zondag 6 januari 2019

Nashvilleverklaring: doorwerking van middeleeuws gedachtegoed

Vandaag kwam het nieuws aan het licht dat een grote groep orthodox-gereformeerde en -hervormde predikanten en gelijkaardige notabelen een zogenaamde 'Nashvilleverklaring' hebben ondertekend. Dat is een Nederlandse vertaling van een document uit de Amerikaanse biblebelt over 'Bijbelse seksualiteit'. Wat dat zo ongeveer is staat daarin. In het document leeft allerlei middeleeuws gedachtegoed voort dat allicht niet thuis hoort in een tijdperk waarin emancipatie zich eindelijk heeft doorontwikkeld tot inclusiviteit.

Middeleeuws gedachtegoed
Wat min of meer in de late, verstedelijkte middeleeuwen opgeld doet is het idee van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Om allerlei pragmatische redenen is het handig als in de nieuw opgekomen en drukbevolkte steden de verhoudingen tussen man en vrouw helder worden gedefinieerd. De man gaat buiten de deur geld verdienen en de vrouw zorgt voor het huis en de kinderen. De werkelijkheid is nooit zo zwartwit gescheiden geweest, maar de idealen waren duidelijk.

Een populair verhaal vanaf de late middeleeuwen tot in de vroege twintigste eeuw als model heeft gediend is dat van Griseldis (oorspronkelijk uit de Decamerone van Boccaccio). Dat gaat over een edelman, Gautier, die wil trouwen met het eenvoudige boerenmeisje Griseldis. Om aan zijn hofhouding te tonen dat zij een geschikte echtgenote is vernedert hij haar op allerlei vreselijke manieren en toch ondergaat zij alles zonder te klagen. Een vrouw moet immers gehoorzaam zijn aan haar man, zo is de boodschap.

In het historielied Griseldis staan de huwelijkse voorwaarden van Gautier het beste verwoord - beter nog dan in de prozaroman, waarop het lied is gebaseerd. Deze condities beslaan maar liefst vijf strofes (16 - 20):


‘'t Belieft u Vader gepresen,
dat gy sylt myn Huysvrouw zyn.
Salt uwen wil ook wesen,
daar op berichten myn.
Ofte ik u, Lief verheven,
traut voor myn Huysvrouw saan?
Ofte gy my al u leeven
sou wezen onderdaan?’


Een vrouw moet dus onderdanig zijn aan haar man. De man is de baas in huis. Een vrouw mag ook niet boos worden op haar man. Ook niet als hij een slechte beslissing neemt. Zij mag immers niet twijfelen aan zijn oordeel:

‘Gy sult tot geene tye
op my wesen vergromt,
maar altoos even blye,
wat u ook overkomt.
Dat gy tot geen termyne
sult zyn op myn verstoort.
Stelt uwen wil in myne,
als een goe Vrouw behoord.’


‘Sy sprak: ‘Genadige Heere,
ik dat niet weerdig ben,
te komen tot sulker eere.
Maar is dat uwen zin,
myn genadige Heer verheven,
zoo gedenkt immernigt
dat ik u al myn leven
zal geeve een kwaad gezigt.’


Griseldis belooft dat ze volledig trouw zal zijn. Zelfs als hij haar besluit te doden, dan nog zou ze dat dankbaar aanvaarden:

‘Ik sal myn Heer verheven,
als een goe Vrouwe ziet,
gehoorzaam zyn myn leven
en doen dat gy gebied.
Om de vriendschap te werven,
dat my mag komen aan.
Al soud gy my doen sterve,
ik sal 't in dank ontfaan.’


‘So waar ik een Vrouw misdaedig,
deed ik myn Man verseer.
Gehoorsaamheid gestaedig,
dat is der Vrouwen eer.’
Hy sprak tot al zyn Heeren
ende Jonkvrouwe fyn:
‘Siet, deese schamel deeren
sal myn Huysvrouwe syn.’


