Met trots presenteert de Erasmus Universiteit het feit dat de studenten aldaar toch zo goed en binnen de studietijd presteren. De reden die de Rotterdamse alma mater daarvoor geeft is dat de mensen die daar studeren worden onderworpen aan een 'schoolse aanpak'. Dat betekent dat docenten bij het aan hen toevertrouwde volk vaker toetsen en dergeljike huiswerkcontroles moeten opleggen. Mijns inziens is deze verkleutering het laatste waaraan we moeten beginnen, met name op een universiteit.
Natuurlijk snap ik heel goed dat een universiteit probeert zijn studenten binnen de opleiding te houden na decennia vol overheidsmaatregelen met alleen maar kwantitatieve normen aan het einde van het universitaire traject. Het lijkt er immers jarenlang meer en meer op dat de hoogste intellectuele opleidingen hun studenten moeten opleiden voor de economie in plaats van voor onze maatschappij. Omdat een student bovendien ook nog eens hel en verdoemenis boven het hoofd hangt als hij (of zij) de bul niet binnen vier jaar haalt, mag hij niet de geringste twijfel hebben of een opleiding wel bij hem past en wordt het hem bovendien ontmoedigd om zich met andere zaken bezig te houden dan het vergaren van studiepunten.
Ik denk dat elke leerkracht, docent of manager moet willen dat mensen zichzelf zo goed mogelijk ontwikkelen naar voorkeur, talent en vermogen. Volgens de beroemde piramide van Maslow (ja, daar is-ie weer) is zelfontplooiing de hoogste behoefte van de mens. Meteen daaronder heeft deze Amerikaanse psycholoog de sleutel vermeld: erkenning. Pas als een mens het gevoel krijgt dat hij mag zijn wie hij is, zal het de behoefte krijgen om het beste uit zichzelf te halen; onwrikbare logica.
Erkenning kun je volgens mij opdelen in gradaties, waarbij het wortel-en-stokmodel ergens onderin bungelt en bovenin het geven van verantwoordelijkheid en ruimte staat. Juist dat is wat een universiteit hoort te doen: een student moet niet willen werken om een straf te ontlopen, om een compliment te krijgen of voor een stickertje van de juf. Nee, een student moet doen wat hij verstandig acht en een docent kan hierbij hooguit fungeren als betrokken spiegel. Je bent pas echt volwassen als je volledig verantwoording neemt voor je doen en laten.
Erkenning zit hem niet in het feit dat jongeren steeds vroeger een beslissing moeten nemen over welke opleiding er gevolgd moet worden. Op 4 vwo moeten leerlingen zich al afvragen hoe min of meer de rest van het leven ingevuld wordt en als je op het havo of het vmbo zit, dan moet je dat haast nog eerder. Met grote regelmaat zie ik twintigers aan me voorbijtrekken die de schijn ophouden precies te weten waarmee ze bezig zijn, maar die je à la minute tot huilen kunt krijgen als je ze enkele rake vragen stelt. Dat vind ik schrijnend en onrechtvaardig. Een langere studieduur kóst geen geld, maar is in de meeste gevallen een investering. Zelfstandigheid creëer je niet door een galg of een hakblok op te stellen langs de route.
Ik meen dat het Amos Oz was die ooit zei dat de Westerse mens in toenemende mate aan het verkindsen is; hij zou zich alleen maar druk maken om gadgets en speeltjes. Als we beginnen om zelfs universitaire studenten af te leren om volwassen te worden, dan zal dat geen vrolijke bijdrage zijn aan die maatschappelijke ontwikkeling. Alleen een overheid die écht fundamenteel wil investeren in onderwijs, en dus in zelfontplooiing, kan het tientallen jaren lange verkeerd voortkruipende tij keren.
Over game-based storytelling, teambuilding, persoonlijkleiderschap, blended learning en andere vehikels voor het vergroten van vertrouwen.
dinsdag 8 januari 2013
zondag 16 december 2012
Bèèh: jaar van het schaap
Wat er ook gebeurt, wat de Chinese jaarindeling ook moge zijn: 2013 mag voor mij het jaar van het schaap worden. Observatie van het schaap leert ons dat het edele dier eigenschappen heeft waarvan de mens het een en ander kan opsteken. In deze nadagen van december wil ik warm pleiten voor mijn wollige vriend, zonder schaapachtig te willen zijn.
Mijn eerste min of meer bewuste kennismaking met het schaap was in mijn kleutertijd. In de donkere dagen voor kerst moesten we met alle kinderen van de twee kleuterklassen van onze rooms katholieke dorpsschool de kerststal uitbeelden. Aangezien het aantal rollen beperkt is - Maria, Jozef, os, ezel, engel, een stelletje herders, drie koningen en dan heb je het wel gehad - werden alle overige kinderen schaap. Ik werd derhalve schaap.
De uiteinden van een witte papieren strook werden op de maat van mijn hoofd aan elkaar geniet, twee flapjes papier moesten daar aan worden vastgeplakt. Daarop mocht ik dan met een hardharig kwastje zelf watjes plakken met van die witte, korrelige lijm uit een potje - een klodderig zooitje. Het hele handeltje belandde op mijn kop. Al kruipend begaf ik me in de immense kudde om te worden geteld; we lagen immers bij nacht in het veld. Hoewel, het tafereel ontaardde in een kakafonie die lichtjes werd overstemd door het kerstkindje; een plastic speelgoedhuilbaby die een merkwaardig gekrijs voortbracht - de eigenaar had met een wasbeurt de inwendige elektronica onklaar gemaakt.
Goed voorbeeld
Het waren enkele jaren later ook schapen geweest die ons kalm aanstaarden als wij voetbaltraining hadden in het prachtige sportpark buiten ons dorp. Overigens, ik kon net zo goed voetballen als die beesten. Ik kon heus harder rennen, maar die bal was ook voor mij een hinderlijk obstakel. De schapen waren eigenlijk de enige wezens in de onmiddellijke omgeving van het veld die er oordeelvrij onder bleven.
