maandag 28 maart 2011

Toch maar Facebook...


Tja, hoewel ik een broertje dood heb aan het feit dat ik geen duidelijke, concrete, bereikbare mensen zie achter het bedrijf Facebook, ben ik toch maar een pagina begonnen. Vermoedelijk als één der laatsten van het connected deel van deze planeet. Vooral de nieuwsgierigheid heeft de overhand gekregen.

Mijn persoonlijke beleid heb ik niet veranderd ten opzichte van dat met MySpace destijds en daarna met Hyves: ik beschouw zo'n profielsite vooral als een soort schutting om mijn privéleven heen. Het maakt mij niet zoveel uit dat mensen mijn muziek-, film- of literatuursmaak weten, maar dat is het zo ongeveer dan ook wel.

Facebook maakt allerlei zaken wel héél gemakkelijk, vooral op het gebied van verbindingen maken tussen mensen. Daarin is de site stukken gehaaider dan Hyves of LinkedIn. Slim. Sluw.

En ja, ook ik zie steeds meer zogenaamde vrienden van Hyves naar Facebook overstappen. Dat voedde mijn nieuwsgierigheid wel. Ik ben benieuwd of het mij allemaal gaat bevallen...



maandag 21 februari 2011

Mindmap voor poëzieanalyse

Sinds enkele jaren ben ik verslingerd geraakt aan de mindmap. Dat is niet alleen het geval omdat ik graag teken, maar de mindmap biedt een overzichtelijkheid en een structuur die zijns gelijke niet kent. Iedereen die op dat vlak een aanvulling levert, krijgt dan ook mijn onverdeelde aandacht.

Zo werd ik door mijn Canisius-collega's gewezen op een bedenksel van collega-docent Nederlands (en naamgenoot) Martijn Koek van het Amstelveense Keizer Karel College. Hij heeft op zijn school de literaire mindmap geïntroduceerd en inmiddels kan ik uit eigen ervaring melden dat zijn plan even eenvoudig is als briljant. Mijn leerlingen - bekend met de mindmap - hebben niet alleen gewerkt als paarden, zij hebben gezegd dit een prettige manier van werken te vinden met een pasgelezen roman.

Koeks idee bracht mij erop om iets dergelijks ook te bedenken voor poëzieanalyse. Onze le
erlingen van 5 havo en 6 vwo moeten een aantal analyses inleveren om op hun mondeling te mogen verschijnen. Naast dat ze de inhoud moeten bestuderen, moeten ze uit gedichten een aantal kenmerken halen die te maken hebben met vorm, rijm, metrum, beeldspraak, stijl en enkele andere zaken. Dit alles levert per gedicht een verslagje op met tenminste drie tussenkopjes: inhoud, vorm en eigen mening.

Ik vind poëzieanalyse een van de leukste dingen om te doen, zeker sinds ik een digibord gebruik, want op die manier kun je optimaal laten zien wat een dichter allemaal verborgen heeft in zijn werk. Door te werken met kleuren en tekens knalt al het verborgene letterlijk uit de tekst, kijk maar naar het voorbeeld dat ik met een 6 vwo heb gemaakt naar aanleiding van het overbekende gedicht Werkster van Gerrit Achterberg. (Ik was erg tevreden na deze les, al kun je hier en daar nog vast wat toevoegen. Daar gaat het mij nu echter niet om.)

Normaalgesproken zou ik leerlingen de opdracht geven om wat op het bord staat te gebruiken voor het maken van bovengenoemd verslag. Daarna is het de bedoeling dat de leerlingen zelfstandig aan de slag gaan met een paar andere gedichten, soms door mij gekozen, soms door hen zelf. Prima allemaal.

Nu ga ik eens experimenteren met de poëziemindmap. Analoog aan de mindmap van Martijn Koek springen er vanuit het midden enkele hoofdlijnen. Met de klok mee betreft het nu: inhoud, vorm, rijm, metrum, stijlfiguren, beeldspraak, symbolen en motieven. Een leerling van het Canisius College moet een aantal begrippen kunnen toepassen. Deze staan opgesomd op een overzichtelijk blad dat ook al enige evolutie kent binnen onze sectie. Denk hierbij aan stijlfiguren en allerlei vormen van beeldspraak, maar ook aan termen die te maken hebben met strofen, beginrijm, of woorden als enjambement of elisie. Als die van toepassing zijn op het gedicht, dan moeten ze in de analyse zitten, dus in de mindmap.

