijd bij je spulletjes en dat is handig: mensen vragen je wel eens wat. Er zijn nogal wat opties om je informatie op te slaan in "de cloud" en ze hebben allemaal hun voors en tegens.
Deze week heeft Google in mijn ogen een belangrijke score geboekt in de zogenaamde "cloudbattle", de strijd tussen de grote partijen op het gebied van het online opslaan van documenten en andere bestanden. Omdat ik geen Apple-gebruiker ben, betekent dit dat voor mij de belangrijkste drie aanbieders de volgende zijn: Google Docs - nu dus Drive -, Microsoft met de Skydrive en Dropbox. Hoewel ik mensen ken die zweren bij een van de drie producten, ben ik er nog niet helemaal uit welke de handigste is. Wel merk ik dat ik de Skydrive veel gebruik. Maar waarom eigenlijk?
Een paar jaar geleden ben ik helemaal omgegaan naar Google. In mijn Gmail komen al mijn mailadressen geordend binnen (geloof me, je hebt er zo een aantal, als je op verschillende plekken werkt, onderzoekt of je diensten aanbiedt), ik had al een Youtube-account met eigen materiaal toen Google de zaak overnam, dit Edublog loopt via Blogger en ik heb met veel plezier gebruik gemaakt van Google Docs. Sinds ik een Android-telefoon heb is alles helemaal handig geworden voor me.
Google Docs
Het prettige aan GDocs vond ik meteen de webbased programma's om te tekstverwerken, spreadsheets te maken en andere zaken te doen. Omdat Google de bestanden opsloeg in een eigen formaat, waren de bestanden ook relatief klein ten opzichte van Microsoft Office-bestanden, maar alles was compatibel. Bovendien was de integratie met Gmail altijd perfect. Nadeel vond ik altijd wel dat maar heel weinig mensen in mijn omgeving ook gebruik maakten van GDocs. Dat betekende dat ik nogal vaak zaken naar Word moest converteren en als ik zaken terugkreeg met verbeteringen - met die functie dat er van alles in de kantlijn staat - dan kon ik het zaakje niet meer fatsoenlijk opslaan in GDocs.
Bovendien: presentaties werden altijd erg primitief opgeslagen bij Google. Ik gebruik nooit veel effecten als ik een Powerpointje maak en zelden heb ik meer dan 8 dia's - inclusief begin- en einddia. Eenvoudige zaken als in- en uitfaden waren evenwel niet mogelijk. Daarom greep ik al snel terug naar Powerpoint.
Skydrive
De Skydrive van Microsoft heeft altijd de meeste ruimte geboden: 25 GB, tegen 1GB van GDocs en 1GB van Dropbox. Het gevolg van dit aanbod betekende dat ik alle ter zake doende documenten - op het gebied van onderwijs en wetenschap - die ik de afgelopen 15 jaar heb geproduceerd aldaar heb opgeslagen. Sinds Microsoft eenvoudige webbased Word- en Excel-versies heeft, betrap ik me erop dat ik nogal vaak online zit te werken aan mijn bestanden. Eén nadeel is wel dat Word online geen voetnoten kan maken, waar GDocs dat wel kan. Dit klinkt pietluttig, maar bij het schrijven van een wetenschappelijk artikel is die functie onmisbaar.
Het belangrijkste voordeel van de Skydrive is dat het perfect synchroon loopt met Microsoft Office. Je kunt bestanden ook in de gewone programma's openen en dan kun je natuurlijk alles doen wat je altijd al deed. En boven dit alles is het nu eenmaal zo dat verreweg de meeste wetenschappers en leraren gebruik maken van Word, Excel en Powerpoint. De omgeving dwingt je uiteindelijk toch wel om je bestanden in die programma's te kunnen openen en bewerken.
Dropbox
Dropbox is natuurlijk van begin af aan het meest gebruiksvriendelijk geweest, vanwege het portaal dat je kunt openen op je bureaublad. De functionaliteit is precies hetzelfde als dat van elk mapje in Windows. Dropbox kent geen eigen editor, maar dit is ook niet nodig als je Microsoft Office of Open Office gebruikt. Het medium is precies wat de naam zegt: een grote doos om je spullen in te laten vallen, zij het dan georganiseerd.
De 1GB die je aanvankelijk krijgt, kun je gratis opschroeven naar 8GB, maar dit doe je door zaken met mensen te delen. Als zo iemand zichzelf dan ook aanmeldt bij Dropbox, krijg jij 250 MB cadeau, tot maximaal 8 GB dus. Tip: deel eens wat met een groepje studenten of leerlingen en je zit vrij vlot aan die 8.