In het onderwijs spellen mijn leerlingen sinds jaar en dag met 't Fokschaap X, ook bekend als agent nul-nul-bèèh. Ik vraag me nog steeds af waarom alle methodes die ik ken geen onderscheid maken tussen de stam (om te checken in verband d of t aan het eind van een PV verleden tijd of voltooid deelwoord) en de ik-vorm (om mee te spellen). Misschien komt het er ooit nog van. En dat mijn voorbeeld idioot is maakt niet uit; als de mij toevertrouwde schaapjes het maar onthouden. Het is immers goed om een schaap te volgen, als er tenminste één over het hek weet te komen.
Rust
Schapen staan voor mij over het algemeen symbool voor rust. Enkele beelden schieten me dan ook meteen te binnen. Zo kan het bijzonder prettig zijn om op een mooie, warme dag in een weiland te liggen en naar de lucht te kijken als er langzaam schapenwolkjes voorbij drijven. - Maar die grote wolken zijn ook leuk, waar je allemaal figuren in ziet. Dat dan ook weer.
Vanuit de trein zie ik ook allerlei weiden met schapen aan me voorbij trekken. Brigitte Kaandorp mag het prettig vinden om naar koeien te kijken; een schaap heb ik nog nooit zien steigeren. (Al meen ik me te herinneren dat zij eens ook hard "Bèèh!" heeft geroepen ter ontspanning.) Ook het zich ontdoen van afvalstoffen doet het schaap minder opvallend. Ik vind het prettig om naar een kudde schapen te kijken en me te realiseren dat ik me dikwijls bijzonder druk maak om bijzonder weinig.
Als je echt niet in slaap komt dan kun je schaapjes tellen; dat wil nogal eens werken. Schaapjes zijn dan ook bij uitstek geschikt voor het slapengaan. Probeer het maar eens om koeien te tellen, of paarden, brandweerauto's, ballonnen; dat is toch anders. Andere mensen vallen al gerust in slaap als zingend wordt vastgesteld dat er buitenshuis een melk drinkend schaap staat. Schaapjes hebben een rustgevende werking op de mens. Oh, en vergeet de lammetjes niet: die vinden we altijd extra schattig.
De relativerende werking van het schaap is ook al opgemerkt door enkele cartoonisten en filmmakers. Zo is Jaap Schaap van Leendert Jan Vis een aanrader voor iedereen die van verrassingen houdt - en voor lieden die wil weten wat een randschaap is. Shaun het schaap is minstens even goed voor de gemoedsrust. Als alle andere mensen en dieren in paniek zijn, brengt het lieve jochie alles weer terug tot niets met één opmerking: "Bèèh." Lachen relativeert, om schapen kun je lachen, dus schapen relativeren; dat durf ik hardop te beweren.
Warm
Behalve dat allerhande carnivoren het schaap een buitengewone lekkernij vinden - evenals het lam - is het dier natuurlijk enorm nuttig. Eenieder die niet allergisch is voor wol-alcoholen zal beamen dat de vacht van een schaap weliswaar kriebelt, maar ontegenzeggelijk behaaglijk spul is tegen de kou. Dankzij het schaap zitten we er warmpjes bij. Een schapenscheerder kan voor de worp waarmee hij het schaap bedwingt onmiddellijk een ippon krijgen bij judo, maar het schaap ondergaat zijn scheerbeurt doorgaans gelijkmoedig.
Volgens het bekende liedje heb je al snel drie zakken vol aan een schaap. Het formaat van de zakken wordt daarin niet aangegeven, maar zelfs het baby'tje dat rilt van de kou kan rekenen op wat wol. Dankzij het schaap zitten we er dus warmpjes bij. Schapen hebben dus een recht evenredig verband met warmte.
Besluit
Er zijn allerlei mensen die schapen van alles willen aandoen. Grappen die ten koste gaan van het schaap mag men mij ook besparen. Elke ode aan het wollige beestje begrijp ik - hoe twijfelachtig van kwaliteit die ook is. Wat ik nu ga zeggen, zeg ik met het oog op Kerstmis en de laatste dagen van dit jaar: ik wens iedereen toe dat 2013 het jaar van het schaap wordt, want ik wens iedereen rust, warmte, humor en oordeelvrije anderen toe in het nieuwe jaar.
Zeg: "Bèèh!", als je dit allemaal ook wenst!
Mijn eerste min of meer bewuste kennismaking met het schaap was in mijn kleutertijd. In de donkere dagen voor kerst moesten we met alle kinderen van de twee kleuterklassen van onze rooms katholieke dorpsschool de kerststal uitbeelden. Aangezien het aantal rollen beperkt is - Maria, Jozef, os, ezel, engel, een stelletje herders, drie koningen en dan heb je het wel gehad - werden alle overige kinderen schaap. Ik werd derhalve schaap.
De uiteinden van een witte papieren strook werden op de maat van mijn hoofd aan elkaar geniet, twee flapjes papier moesten daar aan worden vastgeplakt. Daarop mocht ik dan met een hardharig kwastje zelf watjes plakken met van die witte, korrelige lijm uit een potje - een klodderig zooitje. Het hele handeltje belandde op mijn kop. Al kruipend begaf ik me in de immense kudde om te worden geteld; we lagen immers bij nacht in het veld. Hoewel, het tafereel ontaardde in een kakafonie die lichtjes werd overstemd door het kerstkindje; een plastic speelgoedhuilbaby die een merkwaardig gekrijs voortbracht - de eigenaar had met een wasbeurt de inwendige elektronica onklaar gemaakt.

Het waren enkele jaren later ook schapen geweest die ons kalm aanstaarden als wij voetbaltraining hadden in het prachtige sportpark buiten ons dorp. Overigens, ik kon net zo goed voetballen als die beesten. Ik kon heus harder rennen, maar die bal was ook voor mij een hinderlijk obstakel. De schapen waren eigenlijk de enige wezens in de onmiddellijke omgeving van het veld die er oordeelvrij onder bleven.