Waar zijn de LGBTQ+-mensen?
Pas ergens in de achttiende eeuw zijn mensen die geen heteroseksuele gevoelens hebben voorzichtig uitgekomen voor de gevoelens die ze wel hadden. Geen wonder dat we in verhalen en teksten voor die tijd geen LGBTQ+'ers tegenkomen zoals we ze tegenwoordig allemaal erkennen. In de Bijbel zul je dan ook vergeefs zoeken naar een uitspraak van Jezus over de - zeg even voor het gemak - niet-hetero's. Ja, iets over eunuchs in Mattheüs 19:12, maar dat is a. niet hetzelfde en b. onderbouwd met zoiets als: 'Wie het begrijpt begrijpt het.'

Vrij veel theologen zijn het erover eens dat de Bijbel dan ook niet letterlijk geïnterpreteerd moet worden. En als je dat wel doet, dan zul je de context in ogenschouw moeten nemen. Die context kunnen we niet helemaal doorgronden, aangezien de laatste teksten uit de Bijbel stammen uit de eerste eeuw en er zit nu eenmaal een hoop tijd tussen toen en nu. Zoals wat we nu middeleeuwen noemen en vroegmoderne tijd, waarin weer allerlei nieuwe interpretaties van de Bijbel de ronde zijn gaan doen.

Iets over Bijbelse verdraagzaamheid
Boven de Nashvilleverklaring wordt een psalm aangehaald: 'Weet dat de HEERE God is; Híj heeft ons gemaakt – en niet wij –…' Psalm 100:3. Laten we even meegaan in die gedachtegang. Als God ons allemaal heeft geschapen, dan heeft hij allerlei mensen van ons geschapen als L, G, B, T, Q of +. Eerlijk is eerlijk.

Van Jezus weten we dat de kern van zijn boodschap twee elementen bevat: ten eerste dat je God met heel je hart, ziel en verstand moet liefhebben. Dan zul je dus ook zijn creaties moeten liefhebben. Dat betekent dat je zuinig moet zijn op de hele schepping, op de aarde en dus ook op elkaar. Voor de duidelijkheid is dat dan ook element twee: heb je naaste lief zoals jezelf. Het wordt in Bijbelvertalingen nogal eens het Grote Gebod genoemd (Mattheüs 22: 34-40).

Dat Grote Gebod na te leven vergt veel moed. Je zult dus niet zomaar mogen oordelen. Ook niet of een L, G, B, T, Q of + allerlei gevoelens moet onderdrukken of ontkennen. Of jouw hulp daarbij nodig heeft. In die zin zou het alleen maar toe te juichen zijn dat je de regenboogvlag uithangt. En niet teveel rommel maakt.

We hoeven ons dan ook niet allemaal voort te planten. Sommige mensen kunnen dat nu eenmaal niet. Jezus' volgeling Filippus was dan ook uitermate verdraagzaam voor zo iemand in Handelingen 8: 26-40.

Venster naar het verleden
Wat de ondertekenaars van de Nashvilleverklaring schetsen biedt ons een indrukwekkende blik naar een geromantiseerd verleden dat nooit echt heeft bestaan. De werkelijkheid is nu eenmaal te weerbarstig. Ik ben benieuwd of Jezus - met de kennis van nu - het zelf ondertekend zou hebben. Ik meen van niet.

Wat ik schandalig vind is dat met de heren Van Dijk en Van der Staaij een Eerste en Tweede Kamerlid openlijk getuige achter dit document te staan. Is dat niet in strijd met Artikel 1 van de Grondwet, want discriminatie? Dat mag wel eens gerechtelijk onderzocht worden.