Google Drive
Vanwege de - zeg maar - mapjesfunctionaliteit is Dropbox dus verreweg het gemakkelijkste in het gebruik, maar de 8 GB heb je toch snel vol, als je wat fotobestanden uitwisselt. Bovendien is er geen online editor aanwezig en dat is een zeer prettig fenomeen als je even snel wat wil bewerken en weer opslaan. Nu Google Drive diezelfde functionaliteit aanbiedt als Dropbox in combinatie met de webbased tekstverwerker, spreadsheetmaker en aanverwante zaken lijkt het de ideale aanbieder in de cloud.
Skydrive heeft inmiddels ook die functionaliteit. Omdat het grootste deel van de mij bekende onderwijs- en wetenschapswereld werkt met Word en aanverwante artikelen, denk ik dat Skydrive uiteindelijk een beslissende eindscore in de wolken gaat hangen. Dat vind ik als liefhebber van Google-producten erg jammer, maar een mens kan nu eenmaal niet blind zijn voor zijn omgeving.
Deze week heeft Google in mijn ogen een belangrijke score geboekt in de zogenaamde "cloudbattle", de strijd tussen de grote partijen op het gebied van het online opslaan van documenten en andere bestanden. Omdat ik geen Apple-gebruiker ben, betekent dit dat voor mij de belangrijkste drie aanbieders de volgende zijn: Google Docs - nu dus Drive -, Microsoft met de Skydrive en Dropbox. Hoewel ik mensen ken die zweren bij een van de drie producten, ben ik er nog niet helemaal uit welke de handigste is. Wel merk ik dat ik de Skydrive veel gebruik. Maar waarom eigenlijk?
Een paar jaar geleden ben ik helemaal omgegaan naar Google. In mijn Gmail komen al mijn mailadressen geordend binnen (geloof me, je hebt er zo een aantal, als je op verschillende plekken werkt, onderzoekt of je diensten aanbiedt), ik had al een Youtube-account met eigen materiaal toen Google de zaak overnam, dit Edublog loopt via Blogger en ik heb met veel plezier gebruik gemaakt van Google Docs. Sinds ik een Android-telefoon heb is alles helemaal handig geworden voor me.
Google Docs
Het prettige aan GDocs vond ik meteen de webbased programma's om te tekstverwerken, spreadsheets te maken en andere zaken te doen. Omdat Google de bestanden opsloeg in een eigen formaat, waren de bestanden ook relatief klein ten opzichte van Microsoft Office-bestanden, maar alles was compatibel. Bovendien was de integratie met Gmail altijd perfect. Nadeel vond ik altijd wel dat maar heel weinig mensen in mijn omgeving ook gebruik maakten van GDocs. Dat betekende dat ik nogal vaak zaken naar Word moest converteren en als ik zaken terugkreeg met verbeteringen - met die functie dat er van alles in de kantlijn staat - dan kon ik het zaakje niet meer fatsoenlijk opslaan in GDocs.
Bovendien: presentaties werden altijd erg primitief opgeslagen bij Google. Ik gebruik nooit veel effecten als ik een Powerpointje maak en zelden heb ik meer dan 8 dia's - inclusief begin- en einddia. Eenvoudige zaken als in- en uitfaden waren evenwel niet mogelijk. Daarom greep ik al snel terug naar Powerpoint.
Skydrive
De Skydrive van Microsoft heeft altijd de meeste ruimte geboden: 25 GB, tegen 1GB van GDocs en 1GB van Dropbox. Het gevolg van dit aanbod betekende dat ik alle ter zake doende documenten - op het gebied van onderwijs en wetenschap - die ik de afgelopen 15 jaar heb geproduceerd aldaar heb opgeslagen. Sinds Microsoft eenvoudige webbased Word- en Excel-versies heeft, betrap ik me erop dat ik nogal vaak online zit te werken aan mijn bestanden. Eén nadeel is wel dat Word online geen voetnoten kan maken, waar GDocs dat wel kan. Dit klinkt pietluttig, maar bij het schrijven van een wetenschappelijk artikel is die functie onmisbaar.
Het belangrijkste voordeel van de Skydrive is dat het perfect synchroon loopt met Microsoft Office. Je kunt bestanden ook in de gewone programma's openen en dan kun je natuurlijk alles doen wat je altijd al deed. En boven dit alles is het nu eenmaal zo dat verreweg de meeste wetenschappers en leraren gebruik maken van Word, Excel en Powerpoint. De omgeving dwingt je uiteindelijk toch wel om je bestanden in die programma's te kunnen openen en bewerken.