In het onderwijs spellen mijn leerlingen sinds jaar en dag met 't Fokschaap X, ook bekend als agent nul-nul-bèèh. Ik vraag me nog steeds af waarom alle methodes die ik ken geen onderscheid maken tussen de stam (om te checken in verband d of t aan het eind van een PV verleden tijd of voltooid deelwoord) en de ik-vorm (om mee te spellen). Misschien komt het er ooit nog van. En dat mijn voorbeeld idioot is maakt niet uit; als de mij toevertrouwde schaapjes het maar onthouden. Het is immers goed om een schaap te volgen, als er tenminste één over het hek weet te komen.
Rust

Vanuit de trein zie ik ook allerlei weiden met schapen aan me voorbij trekken. Brigitte Kaandorp mag het prettig vinden om naar koeien te kijken; een schaap heb ik nog nooit zien steigeren. (Al meen ik me te herinneren dat zij eens ook hard "Bèèh!" heeft geroepen ter ontspanning.) Ook het zich ontdoen van afvalstoffen doet het schaap minder opvallend. Ik vind het prettig om naar een kudde schapen te kijken en me te realiseren dat ik me dikwijls bijzonder druk maak om bijzonder weinig.
Als je echt niet in slaap komt dan kun je schaapjes tellen; dat wil nogal eens werken. Schaapjes zijn dan ook bij uitstek geschikt voor het slapengaan. Probeer het maar eens om koeien te tellen, of paarden, brandweerauto's, ballonnen; dat is toch anders. Andere mensen vallen al gerust in slaap als zingend wordt vastgesteld dat er buitenshuis een melk drinkend schaap staat. Schaapjes hebben een rustgevende werking op de mens. Oh, en vergeet de lammetjes niet: die vinden we altijd extra schattig.

Warm
Behalve dat allerhande carnivoren het schaap een buitengewone lekkernij vinden - evenals het lam - is het dier natuurlijk enorm nuttig. Eenieder die niet allergisch is voor wol-alcoholen zal beamen dat de vacht van een schaap weliswaar kriebelt, maar ontegenzeggelijk behaaglijk spul is tegen de kou. Dankzij het schaap zitten we er warmpjes bij. Een schapenscheerder kan voor de worp waarmee hij het schaap bedwingt onmiddellijk een ippon krijgen bij judo, maar het schaap ondergaat zijn scheerbeurt doorgaans gelijkmoedig.
Volgens het bekende liedje heb je al snel drie zakken vol aan een schaap. Het formaat van de zakken wordt daarin niet aangegeven, maar zelfs het baby'tje dat rilt van de kou kan rekenen op wat wol. Dankzij het schaap zitten we er dus warmpjes bij. Schapen hebben dus een recht evenredig verband met warmte.
Besluit
Er zijn allerlei mensen die schapen van alles willen aandoen. Grappen die ten koste gaan van het schaap mag men mij ook besparen. Elke ode aan het wollige beestje begrijp ik - hoe twijfelachtig van kwaliteit die ook is. Wat ik nu ga zeggen, zeg ik met het oog op Kerstmis en de laatste dagen van dit jaar: ik wens iedereen toe dat 2013 het jaar van het schaap wordt, want ik wens iedereen rust, warmte, humor en oordeelvrije anderen toe in het nieuwe jaar.
Zeg: "Bèèh!", als je dit allemaal ook wenst!
maandag 3 december 2012
Vind ik leuk: de mediacoaches van K3!
Mijn dochter, een prachtige peuter, is dol op K3. Over smaak ga ik niet twisten, maar je kunt er niet omheen dat de dames van deze vrolijke zang- en dansgroep al sinds jaar en dag op een behoorlijk hoog niveau acteren, met een zeer kundige en professionele backup van werkelijk uitstekende muzikanten en Studio 100-mensen. Miguel Wiels (nu ook bekend van Paul de Leeuw), Alain Vande Putte en Peter Gillis zijn de vaste, behendige auteurs van het repertoire, waarvan welhaast iedereen - stiekem - wel een liedje van meeneuriën. Alle kritiek op de commercie en ik weet niet wat allemaal en mijn eigen muzikale voorkeur ten spijt: ik heb gewoon respect voor de prestaties, de werkende moeders en voor het feit dat deze act al zo lang weet mee te gaan.
Afijn. Nu heb ik - zoals wellicht nog bekend - ook veel respect voor de goede mediacoach. Mijn dochter denkt nog lang niet na over Facebook en aanverwante toestanden, maar de eerste medialessen heeft ze al binnen dankzij Karen, Kristel en Josje. Op de nieuwe cd Engeltjes staat een liedje Vind ik leuk waarin volop allemaal malle voorbeelden worden genoemd van plaatjes waarmee je op internet kunt staan, vergezeld door de woorden "Vind ik leuk, vind ik leuk, vind ik leuk leuk leuk." Deze zaken worden afgewisseld met refreintjes waarin wordt opgeroepen om toch vooral voorzichtig te zijn met jezelf in de digitale ruimte.
Ik denk dat vooral op basisscholen zo'n liedje best een goede ingang kan bieden voor een gesprek met kinderen die al bezig zijn met experimenten op dit gebied. (Laat ik wel wezen, veel 4 havo-leerlingen van mij hebben aangegeven K3 nog steeds leuk te vinden.) Volgens mij is het liedje zo ook bedoeld en het lijkt me alleszins een goede tip om het op te nemen in je collectie met middelen om kinderen voor te lichten over verstandig handelen met je digitale ego. Lijkt me leuk? Ja! Vind ik leuk leuk leuk.
Klik hier voor de tekst.
Ik denk dat vooral op basisscholen zo'n liedje best een goede ingang kan bieden voor een gesprek met kinderen die al bezig zijn met experimenten op dit gebied. (Laat ik wel wezen, veel 4 havo-leerlingen van mij hebben aangegeven K3 nog steeds leuk te vinden.) Volgens mij is het liedje zo ook bedoeld en het lijkt me alleszins een goede tip om het op te nemen in je collectie met middelen om kinderen voor te lichten over verstandig handelen met je digitale ego. Lijkt me leuk? Ja! Vind ik leuk leuk leuk.