De Nashvilleverklaring vind ik zoiets als het Openluchtmuseum: je bent daar kortstondig gefascineerd bij het idee dat mensen water moesten halen bij de dorpspomp, moesten poepen in een koud hok boven een gat en sliepen op stro. Als je naderhand naar huis gaat ben je blij dat je thuis stromend water hebt, een hangende wc en een dekbed. En wifi. Ofwel: dat je leeft in het heden. De in de verklaring opgestelde ideeën over seksualiteit horen aantoonbaar thuis in een ander tijdperk dan het onze.

dinsdag 24 april 2018

Naar de bibliotheek

Uit allerlei onderzoek komt altijd weer naar voren dat kinderen voor min of meer hun elfde plezier moeten hebben in het lezen - of tenminste dat lezen positieve bijverschijnselen heeft (bijvoorbeeld hier). Waarom? Omdat kinderen met veel meer gemak en genot hun schoolse taken blijken te doen, maar vooral ook getuigen van meer inlevingsvermogen en meer doorzettingsvermogen. Een boek is volgens de onvolprezen auteur Neil Gaiman 'een kleine empathiemachine' en ik denk dat we het zowel aan de kinderen als aan de samenleving verplicht zijn om die machines zoveel mogelijk in te zetten.

Voor veel volwassenen is lezen iets dat ze opnieuw ontdekken, vooral als ze met de voor hen juiste boeken in aanraking komen. Wie eenmaal ergens is geslaagd of afgestudeerd - en enige rust heeft voor wat betreft werk en inkomen - is er ineens opvallend veel ruimte voor verhalen die je in het hoofd plaatsen van iemand anders, ergens anders. 'Als ik lees dan ben ik rijk', zong Jack Poels van Rowwen Hèze en hiermee verwoordde hij hoezeer je het aan jezelf bent verplicht om de empathiemachines ter hand te nemen.

Ik denk dat er een verband bestaat tussen weinig of gering lezen, de al dan niet vermeende verlaging van het niveau van ons onderwijs, de toename van populisme, de toename van taalfouten in de openbare ruimte en de onbewuste omgang met nepnieuws. Niet dat alles is op te lossen met inlevings- en doorzettingsvermogen, maar we zouden er een enorme stap voorwaarts kunnen zetten. Dat brengt ons ook weer bij de slotsom dat lezen goed is.

De bibliothecaris
Een logische gevolgtrekking van deze conclusies zou zijn dat je jezelf en je kinderen - tot tenminste aan hun elfde verjaardag - onderdompelt in zoveel mogelijk boeken. De daaruit voortvloeiende consequenties zijn óf dat je een enorme collectie thuis gaat aanleggen, óf dat je kinderen meeneemt naar de bibliotheek. Voor verreweg de meeste mensen zal de laatste optie de meest haalbare zijn.

Voor mij is een goede bibliotheek altijd een plek geweest waar niet alleen allerlei bronnen aanwezig zijn, maar vooral ook mensen die deze met plezier voor mij ontsluiten. 'Een ruimte vol boeken is alleen maar een ruimte vol boeken. Een lege ruimte met een goede bibliothecaris is een bibliotheek in wording', zegt David Lankes, een van de belangwekkendste denkers over het nieuwe bibliotheekwezen.

De beste bibliotheek doet aan community building. Er wordt gealfabetiseerd, ingeburgerd, geprogrammeerd op elk denkbaar gebied van het menselijke wezen, gepraat, gemusiceerd, geëxposeerd, gestudeerd en nog veel meer. Het bestaat er allemaal naast elkaar: stilte, wifi en stroom versus een praatgroep versus koffie en een krantje. Er wordt samengewerkt met leraren, curatoren, politici, politieagenten, verzorgers, welzijnswerkers, kennismakers en iedereen die wil bijdragen aan de gemeenschap van wie de bibliotheek is.


Persoonlijke noot
En de bibliotheek, daar ga ik naar toe. Daar ga ik eigenlijk naar terug. Na 22 jaar lessen en colleges te hebben gegeven in allerhande vormen van onderwijs ben ik vanaf 1 mei aanstaande geen leraar meer, maar bibliothecaris. Binnen de NOBB (Noordoost Brabantse Bibliotheken) ga ik aan de slag als locatiemanager van de openbare bibliotheek Uden en als bestuurder. Het is na vrijwel een jaar van ampele overwegingen geweest dat ik deze nieuwe en tegelijkertijd vertrouwde weg heb gekozen. Het Goede Werk blijf ik dus doen, maar vanuit een andere optiek. De vijf in de wet verankerde bibliotheekfuncties (artikel 5) verschillen in niets van het werk dat ik als neerlandicus heb gedaan. (Derhalve blijft ook dit blog een edublog.)