Dropbox
Dropbox is natuurlijk van begin af aan het meest gebruiksvriendelijk geweest, vanwege het portaal dat je kunt openen op je bureaublad. De functionaliteit is precies hetzelfde als dat van elk mapje in Windows. Dropbox kent geen eigen editor, maar dit is ook niet nodig als je Microsoft Office of Open Office gebruikt. Het medium is precies wat de naam zegt: een grote doos om je spullen in te laten vallen, zij het dan georganiseerd.
De 1GB die je aanvankelijk krijgt, kun je gratis opschroeven naar 8GB, maar dit doe je door zaken met mensen te delen. Als zo iemand zichzelf dan ook aanmeldt bij Dropbox, krijg jij 250 MB cadeau, tot maximaal 8 GB dus. Tip: deel eens wat met een groepje studenten of leerlingen en je zit vrij vlot aan die 8.
Google Drive
Vanwege de - zeg maar - mapjesfunctionaliteit is Dropbox dus verreweg het gemakkelijkste in het gebruik, maar de 8 GB heb je toch snel vol, als je wat fotobestanden uitwisselt. Bovendien is er geen online editor aanwezig en dat is een zeer prettig fenomeen als je even snel wat wil bewerken en weer opslaan. Nu Google Drive diezelfde functionaliteit aanbiedt als Dropbox in combinatie met de webbased tekstverwerker, spreadsheetmaker en aanverwante zaken lijkt het de ideale aanbieder in de cloud.
Skydrive heeft inmiddels ook die functionaliteit. Omdat het grootste deel van de mij bekende onderwijs- en wetenschapswereld werkt met Word en aanverwante artikelen, denk ik dat Skydrive uiteindelijk een beslissende eindscore in de wolken gaat hangen. Dat vind ik als liefhebber van Google-producten erg jammer, maar een mens kan nu eenmaal niet blind zijn voor zijn omgeving.
donderdag 19 april 2012
Tekstbegrip en 21st Century Skills
Psycholoog en managementgoeroe Edward de Bono heeft ergens ooit gezegd dat we ons in het onderwijs teveel richten op taal en te weinig op de totale werking van de hersenen; we zouden zo maar 20% van ons totale potentieel aanboren. Dat mag traditioneel gezien ook zo zijn (van oudsher laten we leerlingen hun nieuwe telefoontje niet uit de verpakking halen om ermee te experimenteren, maar we dwingen ze om eerste de handleiding exegetisch door te nemen), maar dat laat onverlet dat ook zijn uitleg daarna weer in taal werd overgebracht. Totdat de mensheid op telepathisch niveau kan communiceren, zal het behept zijn met taal.
21st Century Skills spelen met name in de hersenen, maar ook in het klaslokaal en natuurlijk voornamelijk online. Wij roepen onze leerlingen en onszelf in stijgende mate zaken toe die te maken hebben met het mooie begrip mediawijsheid. Wij spreken gedragsregels af met leerlingen hoe om te gaan met elkaar in de digitale en in de analoge wereld. Dit alles doen wij met taal.
21st Century Skills spelen met name in de hersenen, maar ook in het klaslokaal en natuurlijk voornamelijk online. Wij roepen onze leerlingen en onszelf in stijgende mate zaken toe die te maken hebben met het mooie begrip mediawijsheid. Wij spreken gedragsregels af met leerlingen hoe om te gaan met elkaar in de digitale en in de analoge wereld. Dit alles doen wij met taal.
Op het Canisius College wordt al minimaal 10 jaar door allerlei neerlandici gesproken over het feit dat leerlingen steeds wat slechter lijken te worden in tekstbegrip, je weet wel, het Centraal Schriftelijk Eindexamen Nederlands. Toen ik op deze school kwam werken bestond er nog een heuse ladenkast met daarin per jaarlaag mappen met tekstverklaringen. In de loop der tijd is de hele 6 vwo-stapel uit de kast gehaald; deze toetsen waren te moeilijk geworden voor 6 vwo. Alle toetsen schoven door en voor de brugklassen moest nieuw materiaal gemaakt worden.
Afijn, inmiddels is ons tekstenbestand geactualiseerd en opgeschoond op een Skydrive gekomen, maar ook nu merken we dat normen voor toetsen met eenzelfde zwaarte versoepeld moeten worden. We beginnen ons waarlijk af te vragen of het taalniveau van onze leerlingen aan het afnemen is. Landelijk worden wij onderworpen aan taalniveaus, toetstoestanden en selectiecriteria voor beroepsopleidingen, want ook politici hebben inmiddels het idee opgevat dat er tenminste toch iets moet gebeuren. Immers, ook aan de taalproductieve kant wordt ervaren dat er veel te wensen is inmiddels; een stijgende meerderheid kinderen zou spellen als een kannibaal.