Klik hier voor de tekst.
maandag 12 november 2012
Neem de ruimte
Toen ergens aan het einde van de jaren 1990 Hans van Delft de nieuwe voorzitter van de onvolprezen voetbalclub N.E.C. werd, liet hij vrij onmiddellijk na zijn installatie alle muren van De Goffert wit verven. Alle kantoren, alle gangen en alle andere muren waar mensen langs zouden lopen werden wit. Hiermee wilde Van Delft laten zien dat er een nieuwe wind door de vereniging ging waaien, want hij was er. (Die nieuwe wind kwam er overigens ook, maar dat is een ander, doch vermakelijk verhaal.) Aan deze fysieke aanpak van de werkomgeving heb ik vaak gedacht. Het is een geweldige boodschap geweest voor de mensen binnen en buiten de organisatie: door de ruimte licht te veranderen, maak je duidelijk wie de baas is en dat die gaat zorgen voor nieuwe schwung.

Ik vind het enorm leuk om te spelen met de ruimte. Dat doe ik dan ook op allerlei niveaus, want ik ben graag de baas over mijn werkplek. Dat betekent dat ik het liefst mijn bureau- of aanrechtblad op orde heb voordat ik aan de slag ga. Natuurlijk kan ik functioneren als er wat spullen van anderen liggen, maar het liefst heb ik een soort tabula rasa-gevoel.
Weg romantiek
Het is in mijn omgeving genoegzaam bekend dat ik een grote hekel heb aan de zogenaamde romantische opstelling van schoolmeubilair, je weet wel, drie kolommen met tien tafels twee aan twee. Dikwijls is een lokaal te klein of te groot voor deze inrichting. In het eerste geval heeft een leerling minder ruimte dan de toegestane norm voor varkens in stallen (dat heeft een oud-collega van me wel eens uitgerekend) en in het laatste geval verdwijnen allerlei leerlingen een soort van in het luchtledige. Alleen als ik per se iets in duo's wil doen vind ik het handig, anders niet. In de regel dus niet.
Als ik iets wil uitleggen, iets wil vertellen of snelle interactie wil, dan zet ik de boel het liefst in de zogeheten carré-opstelling, je weet wel, één of twee rechthoekige vormen met tafeltjes naast elkaar. Iedereen die op een beroepsopleiding of universiteit heeft gezeten is duchtig geconfronteerd met deze manier van inrichten. Het voordeel vind ik dat je de aanwezigen in twee oogopslagen kunt zien; dit in tegenstelling tot de talloze oogopslagen die je bij de rijtjesopstelling nodig hebt - achter rij twee zie je al niet meer precies wat er achter de ruggen gebeurt. Ik loop graag even een minuutje eerder binnen om de boel even zo neer te zetten en mijn leerlingen zijn zo geconditioneerd dat ze in luttele momenten de hele opstelling hebben klaarstaan.
Soms hoor ik wel eens geluiden als zou het niet goed zijn voor de orde dat leerlingen zowel links als rechts buren hebben, maar ik verwijs die graag naar het rijk der fabelen. We hebben allemaal wel eens onze dag niet, maar over het algemeen denk ik dat het tegendeel juist het geval is en wel vanwege hetgeen ik hierboven heb gemeld. Orde-issues zijn mijns inziens in beginsel niet te wijten aan welke opstelling dan ook, maar aan menselijke oorzaken. Mijn ervaring is dat er veel meer betrokkenheid is bij de leerlingen/studenten; er is veel meer - broodnodige - interactie.
Als je orde wilt hebben, jouw orde, dan moet je de ruimte binnenstappen met de intentie om de baas te zijn; anders gaat het mis. Punt. Het inrichten van de plek van handelen kan je juist helpen. Als welk gezelschap binnenkomt in een ruimte die door - of liefst voor - jou is ingericht, dan is het iedereen al meteen duidelijk vanuit welke hoek de wind waait; de jouwe. Zet de handel in groepjes en men weet dat er moet worden samengewerkt (jij wordt coach), zet de boel in carré en er moet worden geluisterd (jij wordt verteller of moderator) en zet tafeltjes tegen de muur om leerlingen meer de gelegenheid te geven om juist zelfstandig te werken. (Richt je onderwijs ook eens in op mensen die introverter zijn, bedoel ik. Groepswerk is soms ook niet zaligmakend.) Een ideaal lokaal is er misschien wel niet, al weten jij en ik vast hoe we dat zouden inrichten. (En dan komt er snel allerhande techniek bij kijken...)
In eigen hand
Op kleiner niveau kan het ook: vlak nadat ik als gastmedewerker was begonnen aan de Universiteit Leiden hebben mijn zeer geachte kamergenoot en ik onze hele kamer zo ingericht dat we er niet alleen allebei prettig zitten - zij zit er véél meer dan ik, maar ook dat het voor bezoekers duidelijk is van wie de kamer is. We hebben onze eigen postertjes en plaatjes opgehangen en alles vreemde elementen van onze voorgangers geëlimineerd. Het is echt een enorme luxe om zo'n werkplek te hebben.
Andersom heb ik ook wel eens een lezing gegeven waar mijn verwachtingen ten aanzien van de ruimte anders waren dan wat ik aantrof. Van te voren was mij gemeld dat ik een theaterzaal met podium en groot scherm zou gaan gebruiken, maar bij aankomst zag ik een zaal met een kleine verhoging, vier strategisch opgestelde monitoren (wel flink) en een zaal met zithoekjes en staantafeltjes; dat was toch wel even wat anders. Bij de spreker voor mij stond de overgrote meerderheid der aanwezigen fluisterend in de hoeken en kieren van de zaal. Ik besloot toen al om mijn vlag even duidelijk te planten.