Alle aardige en ter zake kundige mensen die ik de afgelopen jaren heb ontmoet uit onderwijs, wetenschap, bedrijfsleven, politiek, OCW en aanverwante organisaties, vakbonden, public speaking, wetenschappelijke en openbare bibliotheken, media en podiumkunsten wil ik uitnodigen om in discussie te blijven over het nut en de functie van de bibliotheek. Als zij dat nog niet doen. En om die gesprekken met mij aan te gaan, zodat ik veel kan leren.

Omdat al zolang uit onderzoek blijkt wat voor baat mens en maatschappij heeft bij het lezen, omdat ik me zorgen maak over het ontlezen - met name de geringschatting van de historische letterkunde - omdat ik zo graag empathie en doorzettingsvermogen in onze samenleving verankerd zie, ga ik graag als bibliothecaris verder met in wezen hetzelfde werk dat ik al deed. Vanuit mijn nieuwe functie wil ik gaan zoeken naar wat een goede bibliothecaris is en een goede bibliotheek, samen met mijn nieuwe collega's van de NOBB. Iedereen met wie ik de afgelopen jaren van gedachten heb gewisseld - via welk kanaal dan ook - wil ik blijven uitnodigen om met alle behulpzame feedback te blijven komen.

maandag 1 mei 2017

Wie helpt mij? Waar zijn de boeken van Dirck Jansz (begin 17e eeuw)?

In mijn onderzoek naar historieliederen op basis van prozaromans stuitte ik op een boekenlijst van een heerboer uit het begin van de zeventiende eeuw. Deze boekenliefhebber, Dirck Jansz leefde in het Friese dorp Sint-Annaparochie in Het Bildt. Tussen 1604 en 1636 hield hij een aantekeningenboek bij waarin hij allerlei zaken noteerde die hem bezighielden. Veel aandacht besteedde hij aan berichten over zijn familie en het dorp waarin hij woonde en dat maakt het boek sowieso lezenswaardig, omdat het op allerlei momenten erg ontroert. Daarnaast verwees Dirck Jansz naar zijn landbouwactiviteiten, de weersomstandigheden, de oogst en de handel. Te midden van al deze aantekeningen gaf Dirck Jansz een overzicht van de boeken die hij bezat.

In zijn boekenlijst zette Dirck Jansz zijn uitgave van het Nieuwe Testament (nummer 1) voorop, gevolgd door een kroniek ‘van Holland, Zeeland en Friesland’ (2). Kennelijk vond hij die teksten het belangrijkste. Daarna volgde een serie van dertig titels van prozaromans (3 tot en met 23, 25, 28, 29, 34, 36 en 41 tot en met 44), een reden waarom de boekenlijst interessant was voor mensen die prozaromans onderzochten, zoals Kruyskamp en Debaene. Na nummer 2 lijkt de boekenlijst geen duidelijke ordening meer te vertonen. Immers, Jansz onderbrak zijn opsomming van prozaromans door het noemen van liederenbundels (24, 26, 32 en 38), geestelijke lectuur (27, 35, 36 en 39), een almanak met voorspellingen (30), een kroniekje (31), een dialoog (33) en een boekje over schrijfkunst (34). Met name één van die liederenbundels heeft mijn grote interesse. Ik ben met name benieuwd naar het convoluut (= bundel met zomaar bijeengebonden exemplaren) met de kleine historiën die zangswijs zijn gesteld - Kruyskamp worstelde nog met die term -, die op nummer 38 staat in zijn boekenlijst.


Mijn grote vragen luiden:

Waar zijn al deze boeken gebleven? Wie weet waar ze zijn? We kan me helpen?


Hier is de boekenlijst zoals deze is weergegeven in de onvolprezen uitgave Het aantekeningenboek van Dirck Jansz van P.Gerbenzon (Hilversum: Verloren, 1993).