Of het erg is
Dit heb ik al vaker gezegd: ik had in geen ander tijdperk willen leven dan dit; het liefst was ik constant online en in verbinding met alles wat ik wil weten, vragen, bespreken of onderzoeken. Ik heb het gevoel dat veel van mijn leerlingen dit ook hebben. Weliswaar heb ik twee jaar geleden al eens geschreven dat ik vind dat leerlingen internet veel te eenzijdig gebruiken (een beetje opzoeken en een beetje plezier maken), maar desondanks lijkt het mij buiten kijf staan dat veel kinderen behoorlijk aan ongeluk grenzende gevoelens krijgen als zij zouden moeten opgroeien in een wereld met vijf kanalen op televisie, een bibliotheek en - ten gunstigste - een Commodore 64, zoals in mijn jeugd gebruikelijk was.
Internet biedt in een split second vanzelfsprekend veel meer dan taal alleen; allerlei zintuigen kunnen behoorlijk geprikkeld worden. Jonge mensen lijken daar veel gemakkelijker de weg in te vinden dan oudere: allerlei kaf wordt onmiddellijk van het koren gescheiden. Onbewust wordt het aangebodene zelfs tot kaf of koren benoemd. Het staat buiten kijf dat deze vaardigheden van eminent belang zullen blijven, al is het maar om simpelweg te overleven in de enorme diarree aan informatie die je dagelijks bereikt.
Toch denk ik dat leerlingen die zich laten opleiden voor de hogere intellectuele niveaus (vmbo-t, havo en vwo) in grotere mate moeten kunnen omgaan met grote teksten. Dat is niet alleen omdat lesmateriaal nogal eens traditioneel wordt aangeboden, maar vooral ook omdat heel veel nieuw wetenschappelijk onderzoek toch ook niet anders aangeboden kan worden dan door middel van precies verwoorde en genuanceerde taal. Externe motivaties zijn er ook: nu de exameneisen zijn verscherpt, beginnen de leerlingen in mijn 4 vwo-klas al te zweten als ze een onvoldoende terug krijgen voor een tekstverklaring Nederlands of Engels.
Wat te doen
Ik denk dat je als leraar minimaal drie zaken moet doen om ervoor te zorgen dat een leerling niet alleen het examen haalt, maar ook bewust, efficiënt en effectief kan omgaan met grotere gehelen aan teksten. Hieronder som ik - op basis van mijn ervaring en mijn gevoel - deze zaken op.
1. Stel hoge eisen!
Zachte heelmeesters maken stinkende wonden, dus stel schrijfregels op (begin een zin met een hoofdletter, spel correct, schrijf netjes, maak je blad of scherm duidelijk op, dat soort zaken). Vervolgens moet je jouw leerlingen consequent aan die regels houden. Trek dus bij tekstverklaringen of invuldingetjes ook rustig punten af bij spelfouten of andere overtredingen. Je zult merken dat aanvankelijk 70% van je leerlingen klaagt bij de eerste keer, maar dat 99% van hen uiteindelijk zorgvuldiger omgaan met hun taaluitingen.
2. Erken!
Zorg natuurlijk voor een pedagogisch klimaat waarin het normaal gesproken niet erg is om fouten te maken (hoe iemand zich hersteld toont pas hoe goed iemand is) en geef je leerling erkenning op alle mogelijke vlakken waar die dat verdient. Als je een compliment kunt geven, dan doe je dat. (En anders overigens niet.) Leg alles stil wat ruis veroorzaakt en de veiligheid binnen jouw pedagogisch klimaat kan bederven. Hoge eisen stellen kun je niet in een onveilige omgeving, want dat leidt tot stress en erger.
3. Wees creatief
Je zult zien dat je voortdurend in gesprek bent met je leerlingen over wat er op welke plek wordt gecommuniceerd, hoe dat is gebeurd en wat het effect was. Als jouw onderwijs altijd in het teken staat van de boodschap, dan ben je volgens mij precies aan het doen waar 21st Century Skills over gaan. Je zult een heel repertoire moeten gebruiken om alle informatie die op jouw leerlingen afkomt met hen te filteren en te structureren. Gelukkig kun je die ook vinden op internet; van social media tot mindmaps. Maar ik je moet ook niet aarzelen om leerlingen om de oren te blijven slaan met signaalwoorden, verwijswoorden, alineafuncties en argumentaties.