Toen ik het woord kreeg - mijn revers-microfoon was al aan - heb ik lopend naar de verhoging alle aanwezigen verzocht om naar voren te komen, zich strategisch rondom mij en de beeldschermen te scharen (ik had twee schemaatjes en een oude afbeelding) voor mijn verhandeling. De hele club kwam daadwerkelijk in beweging en vanaf dat moment heb ik de volle aandacht gekregen van mijn toehoorders. Na afloop heb ik nogal wat glimlachend commentaar gehad op deze ingreep: "Je kunt zien dat jij een leraar bent," was de meest gehoorde opmerking.
Je vlag geplant
Omdat je het leven toch in eigen hand moet nemen, zeker tegenwoordig, kun je dat ook maar beter toepassen op de omgevingen waarin je je ophoudt. Als er enig aspect bij komt waarin er leiderschap van je wordt verwacht, dan is het aardig om minimaal eens te experimenteren met de ruimte waarin het aan jou toevertrouwde publiek zich met jou moet vermaken. Het is werkelijk een kleine moeite, zeker als je jouw toehoorders bereidwillig weet te krijgen om jou te assisteren. En je hoeft meestal echt niet met de witkwast aan de slag...
Ik vind het enorm leuk om te spelen met de ruimte. Dat doe ik dan ook op allerlei niveaus, want ik ben graag de baas over mijn werkplek. Dat betekent dat ik het liefst mijn bureau- of aanrechtblad op orde heb voordat ik aan de slag ga. Natuurlijk kan ik functioneren als er wat spullen van anderen liggen, maar het liefst heb ik een soort tabula rasa-gevoel.
Weg romantiek
Het is in mijn omgeving genoegzaam bekend dat ik een grote hekel heb aan de zogenaamde romantische opstelling van schoolmeubilair, je weet wel, drie kolommen met tien tafels twee aan twee. Dikwijls is een lokaal te klein of te groot voor deze inrichting. In het eerste geval heeft een leerling minder ruimte dan de toegestane norm voor varkens in stallen (dat heeft een oud-collega van me wel eens uitgerekend) en in het laatste geval verdwijnen allerlei leerlingen een soort van in het luchtledige. Alleen als ik per se iets in duo's wil doen vind ik het handig, anders niet. In de regel dus niet.
Als ik iets wil uitleggen, iets wil vertellen of snelle interactie wil, dan zet ik de boel het liefst in de zogeheten carré-opstelling, je weet wel, één of twee rechthoekige vormen met tafeltjes naast elkaar. Iedereen die op een beroepsopleiding of universiteit heeft gezeten is duchtig geconfronteerd met deze manier van inrichten. Het voordeel vind ik dat je de aanwezigen in twee oogopslagen kunt zien; dit in tegenstelling tot de talloze oogopslagen die je bij de rijtjesopstelling nodig hebt - achter rij twee zie je al niet meer precies wat er achter de ruggen gebeurt. Ik loop graag even een minuutje eerder binnen om de boel even zo neer te zetten en mijn leerlingen zijn zo geconditioneerd dat ze in luttele momenten de hele opstelling hebben klaarstaan.
Soms hoor ik wel eens geluiden als zou het niet goed zijn voor de orde dat leerlingen zowel links als rechts buren hebben, maar ik verwijs die graag naar het rijk der fabelen. We hebben allemaal wel eens onze dag niet, maar over het algemeen denk ik dat het tegendeel juist het geval is en wel vanwege hetgeen ik hierboven heb gemeld. Orde-issues zijn mijns inziens in beginsel niet te wijten aan welke opstelling dan ook, maar aan menselijke oorzaken. Mijn ervaring is dat er veel meer betrokkenheid is bij de leerlingen/studenten; er is veel meer - broodnodige - interactie.
Als je orde wilt hebben, jouw orde, dan moet je de ruimte binnenstappen met de intentie om de baas te zijn; anders gaat het mis. Punt. Het inrichten van de plek van handelen kan je juist helpen. Als welk gezelschap binnenkomt in een ruimte die door - of liefst voor - jou is ingericht, dan is het iedereen al meteen duidelijk vanuit welke hoek de wind waait; de jouwe. Zet de handel in groepjes en men weet dat er moet worden samengewerkt (jij wordt coach), zet de boel in carré en er moet worden geluisterd (jij wordt verteller of moderator) en zet tafeltjes tegen de muur om leerlingen meer de gelegenheid te geven om juist zelfstandig te werken. (Richt je onderwijs ook eens in op mensen die introverter zijn, bedoel ik. Groepswerk is soms ook niet zaligmakend.) Een ideaal lokaal is er misschien wel niet, al weten jij en ik vast hoe we dat zouden inrichten. (En dan komt er snel allerhande techniek bij kijken...)
In eigen hand
Op kleiner niveau kan het ook: vlak nadat ik als gastmedewerker was begonnen aan de Universiteit Leiden hebben mijn zeer geachte kamergenoot en ik onze hele kamer zo ingericht dat we er niet alleen allebei prettig zitten - zij zit er véél meer dan ik, maar ook dat het voor bezoekers duidelijk is van wie de kamer is. We hebben onze eigen postertjes en plaatjes opgehangen en alles vreemde elementen van onze voorgangers geëlimineerd. Het is echt een enorme luxe om zo'n werkplek te hebben.
Andersom heb ik ook wel eens een lezing gegeven waar mijn verwachtingen ten aanzien van de ruimte anders waren dan wat ik aantrof. Van te voren was mij gemeld dat ik een theaterzaal met podium en groot scherm zou gaan gebruiken, maar bij aankomst zag ik een zaal met een kleine verhoging, vier strategisch opgestelde monitoren (wel flink) en een zaal met zithoekjes en staantafeltjes; dat was toch wel even wat anders. Bij de spreker voor mij stond de overgrote meerderheid der aanwezigen fluisterend in de hoeken en kieren van de zaal. Ik besloot toen al om mijn vlag even duidelijk te planten.