Jtem   Het rijerster van alle die boecken

Ten ersten een niew testemendt Dat eerste
1
Ten tweden een kroniecke van hollandt   selandt  ende frieslandt
2
noch een hijstoerije van maeldegijis die ros beijierdt wan
3
noch een hijstorie van Jan van paerijes koenijnck van vrancrieck
4
noch een hijstorie van den eedelen stowten Redder gaelmij
5
noch een hijstorie vanden eedelen redder peter van prowencien
6
noch een boeck Jnhowdende het verraet van eenghellandt
7
noch een boeck Jnhoudende vier historijen
een van virgijles   een van partinoples   Die graewe van bleijs   een van sandrien   Eende Landtsloedt   een van alexander van medts   Die in tvrkiijen gewanghen wart
11
noch een Hijstorije vand onderganck dar stat Jerwselem
12
noch een hijstorie vanden sewen vroeden van roemen
13
noch een hijstorie van florijes ende blancefloer
14
noch een hijstorie van clamijdes ende de schone claermonde
15
noch een hijstorie van mariken van nemwegen
16
noch een vanden redder metter swanen
17
noch een hijstorie vanden prense melijawdes   genaent den redder met het crvijse
18
noch een hijstorije van esoepes faebelen
19
noch een clweft boeck
20
noch een van wlenspeghel
21
noch een raedtsels boeck
22
noch een van reijnnaerdt de vos
23
noch een niijar sang boeck
24
noch een van dochter vawstes
25
noch een geesen sang boeck
26
noch een trowhertijghe vermanige aen het neder Landt
27
noch een hijstorie vant sotten schep
28
noch een awontwer boeck van awontweren
29
noch een gex almenack ende pronostijcacie
30
noch een corte cronieke wt veel cronicken
31
noch een ammerwees sanboeck
32
noch een despetaes boeck tessen de vader ende de soen
33
noch een vande Letter const   seer fraeij
34
noch een schrewen hijstorie   inhwdende geslicke fabelen
35
noch een schrewen hijstorie   inhoudende sendtbriewen
36
noch een bede boeck   inhwdend alle daegen inde weeke
37
noch een boeck daer Jn vergaerdt zijn vertijen
cleijnne storien
een van frederieck van Jenewe     een van den roemsen keijser actafeanes,     een vanden verdwldigen halena     een van hartijch aedoelf in koerlant     een van greseldae     een vanden grawenne van vieghij     noch die profijsie van iascoe     een vande hartoegh van brinsweck     een corte vertellenge van oestende     vande vatervloedt in enghellandt     noch een vande iongelingh Joseph     noech een clen kronieke     sanwijse gestelt     Jn alles wel 14 beloept 50
38
Noch een van het secreet van de conienck van spanien
noch een van afgenoemen briewen van spenneloe
noch van schijtpraettijes
noch een van den droem tesschen die conienck ende die paews
die eerste schrijwijnghen aen die staeten niwe tijdijnge gheschrewen wt eesden   beloept inalles 6 storien
    beloept 56






39
noch een klen taeffel boexken
40
noch een storie vanden heremiedt Jan van bewerleij in enghellandt
41
noch een hijstorie van hartoech herpijan
42
noch een clen boeckens
43
noch een hijstorie van hwijghe van berdeews ende connienck abroen
44

zaterdag 29 oktober 2016

Sinterklaas is natuurlijk ook een twijfelachtige karikatuur!

"Sinterklaas kapoentje, gooi wat in mijn schoentje." Binnenkort wordt dat door heel veel mensen gezongen, waarvan er weer heel veel niet weten dat kapoen de betekenis heeft van "gecastreerde haan". Of die vergelijking nu tot stand is gekomen omdat de auteur allerlei mannelijk gereedschap niet nodig achtte bij een bisschoppelijk celibatair leven is niet meer te achterhalen, evenmin of het hierbij gaat om een rijmwoord op schoentje. Wel geeft het liedje te denken: van de Sint wordt op deze manier een twijfelachtige karikatuur gemaakt.