Vooralsnog zal taal de ruggengraat vormen van internet - vooral van het sociale gebeuren - en van de 21st Century Skills. Wat mij betreft kunnen leerlingen niet genoeg schrijven en lezen. Dat moet allebei even zorgvuldig gebeuren. En het fijne is - en dat blijf ik ook zeggen - jij bent de leraar, degene met ervaring. Door jou kunnen leerlingen ervaren hoe er gecommuniceerd wordt; van tweets tot grote artikelen, van zakelijke tekst tot indringend gedicht en van blog tot roman. Er valt immers nog veel te ontdekken en dat blijft gewoon leuk.
dinsdag 10 april 2012
Taalgevoel: woord-van-de-week
Laat ik nog een waarneming noemen. Ik meen dat een jaar of vijf geleden er nog een enorme ophef was over het woord negerzoen. Het gebruik van het zelfstandig naamwoord neger, hier gebruikt als voorvoegsel, blijkt door veel mensen een negatieve lading te hebben. Derhalve staat nu in de dikke Van Dale dat het woord neger door sommige bevolkingsgroepen als beledigend kan worden opgevat.
Een andere waarneming dan: enkele jaren later komt er een politicus in beeld (ik zal zijn naam niet noemen, want het blijkt dat Wilders dat niet leuk vindt) die de afkorting kut (ooit korte urinetrechter) voor het woord Marokkaan in het zogenaamde openbare debat heeft gebruikt. Nog even los van de ontmythologisering van het woord kut en het wijdverbreide noemen ervan, kun je in bovengenoemd woordenboek niet terugvinden dat een dergelijke uitlating voor sommige bevolkingsgroepen beledigend kan zijn.
Voornietgenoemde politicus heeft het nu dusdanig gemunt op weer een nieuwe zondebok, dat wij blijkbaar onbewust al het woord Pool als achtervoegsel gaan gebruiken, zo blijkt op de website van de NOS. Ik vind het tamelijk onprettig dat dit soort processen zich afspelen in een samenleving die nu en in de toekomst ernstig belang heeft bij het aantrekken van veel goede arbeidskrachten uit allerlei buitenlanden. En van die eeuwige begeleidende foto's van die aspergestekers heb ik inmiddels ook de buik vol. Op het Canisius werk ik dagelijks samen met twee hoogopgeleide en fijne collega's van Poolse herkomst die uiterst degelijk en verzorgd respectievelijk Duits en Nederlands geven. In mijn beleving zijn Polen ook niet alleen maar klussers, landarbeiders en lopende-bandwerkers.
Wat ik erger vind dan domheid, is onbedachtzaamheid. Het eerste is namelijk doorgaans niet geneeslijk, het laatste is te voorkomen. Ben ik te taalgevoelig? Ik vind een woord als Standby-Pool uiteindelijk domweg beledigend.
maandag 19 maart 2012
Hoezo lucht weer geklaard in onderwijs?
Laat ik even voorop stellen dat ik het met minister Van Bijsterveld eens ben dat we "het beste uit de kinderen moeten halen." Op zichzelf is dat iets wat elke weldenkende betrokkene bij onderwijs wil bereiken. Wat dat precies inhoudt valt nog nader te definiëren, maar op gevoelsbasis zullen we de meeste onderwijskundigen wel treffen met dit streven. Hierover dus geen onenigheid.
Ik zit met iets anders. Het is een uitlating van VVD-Kamerlid Ton Elias waartegen ik geweldig te hoop loop: "De politiek gaat over de manier hoe het onderwijs wordt ingericht. De sector hoort dat democratisch besluit te volgen." Nog los van het feit dat hier de politiek en de sector als grote gehelen worden gepresenteerd waarin individuele mensen over een kam worden geschoren met andere individuen, vind ik bovenstaande uitspraak om allerlei redenen niet thuis horen in de 21e eeuw.
Het citaat is gelaagd. Laat ik beginnen met de eerste bewering en dat is dat de politiek besluit hoe het onderwijs wordt ingericht. Ik neem aan dat Elias hier niet bedoeld heeft welke lesstof ik op welke manier behandel, maar dat hij zich richt op het onderwijs als stelsel van opleidingen en geldstromen. - Bovendien hoop ik ook dat hij dat zo bedoelt. - Hier wordt dan aangenomen dat een democratisch besluit altijd het verstandigst denkbare besluit is. Dat waag ik ernstig te betwijfelen: als in om het even welke zaal met 150 mensen een besluit moet worden genomen en 76 malloten voeren de boventoon, dan is het nog maar de vraag of de hierboven gestelde aanname klopt.
Een tweede aanname zit ook verstopt in die eerste zin. Hier wordt uitgegaan van het idee dat politici zich voornamelijk bezig houden met het in stand houden van goede dingen en het verbeteren van te verbeteren zaken in de samenleving. Dus er wordt voorbij gegaan aan het feit dat veel politici doorgaans tegen eigen verstand of geweten in moeten meestemmen met een 'partijlijn' of dat er keuzes worden gemaakt om bepaalde coalities in stand te houden of om bepaalde andere zaken op de agenda te houden. Partijpolitiek is zelfs volgens de huidige minister van Onderwijs een reden geweest om überhaupt de 1040-uren-knuppel weer eens in het hoenderhok te gooien.