Naast de gebruikelijke verslagen wil ik de leerlingen minimaal één mindmap laten maken, ter vervanging van een tekst. Ik wil die arme kinderen ook weer niet doodgooien met deze vorm, maar deze juist ter afwisseling gebruiken. Afijn, het zou mij benieuwen wat dit alles oplevert.

maandag 14 februari 2011

In memoriam: André Hanou

Vandaag is de begrafenis geweest van Prof. Dr. André Hanou, één van de beste leraren die ik heb gehad. Ik vind het bijzonder jammer dat ik niet in Amsterdam heb kunnen zijn, bij de uitvaart. Toch heb ik veel aan hem gedacht de laatste tijd. Het is nogal schokkend dat hij zo jong is overleden.

André heeft mij, zoals zovelen, zeer enthousiast weten te maken voor allerlei intellectuele verrichtingen tijdens de Verlichting. Een gesprek met hem kon letterlijk alle kanten op gaan, maar veel van zijn grenspalen waren prachtige citaten of anekdotes uit de meest wonderlijke bronnen uit de 18e eeuw. Hij heeft mij, als mediëvist, nog bijna weten over te halen om een promotieonderzoek te doen naar een onderwerp uit zijn favoriete tijdvak.

Ik heb het genoegen gehad om André eens bezig te zien met een groep eerstejaars studenten. Tijdens zijn eerste hoorcollege hadden zij de indruk gehad dat hij een boekenkast over hen had heengegooid, maar zodanig dat haast iedereen het gevoel had: ik moet meer leren, meer te weten komen, want mijn kennis is niet genoeg om deze man te kunnen volgen. En als dan iedereen weer voorbereid in zijn volgende college meende te zijn gaan zitten, gooide hij weer een nieuwe kast over de aanwezigen heen met wéér nieuwe kennis. Dat heb ik altijd heel knap en inspirerend gevonden. Overigens, ook zijn artikelen hebben dat uitnodigende karakter, alsof je een aperitiefje krijgt geserveerd, maar zelf op zoek moet naar het nog lekkerdere hoofdgerecht.

Wat ik ook zeer waardeerde bij André is zijn onwrikbare eis van excellentie. Een verslag van een onderzoekje van 3 maanden kreeg ik ooit onmiddellijk terug omdat de eerste voetnoot op pagina 1 niet deugde, met een grote streep op die bladzijde en met dwars over het voorblad: "Goedbedoeld amateurwerk." Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Hij deed dat keihard, maar altijd gemotiveerd en charmant. Zelfs toen vond ik dat prima, want hij had gewoon gelijk.

Dat de wetenschap van André niet mocht rusten merkte ik al toen ik ooit een mondeling tentamen had vlak voor kerstavond. Na het mondeling praatten we nog wat na, dus ik vroeg hem of hij nog iets speciaals ging doen die avond. Verwilderd keek hij mij aan, hij keek op zijn horloge - half zeven - en hij belde eens naar zijn vrouw. Die zat thuis klaar met allerlei hapjes. Toen zijn we maar haastig de universiteit uitgelopen; hij had er behoorlijk de sokken in nadat ik van hem afscheid had genomen.

Vakantie noemde André steevast reces en volgens mij zag hij zijn emeritaat ook zo. Hij had zijn hielen nog niet gelicht op de universiteit of hij begon aan een weblog en ik ben hem nog eens tegengekomen in de KB en in de UB Leiden. Dan klopte hij even op mijn schouder om te kijken wat ik deed, om vervolgens haastig naar zijn eigen, geheimzinnige bezigheden te gaan.

Mijn gedachten zijn bij zijn vrouw en bij zijn geliefden.

vrijdag 7 januari 2011

Multimedia: soms wel, soms niet

Soms moet je goed nadenken of je multimedia wel of niet toepast in college of les. Deze week heb ik twee leuke uitersten meegemaakt op dat gebied: eerst op de masteropleiding leraar Nederlands van de HAN, daarna in een 2e klas vmbo-t/havo op het Canisius College. Kijk maar.