Toen ik het woord kreeg - mijn revers-microfoon was al aan - heb ik lopend naar de verhoging alle aanwezigen verzocht om naar voren te komen, zich strategisch rondom mij en de beeldschermen te scharen (ik had twee schemaatjes en een oude afbeelding) voor mijn verhandeling. De hele club kwam daadwerkelijk in beweging en vanaf dat moment heb ik de volle aandacht gekregen van mijn toehoorders. Na afloop heb ik nogal wat glimlachend commentaar gehad op deze ingreep: "Je kunt zien dat jij een leraar bent," was de meest gehoorde opmerking.
Je vlag geplant
Omdat je het leven toch in eigen hand moet nemen, zeker tegenwoordig, kun je dat ook maar beter toepassen op de omgevingen waarin je je ophoudt. Als er enig aspect bij komt waarin er leiderschap van je wordt verwacht, dan is het aardig om minimaal eens te experimenteren met de ruimte waarin het aan jou toevertrouwde publiek zich met jou moet vermaken. Het is werkelijk een kleine moeite, zeker als je jouw toehoorders bereidwillig weet te krijgen om jou te assisteren. En je hoeft meestal echt niet met de witkwast aan de slag...
maandag 5 november 2012
Over wie je Facebookvriend is
Oppervlakkig in de breedte, diep in afzondering
Facebook is voor mij, net zoals Hyves dat was, een manier om verbinding te leggen tussen allerlei mensen. De site gebruik ik als een soort schutting om mijn privéleven: ik zet er geen dingen op die compromitterend zijn, geen zaken waar andere mensen niets mee te maken hebben of foto's van andere mensen zonder hun medeweten. Daarnaast heb ik ook niet de geringste overtuiging dat wie dan ook het interessant vind dat ik een mooi eitje bak, dat ik koffie heb gedronken met een oude schoolvriend of dat ik nu toch even zo lekker op de bank hang na een dag in Utrecht geweest te zijn. De informatie die ik geef heeft over het algemeen het karakter van een mededeling of overpeinzing over iets actueels. Dat doe ik in de regel overigens via Twitter (daar heb ik een deel met weer andere contacten) en die berichten worden automatisch doorgestuurd naar Facebook, LinkedIn - en zelfs nog naar Hyves. Wat ik niet tracht te doen behoort tot de categorie domme dingen (iemand anders of jezelf tekort doen) of zielige dingen (roepen dat je jarig bent, of verdrietig of dat het regent buiten terwijl je wilt fietsen). Heel even heb ik me bezondigd aan SongPop, maar vanwege - goddank - een overdaad aan een écht leven ben ik ermee gestopt.
Reageren doe ik op enkele manieren: ik feliciteer elke dag alle 'vrienden', waarbij ik nogal eens vraag hoe het met iemand is. Dikwijls levert dat even een oppervlakkig, maar leuk contact op, soms zelfs een lunchafspraak. Voor mij is dit een gemakkelijke manier om enig overzicht te houden wie waar staat en wie waarmee bezig is. Daarnaast reageer ik alleen op mooie verhalen (sommige contacten nemen dikwijls echt de tijd voor hetgeen ze op Facebook melden) of op emotionele dingen (vooral als er iets positiefs of negatiefs met kinderen van anderen gebeurt). Ik beperk me dus.
De Message-fuctie gebruik ik heel veel. Het is voor mij een belangrijk spoor geworden naast mijn mailadres. Inmiddels heb ik diverse afspraken, zelfs een gastcollege, helemaal via Facebook geregeld. Prettig aan deze vorm vind ik de privacy die je met je contact hebt.
Daarnaast heb ik zelf enkele groepen opgericht en mij bij enkele andere groepen aangesloten. Ook hier gaat het om gesloten plekken met diverse gremia waarin ik functioneer als docent, onderzoeker en laureaat van het een en ander. Het aantal updates in sommige groepen verschilt, maar het feit dat er plekken zijn waar ik onmiddellijk vragen kan stellen aan een collectieve intelligentie vind ik alleen maar prettig. Opgemerkt zij wel dat mijn leerlingen hebben aangegeven zo'n groep niet prettig te vinden; Facebook is vooral voor de lol voor hen en een leraar dient daar niet over schoolse regelzaken (in dit geval het PWS) te beginnen, tenzij het gaat over complimenten over betoonde ijver.
'Echte vrienden, rijen dik...'
Maar al die zogenaamde vrienden, die deel ik toch in drie grote categorieën in en dat relativeert meteen waarmee je bezig bent. En dat is nodig, want hoe meer vrienden, hoe groter de gevolgen als je iets doms doet. Afijn:
1. Echte vrienden
Deze categorie is echt heel klein. Slechts een handjevol mensen hoort tot deze club en in de regel spreek je met deze mensen af om thuis of elders ergens quality time te hebben. Facebook is een extraatje, maar zeker geen basisvereiste voor het contact. (Sterker nog, enkele van mijn beste vrienden hebben helemaal geen Facebookpagina!) Via de message-functie maak ik wel nogal eens een afspraak, maar dat is het dan ook.
2. Betrokken kennissen
Met allerlei oud-klas-, -studiegenoten of bandleden heb ik na allerlei jaren via Facebook weer contact en dat is hartstikke leuk. We reageren op elkaars berichten, we zijn op de hoogte de basale gezins- en werkinfo en we feliciteren elkaar met verjaardagen of bepaalde prestaties. Allerlei oud-leerlingen en -studenten melden zich ook nogal eens met een heel relaas over hoe het gaat. Dit vind ik allemaal machtig leuk, want dankzij een krachtig medium als Facebook is het heel gemakkelijk om met elkaar in contact te blijven - ook om foto's en blogs van reislustige types bij te houden.