Daarnaast ben ik van mening dat de politiek helemaal niet moet beslissen hoe het onderwijs moet worden ingericht. Ik ben nog steeds van mening dat het verstandig is om zoiets nou te laten beslissen door een groep mensen die ter zake kundig is en zulke mensen zijn niet altijd politici. Als een groep met goede onderwijzers en bestuurders samen een pot geld krijgen, weet ik tamelijk zeker dat er ook behoorlijk onderwijs georganiseerd kan worden.
Let op de zorgvuldige formulering van de tweede zin van meneer Elias en met name op het woord democratisch. Juist omdat het besluit democratisch is genomen moet dat worden gebillijkt door de zogenaamde sector. Dat betekent dus dat een groep hoogopgeleide en doorgaans verstandige mensen tamelijk klakkeloos moet leren leven met een besluit waarvan op voorhand nog niet vast staat of dat wel het best denkbare besluit is. Dat vind ik een zorgwekkende basis om het beste uit kinderen te halen.
Voornoemde uitlating van Elias getuigt mijns inziens van een sterk geloof in management van de oude stempel. Hierbij heb ik het over een vorm van bestuur waarbij er een hiërarchie is waarbij bovenin een groep mensen beslist in welke richting de mensen onder hen dienen te volgen. Het woord bestuur suggereert dat een onderneming of instelling een geheel is dat in beweging is en dat er een wiel is waaraan gedraaid kan worden om een bepaalde richting te bepalen. Een ander woord voor richting is directie en ook dat woord komt nogal eens voor als wordt gesproken over dergelijke mensen. Je weet wel.
Veel mensen die plaatshebben in zo'n zogenaamde directie geloven er heilig in dat de onder hen geplaatste werknemers beloond moeten worden als zij goede prestaties leveren - wat die ook mogen zijn - en dat zij op enigerlei wijze gestraft moeten worden als zij met het tegenovergestelde daarvan aankomen. Uit divers en decennia lang onderzoek blijkt dat deze vorm van aansturing prima werkt bij beroepen waar een hoge mate van voorgeprogrammeerde productie gepleegd moet worden, maar dat in alle andere beroepen - en dat is de meerderheid - mensen - en dus ook ondernemingen of instellingen - beter gebaat zijn bij andere zaken dan een beloning of een straf. Managementideeën die berusten op dat zogenaamde 'wortel-en-stokmodel' worden al geruime tijd versleten als ouderwets. Toch doet de uitlating van meneer Elias mij denken aan dit soort theorieën.
Hierboven beweer ik dat ik de wijsheid wel in pacht zou hebben. Op zichzelf is dat natuurlijk ook discutabel, maar ik weet wel dat mij is geleerd om hetgeen ik uitkraam te onderbouwen met zoveel mogelijk feitenmateriaal. Die gewoonte - erg gebruikelijk in de wetenschap - probeer ik ook op mijn leerlingen en studenten over te brengen. Van politici verwacht ik dan ook hetzelfde en dan kan ik mij al dan niet laten overtuigen van hun gelijk. Ach ja, en je weet wel: een mens leest wel eens wat, dus zo'n mening kan door voortschrijdend inzicht worden bijgesteld.
Hoe dan ook, de hierboven door mij als ouderwets bestempelde ideeën over management zie ik ook terug in het geloof van de huidige overheid in het prestatieloon voor leraren. Nog nergens heb ik een studie gevonden die pleit vóór voordelen van het invoeren daarvan. Daniël Pink, onder meer een voormalige speechschrijver van Al Gore, kan ook boeiend spreken over deze materie. Hij stelt juist dat de meeste hoogopgeleide werknemers gebaat zijn bij een bepaalde vrijheid hoe het eigen functioneren in te vullen en niet bij een hoog prestatieloon; sterker nog, volgens Pink - en alle onderzoeken die hij aanhaalt - werkt dat contraproductief. ("Ik krijg mijn salaris toch wel, dus ik ga een tandje minder.")
Eerder heb ik er ook al over bericht - en vaker: juist in het onderwijs is die ruimte zo belangrijk. Immers, volgens mij is het geven van ruimte de hoogste vorm van erkenning die je iemand kunt geven. Erkenning is volgens Maslov en zijn beroemde behoeftenhiërarchie nodig om te komen tot zelfontplooiing en dat laatste is het voornaamste doel van onderwijs. Zelfontplooiing betekent dat mensen het beste halen uit zichzelf en een leraar is bij uitstek degene die de omgeving schept waarbinnen leerlingen dat kunnen doen. Juist díe ruimte, die erkenning dient de zogenaamde politiek aan de zogenaamde sector te geven.