De vroegste vindplaats van het liedje waarin Sinterklaas wordt uitgemaakt voor een gecastreerde haan is in De Navorscher uit 1851, op bladzijde 361. Daar halen allerlei mensen herinneringen op aan liedjes die men heeft gezongen bij het zetten van de schoen. J.H. van Dale noteert de tekst:

Sint Niklaas, kapoentje! 
Leg wat in mijn schoentje, 
Al wat er niet inne kan, 
Leg dat dan maar achteran , 
Achter an het glaasje 
'k Dankje, Sint Niklaasje !

In elk geval is de H.H. van Dale-versie van Sint Niklaas, kapoentje eerder gebruikt dan in 1851, omdat de man dan put uit een jeugdherinnering. Deze liedtekst is enigszins anders en wat langer dan wat nu wordt gezongen. Hoe het tegenwoordig weerklinkt is het vroegst gepubliceerd door J.J.A.Goeverneur (die van Meester Prikkebeen), ergens rond het laatste kwart van de negentiende eeuw. Anders dan hoe ik de tekst zelf heb geleerd gooit Sinterklaas hier nog niet met spullen en hij wordt getutoyeerd:

Sinterklaas kapoentje
Geef wat in mijn schoentje
Geef wat in mijn laarsje
Dank je, Sinterklaasje. 

Geen vaste vorm
Sinterklaas mag dan een kapoen zijn, een vaste vorm heeft hij in de tijd van Van Dale en Goeverneur nog niet. Zo treedt de Sint in die tijd niet alleen naar buiten in de ons bekende rode bekleding, maar is hij ook gesignaleerd in het geel en in bruin bont. Die laatste uitdossing is goed te zien in Tante Keetje's Prentenboek uit 1854. Daar is Sinterklaas te zien in een outfit die eerder doet denken aan Klaasvaak: een blauwe muts, een bruine baard, een jas van bont met een maillot en puntschoenen eronder.

Een prent uit ongeveer iets na die tijd laat ons bijvoorbeeld weer een gele Sint zien. Deze prent is gedrukt in zwart wit en daarna is er drie keer een sjabloon overgelegd met uitsparingen erin waardoor verf op de prent moest komen: één keer groen, één keer rood en één keer geel. De mijter en de tabberd zijn geel, de kleren onder de tabberd zijn rood. Of hier een vergissing is gemaakt door degene die verantwoordelijk is geweest voor het inkleuren valt niet meer te achterhalen. We constateren hier in elk geval een Sinterklaas in andere kleuren dan het overheersend rood van tegenwoordig.

Dat rode tenue is ook niet iets dat een bisschop gewoonlijk draagt. Ook een rode mijter met daarop een groot, gouden kruis is ongebruikelijk in de Rooms Katholieke Kerk, de organisatie waar bisschoppen oorspronkelijk vandaan komen. Daar draagt de bisschop alleen een mijter als hij functioneert tijdens een mis. Anders draagt hij heel andere kleding. Bovendien is al deze kleding wit.

Bedenkelijke kindervriend
Herkenbaar op de afbeelding van Tante Keetje is wel dat Sinterklaas hier een kind in een zak stopt. Het dreigement dat deze zogeheten kindervriend een ondeugend kind in een zak kan stoppen en van huis en haard mag weghalen heeft in mijn jeugd nog altijd bestaan. Voor een kindervriend heb ik dat altijd bedenkelijk gedrag gevonden. Gewoonlijk leiden ontvoeringszaken waarbij kinderen betrokken zijn tot enige paniek in de media. In diverse Sinterklaas-bundels vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw komen wij het kinderen-in-de-zak-motief tegen.