Binnenkort ben ik van plan een tentamen te geven aan mijn derdejaars masterstudenten. Elke student heeft een naslagwerk moeten maken en dat mag gebruikt worden als hulpmiddel bij het tentamen; een soort tekstverklaring met historisch materiaal waarvan natuurlijk ook de context geduid moet worden. Aan het begin van het leerjaar vroegen enkele studenten of zij dat naslagwerk ook mochten bijhouden op hun laptop. Natuurlijk vond ik dat geen probleem, dus sindsdien heb ik een aantal mensen in de collegezaal zitten met zo'n ding constant in de aanslag. Prima.

Ik heb dat allemaal ook een beetje op zijn beloop gelaten, om te zien hoe medestudenten zouden reageren. Nu we ons richting tentamenweek begeven, waren er toch wat vragen over het toelaten van die laptops bij de toets. De meeste mensen hebben een papieren naslag gemaakt. Als iemand een laptop gebruikt, kun je niet zien of die altijd alleen maar gebruik maakt van zijn aantekeningen, ze kunnen natuurlijk gewoon vrolijk op het net gaan rondhangen. Om die reden en om elke schijn van valsspelerij tegen te gaan, hebben we met z'n allen besloten dat eenieder dus een papieren naslagwerk meeneemt. Soms moet je dus even geen ICT gebruiken en in het geval van oude, historische teksten vind ik dat helemaal oké.

Met mijn tweede klas op het CC worstel ik meer dan ik ooit heb geworsteld met het fenomeen tekstverklaren. Je weet wel: vragen laten maken bij een tekst in het boek en dat dan de hele les nabespreken, terwijl je tussen elke vraag door een paar leerlingen zit te temmen die hun concentratie (soms overigens terecht) verliezen. Dat is allemaal niet leuk en zelfs als ik er een dansje bij maak, of als ik een onderbroek op mijn kop doe, wordt tekstverklaren niet leuker.

Op onze ELO heb ik met eenvoudige enquêteformulieren een soort methode gemaakt waar leerlingen zelfstandig kunnen werken aan deelvaardigheden. Vanmiddag heb ik de eerste les met de kinderen gehad; ze moesten er zelfs een uur voor wachten. Resultaat: de leerlingen vonden tekstverklaren op deze manier een stuk leuker. Deze manier is dus een prima aanvulling op het reguliere gebeuren, wat ik er overigens wel bij blijf doen; soms moet een mens, dus ook een leerling, ook even doorzetten in het leven.

Wat heb ik nou gemaakt? Eenvoudige vragen in de categorieën 'In deze tekst op Nu.nl staan 5 signaalwoorden. Schrijf op welke en wat het tekstverband is.' of 'Ga naar Wikipedia en zoek 'hond'. Probeer door alleen op de blauwe woorden te klikken in zo min mogelijk stappen bij het woord 'aanrecht' uit te komen. Noteer de woorden die je hebt gebruikt.', en meer. (Die laatste heb ik overigens van mijn CC-collega Henri van Nijnatten.) Leerlingen zetten bij sommige van die opdrachten meer lees- en denkstrategieën in dan bij reguliere tekstverklaringen.

De enquêteconstructie levert mij uiteindelijk een spreadsheet op waarbij in kolommen de antwoorden van de leerlingen staan; die kan ik dus per rij bespreken, terwijl ik ze op mijn digibord voorbij laat komen. ("Deze vraag heeft iedereen goed beantwoord, die sla ik over. Bij vraag 4 staan veel verschillende dingen; interessant. Laten we daar eens naar kijken.") Zo wordt tekstverklaren publiekelijk besproken, maar wordt het ook persoonlijker en confronterender. Leerlingen zijn stukken zorgvuldiger en bewuster bezig, ook getransfereerd naar de ouderwetse teksten terug. Soms moet je multimedia gewoon even gebruiken.

donderdag 18 november 2010

Over de onnuttigheid van Powerpoint

De laatste tijd gebruik ik Powerpoint steeds minder. Ik heb het gevoel dat het programma mij meer hindert dan dat het me tot nut is. Dat ligt in beginsel niet aan de software zelf; je kunt halve speelfilms maken en je boodschap op de meest zotte manieren animeren. Waarom neemt mijn gebruik dán af? Een kleine analyse.