3. Betrokken contacten
Je ontmoet wel eens iemand in je leven, vooral als je veel buiten de deur bent. Ik vind het slim om elkaar dan op Facebook toe te laten. Je weet immers nooit wat je elkaar kan bieden in de toekomst. Ook online ontmoet je mensen die reageren op wat je doet, je mailen of je direct een verzoek sturen. In de regel gebeurt dat ook gemotiveerd; mensen hebben iets van je gelezen of je horen spreken ergens en dan is er behoefte om in te gaan op iets wat je hebt gemeld. Allemaal hartstikke leuk.
Spin in je eigen web

Verbinding vind ik juist zo ontzettend belangrijk, omdat je nooit weet wat je elkaar kunt bieden in de toekomst of nu. Het kan ook best dat allerlei contacten veranderen in kennissen of zelfs vrienden. Leerlingen - die jou op pubereuze leeftijd ooit binnenhalen als trofee in hun vriendenlijst - gaan studeren, gaan werken en maken zo ook weer deel uit van nieuwe, boeiende netwerken. En je weet nooit met wie je daadwerkelijk een gebakje zit te eten op je verjaardag over tien jaar en wat sociale netwerken daaraan hebben bijgedragen. (En je weet nooit met welke mensen je elke vorm van contact hebt verbroken dan. Dat ook. Wie weet.)
Met andere woorden, als je verstandig bent in de wijze waarop je Facebook en dergelijke sites gebruikt en als je een oprechte interesse hebt in wat jij en iemand anders elkaar te bieden heeft, is het helemaal niet verkeerd om heel veel 'vrienden' te hebben. Je weet zelf wat je aan iemand hebt en wat iemand van je is. Contact maken is gemakkelijk. Hoe mensen zich daadwerkelijk tot jou blijven verhouden blijft natuurlijk koffiedik kijken. Het is echter allemaal wel gemakkelijk te volgen, want je bent een spin in je eigen web.
dinsdag 15 mei 2012
Examen Nederlands niet nuttig? Ho eens even!
"Vwo-examen Nederlands niet leuk en niet nuttig", kopt het op de website van Onze Taal. Als je zoiets leest, dan ben je toch even benieuwd, als neerlandicus. Dat deze bewering voor rekening van Onze Taal komt, zie je onmiddellijk als je doorklikt naar het artikel van Bas Jongelen dat hier blijkt te worden aangehaald: het is Jongelen te doen om de samenvattingsopdracht. Volgens hem was het eindexamen Nederlands in zijn tijd nog min of meer het echte werk, terwijl hij de samenvattingsopdracht van nu "een kunstje" noemt. Ik ben het niet met hem eens.
Toegegeven, ik ben niet gelukkig met de opdracht om geleid samen te vatten. De reden is echter inhoudelijk: dikwijls wordt er bij het CITO - op subpuntenniveau - een inhoudelijke keuze gemaakt die ik niet helemaal volg als ik op eigen kracht het examen maak. Dat betekent dat het voor leerlingen schier onmogelijk wordt om het totale aantal scorepunten te behalen.
De geleide samenvatting is in deze vorm gegroeid, omdat voorgaande vormen moeilijker waren om geobjectiveerd te corrigeren. Om die reden bestaat de tekstverklaring vooraf ook voornamelijk uit multiplechoicevragen. Door het aanbrengen van een aantal criteria waaraan een samenvatting moet voldoen, is de uiteindelijke tekst van de leerling in een aantal stukken te verdelen die weer op zichzelf nagekeken kunnen worden. Dat is de reden waarom het CITO ooit aan deze vorm van samenvatten is begonnen.
Als je goed naar de inhoud van zo'n opdracht kijkt, dan zie je dat een leerling nog steeds moet uitvinden welke zaken er allemaal in zijn eigen tekst moeten zitten. Sommige punten bestaan uit twee of meer subpunten en met alleen het opschrijven van kernzinnen haal je nog niet eens een derde van de totale score. Bovendien krijg je vrijwel nooit punten als je de tekst achter de structuurduiders alleen al hebt overgepend. Een kunstje is deze opdracht zeker niet, maar gelukkig is het ook allerminst. Maar als iemand mij een betere vorm van examineren kan leveren, dan hoor ik die graag.
Dat een tekst niet leuk is, dat zie ik ook. Volgens mij is dat een vuistregel bij het CITO: nooit een leuke tekst in een examen stoppen. Teksten bij Nederlands gaan al jaren over zaken waarmee leerlingen zich ten gunstigste tien jaar later gaan bezighouden, maar deze teksten zijn gelukkig nog niet zo oubollig als die van het examen Frans. Die teksten vind ik altijd nog erger.
Ik stel mij ook zo'n situatie voor bij het CITO. Dat er 's ochtends zo'n werknemer juichend binnenkomt met een tekst uit de Elsevier of een dergelijke bron:
- "Jongens, nou heb ik toch een leuke tekst!"
- "Doe maar gauw weg. Daar gaan we niets mee doen. Vergeet het maar."
Jongenelen beweert in zijn stuk bovendien iets dat mij tegen de borst stuit: poëzieonderwijs zou volgens hem alleen maar zijn voor de mooiigheid; nuttig zou het niet zijn. Volgens mij is juist het tegendeel het geval. Totdat de mensheid in staat is om op telepatische wijze met elkaar te communiceren - en je mag je ernstig afvragen of dit ooit het geval zal zijn - zullen we behept zijn met taal, een primitievere vorm van communicatie. De meeste taaluitingen zijn mededelingen, vragen en anderszins zakelijke boodschappen. Het is ook belangrijk als mensen proberen om een niveau hoger te gaan zitten door gevoel te willen omzetten in taal door middel van poëzie of om het even welke andere vorm van kunst. Jonge mensen op dit verschijnsel en op de basale technieken wijzen vind ik een groot goed.