In de Sint-Nikolaas-vertellingen voor de jeugd van C. van Schaick uit 1849 stopt de heilige ook een kind in een zak. Daar blijft het alleen niet bij in deze uitgave. Eén prent maakt duidelijk wat "wie stout is [krijgt] de roe" eigenlijk betekent. Sint Nicolaas - in rode tabberd - is juist een woonkamer binnen getreden waar een vader, moeder en een zoontje aan tafel hebben gezeten. Blijkens de positie van de stoel heeft de Sint het jongetje plotseling opgetild, wat het knaapje in de hand heeft gehad ligt op de grond. Vervolgens tuigt hij de jongen duchtig af met een stok. Het jochie lijkt te spartelen onder de ferme greep. De moeder lijkt meewarig toe te kijken en de vader schijnt zijn handen te willen aftrekken zijn zoon, alsof hij altijd al heeft gezegd dat hij voor galg en rad zou opgroeien. De roe wordt ferm gegeven aan het kind. De kapoen kan in elk geval nog goed overweg met dát apparaat.

Uit de gedichten en afbeeldingen blijkt dat volwassenen het volkomen normaal vinden dat er een bisschop hun huis kan binnenvallen, om hun kroost te ontvoeren of een pak slaag te geven. Het zijn hier ook allemaal solo-acties van de Sint. Vooralsnog valt er op de aangehaalde prenten geen knecht of helpende vriend waar te nemen.

Tijd voor actie?
Het feit dat Sint Nicolaas nog altijd wordt bezongen als gecastreerde haan en dat hij nu een rood kostuum draagt wijst erop dat de figuur van oudsher wordt bespot. Hij is een twijfelachtige karikatuur. Zou dat komen omdat negentiende-eeuwse gereformeerden niet zomaar een bisschop als held mochten presenteren aan hun kinderen? Zouden zij een spitting image hebben gekozen omdat zij Sinterklaas ooit hebben willen behouden voor hún kinderen?

En: is dit alles reden om een actiegroep op te richten voor bisschoppen die zich beledigd moeten voelen? Er zijn op het moment van schrijven 28 Nederlandse bisschoppen actief. Zouden zij zich achter dranghekken moeten ophouden bij de eerst volgende intocht? Of sowieso boze katholieken? Moeten we Sinterklaas niet laten evolueren tot een daadwerkelijke kindervriend, in carnavaleske kledij, die alleen nog cadeautjes en snoep uitdeelt in plaats van kinderen in zakken te stoppen of te meppen? 

Oh nee. Wacht. Die kindvriendelijke, vrolijke Sinterklaas hebben we tegenwoordig natuurlijk al.

Leuk voor iedereen
Sinterklaas lijkt me bij uitstek een feest waar we heel zuinig op moeten zijn. Sinterklaas is in die traditie veranderd van een Byzantijnse bisschop uit de Oudheid in gestaltes met korte baard, lange baard, bruine baard, witte baard en met bruine, gele, rode en witte kleren aan. Het uiterlijk van de Sint heeft dus nooit echt uitgemaakt en zelfs de achterliggende waarden zijn meegegroeid met hun tijd. En we leven nu en dat is het enige dat uiteindelijk telt. Het is goed dat het Sinterklaas-feest meegroeit met zijn tijd. Net zoals het goed is dat zijn knecht - die ook pas het vroegst te constateren valt rond 1850 in de dan al eeuwenoude traditie - ook enigszins veranderd is en nog altijd verandert. Wij leven - de hemel zij dank - immers niet meer halverwege de negentiende eeuw.

Van oudsher zijn we in Nederland erg goed in samenwerken. Dat vind ik een ongelofelijk belangrijke waarde die wij, volwassenen, onze kinderen kunnen meegeven. Dat alle kinderen welkom zijn, gewoon omdat zij zijn wie ze zijn: kinderen. En dat we dat even allemaal een beetje kunnen zijn, zo aan het einde van het jaar.

Als Sint en Piet symbool kunnen staan voor samenwerken, voor verbinding, en niet voor belachelijk, ongefundeerd geschreeuw over en weer, dan vind ik dat een groot goed. Leve Sinterklaas! Leve Zwarte Piet! We hebben alles in handen om er samen, met alle kinderen en met elkaar, een leuk feest van te blijven maken.

Klik hier voor een klein overzicht van verschillende verschijningen van Sint Nicolaas in het Rijksmuseum.