De boodschap verpakt
Om te beginnen kan een Powerpoint de toehoorder enorm afleiden van je boodschap. Teveel tekst, een meervoudig te interpreteren afbeelding of een knipperende animatie kan betekenen dat de aandacht wordt afgeleid van wat je wil overbrengen. Ik heb het diverse goede sprekers al eens horen zeggen: "Heb je Obama wel eens een powerpointpresentatie zien houden?" Nee dus. En laten we even aannemen dat de huidige president van de VS een goede spreker is.

Onbewust onbekwaam?
De keuze voor gebruik van Powerpoint moet bewust worden gemaakt. Als je er dan voor kiest om het medium te gebruiken (je geeft een presentatie over kunstgeschiedenis of je hebt een ingewikkeld schema uit te leggen), dan geldt de regel less is more. De 10-20-30-regel van Kawasaki kan ook erg behulpzaam zijn. Tip van mij: zorg dat dia 1 een korte titel bevat en jouw naam. Als je publiek de ruimte betreedt, moet je dat tonen. Zo is het meteen duidelijk wat je gaat vertellen. Zorg dat de laatste dia helemaal leeg is, met alleen het woord Vragen? erop. Als je Einde op de dia zet, dan klinkt dat alsof je het publiek geen gelegenheid wil geven om te reageren. Bovendien doet het me denken aan "De kabouter is dood. Einde." Soms werkt het; vaak niet.

Soms bestaat mijn presentatie uit één of twee dia's. Die bevatten dan essentiële schema's of afbeeldingen. Het kan heel stom zijn om over een schilderij te praten, zonder het te tonen. (Al zit daar een zekere uitdaging in...)

Statisch
Een powerpointje bepaalt volstrekt de volgorde van je verhaal. Zo kun je niet altijd ingaan op je publiek of zo kun je bepaalde zaken niet altijd vergroten, uitbreiden of verplaatsen. Als je goed kunt omgaan met andere presentatiemiddelen, zoals een digitaal bord, een tablet of een ouderwets krijtbord, dan moet je zeker overwegen om dat in te zetten, indien noodzakelijk.

Een goed verhaal
Als je een begenadigd spreker bent, dan kan een powerpointpresentatie zelfs tegen je werken. Meestal kun je met al je retorische vaardigheden veel beter overtuigen zonder andere hulpmiddelen dan je lichaam en je stem. Als alles toch staat met een goede voorbereiding, dan is het zeker de moeite waard om al je energie te stoppen in de boodschap en niet in het zoeken van plaatjes voor op je dia.

In de regel bereid ik een verhaal lang en goed voor. Dan heb ik vaak genoeg aan mijzelf. Powerpoint heb ik daar dus echt niet altijd bij nodig, om alle hierboven genoemde redenen: boodschap is gelijk aan vorm, maar vorm is niet altijd gelijk aan powerpointvorm.

zondag 3 oktober 2010

Eigenlijk is het zo simpel...

Zojuist viel ik in een herhaling van een tv-uitzending op National Geographic Channel: Ape Genius. In dat programma werd het leren van apen vergeleken met dat van mensen. Natuurlijk zijn mensen beter uitgerust om zich nieuwe zaken eigen te maken, maar wat zijn nu precies de verschillen met de dieren?

Het zit hem eigenlijk in twee zaken: mensen hebben van nature de neiging om samen te werken en mensen zijn vatbaar voor complimenten. Daar bovenop hebben mensen ook nog het vermogen om te bouwen op de kennis, vaardigheden en ervaringen van hun voorgangers.

Door aapjes te kijken zie je eens te meer dat het klopt dat samenwerken diep verankerd zit in ons systeem. In de uitzending werd getoond hoe kleine kinderen wijzen op van alles. Mijn dochtertje Lotte zit nu ook in die fase. Dat wijzen vereist een complexe mentale oefening; je focust op een object en je wijst daarnaast iemand anders ook nog daarop. In de film werd aangetoond dat apen dat vermogen niet hebben. Het vermogen om dingen aan te wijzen, dus om dingen te delen met andere mensen, markeert het beginpunt van onze behoefte om samen met anderen dingen te ontdekken en uit te zoeken.