Ik heb het al vaker gezegd, niet elk beleid op onderwijsgebied is slecht van deze overheid, maar bij ongefundeerde invoeringen van besluiten als urennormen, prestatielonen of het ontnemen van allerlei beurzen blijft ik mij hevig verzetten; juist omdat deze ingaan tegen de ruimte en erkenning die een goed professional verdient. Hoe democratisch de beslissing ook heet te zijn, ik roep van harte mijn collega's in onze sector op om datzelfde te blijven doen. Ik wil het graag hebben over de inhoud: over 21st Century Skills, over Accidental Learning, over het inrichten van een krachtige leeromgeving die de creativiteit en het voorstellingsvermogen van alle betrokkenen voedt en vergroot; dat soort zaken. Nee, wat mij betreft is de lucht nog niet geklaard.
maandag 5 maart 2012
Staken voor erkenning en ruimte - deel 3
Daar ben ik weer! U weet nog wel, in december kreeg ik van u die Promotiebeurs voor leraren. Dat vond ik een goed initiatief, want het erkent mij als professional. U weet wel, die erkenning zit ook in een aantal andere maatregelen die deze overheid heeft genomen. Laat ik beginnen met uw regering en u te feliciteren met het feit dat er een tweede onderwijsstaking zit aan te komen morgen. Het is erg ongebruikelijk dat leraren staken en volgens mij is het een unicum dat dit gebeurt in één regeringsperiode.
Morgen ga ik niet staken. Volgens mij heb ik het niet zo goed begrepen, dat ik toen ben gaan staken, op 26 januari. Volgens mij heeft dat staken enorm weinig indruk gemaakt op u en uw collega-bewindslieden. Volgens mij had ik mij moeten aanbieden om in een denktank te gaan om onder elkaar eens te praten over de toekomst van het onderwijs.
Volgens mij is dat de manier waarop wordt gedacht in de coalitie VVD-CDA met gedoogpartner PVV. Die indruk krijg ik tenminste sterk als ik bij De Wereld Draait Door verneem dat minister-president Rutten samen met Joop van den Ende aan het brainstormen is aan het torentje over het cultuurbeleid en dat diezelfde minister-president zich nu met coalitie- en gedoogpartner heeft teruggetrokken in het Catshuis om zulks te doen voor 's lands economie. Zelf heeft u ook al een denktank benoemt om het prestatieloon te onderzoeken. Prima allemaal.
Meneer Zijlstra, het is niet dat ik twijfel aan uw goede bedoelingen met ons onderwijs, ik verschil alleen sterk van mening met u over een aantal voorgestelde maatregelen: de terugkeer van de 1040-norm, het prestatieloon, de sociale lening bij masterstudies en nu het inbedden van met rugzakjes behangen leerlingen in het reguliere onderwijs. Iedereen snapt dat we zorgvuldig met ons geld moeten omgaan, zeker in crisistijd en als vader van een peuter snap ik ook heus goed dat ik mijn dochter en haar generatie niet moet opzadelen met allerhande schulden. Graag wil ik met u onderzoeken of er geen verstandiger keuzes zijn te maken over dit alles. Daarbij twijfel ik nog steeds enorm aan de gronden voor deze beleidsvoorstellen.
Morgen wordt er gestaakt tegen het opnemen van kinderen in het reguliere onderwijs die normaal gesproken in het speciaal onderwijs terecht gekomen zouden zijn. Inmiddels heb ik ook zelf een flinke groep gerugzakte leerlingen onze reguliere school zien verlaten zonder diploma. In mijn praktijk heeft dat geleid tot onevenredig veel aandacht voor deze leerlingen. Zij verdienden die aandacht, maar omdat ik les geef op een 'normale' school is deze aandacht behoorlijk structureel ten koste gegaan van de leerlingen die niet een geoormerkt probleem hadden. (De 'normale' leerlingen, zeg maar.) Dat vind ik volstrekt abject.
Ook als alle door de AOB geschetste doemscenario's geen bewaarheid worden, vind ik het ethisch onjuist om in een welvarend land als het onze geen speciaal onderwijs aan te bieden. De overheid dient in mijn optiek op te komen voor alle burgers en dat betekent dat allerlei burgers extra steun moeten hebben. - Dan heb ik het allicht over de mensen die dat op allerlei gronden verdienen en niet over de profiteurs die altijd zo gemakkelijk in dit soort discussies naar binnen worden gemanoeuvreerd. - In een beschaafd land als het onze hoort in mijn optiek geen 'recht van de sterkste' thuis, maar daar geldt wat mij betreft de regel dat ieder welwillende burger optimaal de kans moet krijgen om diens talenten ten volle in te zetten ten gunste van de samenleving.
U mag mij uitnodigen om in de hierboven voorgestelde denktank plaats te nemen. Dat staken -hoe terecht ik dat nu ook weer vind - strijkt maar tegen de ministeriële en staatssecretariële haren in. Volgens mij moeten wij er als mannen onder elkaar wel uitkomen, met dat onderwijs. Verwacht echter niet dat ik gemakkelijk te overtuigen ben als ik geen gezonde argumentatie, te weinig feiten of te weinig visie denk te zien.
Met vriendelijke groeten,
Martijn Wijngaards
Leraar Nederlands op het Canisius College en op de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
Labels:
1040,
erkenning,
prestatieloon,
rugzakjes,
ruimte,
speciaal onderwijs,
staking
donderdag 16 februari 2012
Ouders, blijf positief bij internettend kind!
Andere ouders met wie ik de afgelopen tijd heb gesproken maken wel eens dergelijke zaken mee. Veel kinderen slaan er weinig acht op, maar ouders zijn vaak bang dat er zaken op internet gaan rondzwerven die hun kinderen later kunnen tegenwerken. Bovendien: het zou juist die kinderen moeten interesseren, zegt een gemiddeld gezond verstand.
De reacties van ouders op dit soort verschijnselen zijn verschillend. Sommige ouders verbieden kinderen om zich nog in te laten met social media en aanverwante zaken, andere ouders maken zelf een Facebook-account aan om kinderen te controleren en weer anderen verwachten dat mentoren, conrectoren en god-weet-ik-niet-al wat voor onderwijzend personeel allemaal handelend optreedt. Erg positief en - vooral - duurzaam zijn dit soort manieren niet. In alle gevallen raad ik het volgende aan:
Positieve benadering: denk na over je digitale zelf
Als een leerling zijn naam op enigerlei wijze onjuist op internet ziet, raad ik aan om een Facebookpagina te openen waarop krachtig de boodschap staat die de leerling wél wil uitstralen. Het is erg goed als ouders samen met het kind zo'n pagina opzetten; ze moeten zich samen afvragen welke foto's, welke persoonsgegevens, welke favorieten en welke andere informatie met wie gedeeld wordt en wie allemaal 'vriend' kunnen worden. Uitgangspunt blijft daarbij dat je zo'n pagina een soort schutting om het privéleven heen is. Ik zeg bovendien dat het goed is om een disclaimertje aan te brengen die aangeeft dat deze Facebook-pagina door het kind zelf is gemaakt en dat uitingen op andere plekken op internet voor rekening van andere mensen is. Op die manier creëer je een soort uitvalsbasis.
Positieve benadering: heb het er samen over
Eigenlijk staat het hierboven al: ouders worden aangemoedigd om betrokkenheid te tonen bij het internetgebruik van het kind door het er samen over te hebben. Ik zou dat zelf aan tafel doen in een vorm als: "Goh, vertel eens, hoeveel vrienden heb je nu op Facebook?", "Heb je ergens al veel likes op gehad?" Die vragen kun je als inleiding gebruiken op een gesprek waarin je verder kijkt of de waarden van je opvoeding een beetje tot uiting komen. Die betrokkenheid zou ik in elk geval niet achter de rug van het kind tonen door de gaan spioneren; ik pleit voor open communicatie: houd alles bespreekbaar.
Positieve benadering: verdiep je in de materie
Angst is een slechte raadgever. Als je niet snapt wat je kind allemaal uitspookt, dan is het ook goed om je te verdiepen in wat er allemaal te koop is. Praat dus niet alleen met je kind, maar lees ook boeken over social media (Raymond Janssen heeft bijvoorbeeld een paar fijne boeken geschreven in de Dummies-reeks. En er bestaan ook speciale boeken voor ouders zoals Jongeren en hun digitale leefwereld van enkele leden van de kenniskring e-learning van InHolland.) Het is ook nooit verkeerd om op school eens te kijken welke leraren er intelligent omgaan met dit soort zaken en misschien weet de buurman ook wel weer iets.
Ouders merken vanzelf wel welke dieptes er bereikt worden door op deze manier met internettende kinderen om te gaan. Op alle vlakken is er wel ervaring op te doen, maar ook informatie te vinden. Het is algemeen bekend dat verbieden zinloos is - helemaal bij pubers - en dat klagen leidt tot improductiviteit. Van enkele ouders heb ik alweer enthousiast commentaar terug op de positieve benadering.
Abonneren op:
Posts (Atom)