Als je aan het ontdekken slaat, dan is het natuurlijk fijn als er iemand langs de zijlijn staat die je complimenteert en aanmoedigt. Zo bezien is al aan hele kleine kinderen te zien dat het belangrijk is te weten dat niet de - zeg maar - leerstof centraal staat, maar het kind zelf. Dat blijft een wijze les.

Dus zelfs op zondagochtend kun je nog eens worden geconfronteerd met enkele basiswaarden van goed onderwijs - en van evolutie: samenwerken en de leerling/student centraal zetten.

zaterdag 2 oktober 2010

Huiswerk in de vorm van een game?


Gisteren haalt Nu.nl het AD aan met een stuk over een nieuwe game voor kinderen. Bovenbouwkinderen van de basisschool zouden hun huiswerk kunnen maken in de vorm van een game, volgens de kop van het stuk. Dat klinkt als een leuk idee.

Het gaat hier om de website Squla, die naar eigen zeggen 'de leukste plek om te leren' is. Het geheel is mede mogelijk gemaakt door toetsinstituut Cito. Een rondleiding leert me dat kinderen quizvragen moeten beantwoorden over allerhande schoolvakken. Daarbij kunnen kinderen zichzelf feitelijk voorbereiden op de Cito-toets. Leuk is dat niet alleen de vorderingen worden bijgehouden in statistieken, er worden ook allerlei prijzen uitgedeeld. In gaming is het behalen van awards al enige tijd een zeer gewaardeerd goed. Dat klinkt allemaal dus als een leuk idee.

Naast dat er verschillende avatars van bekers en prijzen in de virtuele prijzenkast gezet kunnen worden, is het ook mogelijk dat het kind spaart voor prijzen in de echte wereld. Zo kunnen tegoedbonnen van allerhande winkels verdiend worden na verloop van tijd. Dit is een van de ideeën waar ik mij niet helemaal op mijn gemak begin te voelen.

Hoe leuk het ook is om een website te maken, het is niet echt een game op deze manier. Vanuit het GALC-principe geredeneerd is er geen sprake van Gameplay en ook niet echt van Coop, al zijn er wel diverse Level Ups te verdienen. Het geheel is één grote, buitengewoon goed doorwrochte digitale toets. Iemand die veel tijd heeft en de kwaliteiten van het Cito-collectief is in staat om iets dergelijks te maken in WinToets of een elektronische leeromgeving.

Hoe dan ook, ik ben dus überhaupt niet zo op mijn gemak als het gaat om al dat gehype om die Cito-toets. Die prestatiedwang en bijhorende gradaties van faalangst... dat staat me allemaal nogal tegen. Op zichzelf is er niets mis met een behoorlijk geobjectiveerde toets die leerkrachten helpt om hun leerlingen naar de juiste middelbare school te sturen, maar ik heb het gevoel dat er steeds meer druk op de schouders van de kinderen komt te liggen. In de reacties van kinderen zie ik een kind schrijven dat zij dankzij Squla veel relaxter de Cito-toets ingaat. Dat bevestigt wat er al borrelt in mijn gemoed.

Op zichzelf is het leuk, al die prijzen en de mogelijkheid om tegoedbonnen te winnen om mee te winkelen. Maar waarom zou je de wortel-en-stokmethode hanteren om kinderen tot leren aan te zetten? Dat is immers wat de site beweert te zijn, een plek om te leren. Wat is er mis met andere vormen van leren? Met andere woorden, het enige dat een kind leert op Squla is om zich voor te bereiden op het multiple choice-gebeuren.

Bovendien moet je voor dit alles ook nog betalen. Voor een luttel bedrag ben je lid van Squla. Dat suggereert dat je ineens bent aangesloten bij een club, maar feitelijk ben je abonnee van een dienst. Maar goed, die termen worden al langere tijd niet meer van elkaar onderscheiden, lid en abonnee.

Squla is dus een leuke manier om je voor te bereiden op de Cito-toets. Je moet ervoor betalen en het brengt je binnen in een vrolijke, complexe structuur van toetsen, statistieken en prijzen met de hoge kwaliteitseisen van het Cito. Het biedt je een eenzijdige manier van leren en voor mensen die graag presteren onder dwang, of die denken dat hun kinderen daarbij gedijen, is de site een uitstekende plek. Een game is dit alles echter helemaal niet.