Elk jaar heb ik wel weer een paar van die knapen wiens enige poëtische kennis zich uitstrekt tot hetgeen tijdens pakjesavond plaatsvindt of bij wie het enige bekende rijmgoed het refrein van het clublied van N.E.C. is. Ik vind het fijn dat ik het repetoire van kan verbreden en kan verdiepen. Daarnaast: als ik een gedicht met leerlingen analyseer op het digibord, laat ik met allerlei kleuren zien wat de dichter allemaal in zo'n tekst heeft gestopt. Als ik dan vraag of de leerlingen de dichter in kwestie een vakman (-vrouw) vinden, dan gaan toch altijd haast alle vingers omhoog, los van de smaak. Kennis van literatuur en van poëzie blijf ik van eminent belang vinden, mensen die mij kennen weten dat ik dit al vaak genoeg heb gezegd.
Het gezeur over taalvaardigheid van jongeren van nu is niet van de lucht, ook niet in de commentaren op het weblog van Jongenelen. De analyse voor dit probleem is moeilijk, bestrijkt meerdere onderdelen en jaren en ook een oplossing is meerledig. In elk geval weet ik zeker dat het niet goed is dat een vwo-leerling in de bovenbouw maar twee lesuren effectief Nederlands heeft. (Daar moet je nog een derde uur aan toevoegen dat wordt besteed aan keuzewerktijd of een andere vrucht van de Tweede Fase.) volgens mij is er geen land in de wereld dat zo weinig moedertaalonderwijs geeft aan de hoogste intellectuele opleiding. Graag had ik eens de tijd en rust om eens met mijn leerlingen uitgebreid het schrijven van een fatsoenlijke tekst of het lezen van een mooi stuk proza te behandelen. Nu is Nederlands voor veel leerlingen het sluitstuk op de begroting; alle andere vakken lijken belangrijker. Langetermijndoelen, zoals goed kunnen samenvatten, is iets dat je leert door veel te oefenen en die tijd alleen al hiervoor is er veel te vaak veel te weinig.
Gevoelens onder woorden brengen is goud. Maar het is meer dan zilver als je goed kan omgaan met welke tekst dan ook. Totdat er wat beters wordt bedacht om te examineren voor het mooie vak Nederlands is de combinatie tekstverklaren en samenvatten de beste optie, niet eens de minst slechte. Gezien alle reacties op onderaan het stuk van Jongenelen durf ik deze bewering gerust te doen; verreweg de meeste gaan slechts over een aspect van Jongelens tekst en niet over het geheel. - En dan zwijg ik over het taalgebruik hier en daar. - Bovendien: ook bij het genootschap Onze Taal zou het samenvatten van iemands artikel in één zin nog even geoefend moeten worden, in dit geval.
Toegegeven, ik ben niet gelukkig met de opdracht om geleid samen te vatten. De reden is echter inhoudelijk: dikwijls wordt er bij het CITO - op subpuntenniveau - een inhoudelijke keuze gemaakt die ik niet helemaal volg als ik op eigen kracht het examen maak. Dat betekent dat het voor leerlingen schier onmogelijk wordt om het totale aantal scorepunten te behalen.
De geleide samenvatting is in deze vorm gegroeid, omdat voorgaande vormen moeilijker waren om geobjectiveerd te corrigeren. Om die reden bestaat de tekstverklaring vooraf ook voornamelijk uit multiplechoicevragen. Door het aanbrengen van een aantal criteria waaraan een samenvatting moet voldoen, is de uiteindelijke tekst van de leerling in een aantal stukken te verdelen die weer op zichzelf nagekeken kunnen worden. Dat is de reden waarom het CITO ooit aan deze vorm van samenvatten is begonnen.
Als je goed naar de inhoud van zo'n opdracht kijkt, dan zie je dat een leerling nog steeds moet uitvinden welke zaken er allemaal in zijn eigen tekst moeten zitten. Sommige punten bestaan uit twee of meer subpunten en met alleen het opschrijven van kernzinnen haal je nog niet eens een derde van de totale score. Bovendien krijg je vrijwel nooit punten als je de tekst achter de structuurduiders alleen al hebt overgepend. Een kunstje is deze opdracht zeker niet, maar gelukkig is het ook allerminst. Maar als iemand mij een betere vorm van examineren kan leveren, dan hoor ik die graag.
Dat een tekst niet leuk is, dat zie ik ook. Volgens mij is dat een vuistregel bij het CITO: nooit een leuke tekst in een examen stoppen. Teksten bij Nederlands gaan al jaren over zaken waarmee leerlingen zich ten gunstigste tien jaar later gaan bezighouden, maar deze teksten zijn gelukkig nog niet zo oubollig als die van het examen Frans. Die teksten vind ik altijd nog erger.
Ik stel mij ook zo'n situatie voor bij het CITO. Dat er 's ochtends zo'n werknemer juichend binnenkomt met een tekst uit de Elsevier of een dergelijke bron:
- "Jongens, nou heb ik toch een leuke tekst!"
- "Doe maar gauw weg. Daar gaan we niets mee doen. Vergeet het maar."
Jongenelen beweert in zijn stuk bovendien iets dat mij tegen de borst stuit: poëzieonderwijs zou volgens hem alleen maar zijn voor de mooiigheid; nuttig zou het niet zijn. Volgens mij is juist het tegendeel het geval. Totdat de mensheid in staat is om op telepatische wijze met elkaar te communiceren - en je mag je ernstig afvragen of dit ooit het geval zal zijn - zullen we behept zijn met taal, een primitievere vorm van communicatie. De meeste taaluitingen zijn mededelingen, vragen en anderszins zakelijke boodschappen. Het is ook belangrijk als mensen proberen om een niveau hoger te gaan zitten door gevoel te willen omzetten in taal door middel van poëzie of om het even welke andere vorm van kunst. Jonge mensen op dit verschijnsel en op de basale technieken wijzen vind ik een groot goed.
Elk jaar heb ik wel weer een paar van die knapen wiens enige poëtische kennis zich uitstrekt tot hetgeen tijdens pakjesavond plaatsvindt of bij wie het enige bekende rijmgoed het refrein van het clublied van N.E.C. is. Ik vind het fijn dat ik het repetoire van kan verbreden en kan verdiepen. Daarnaast: als ik een gedicht met leerlingen analyseer op het digibord, laat ik met allerlei kleuren zien wat de dichter allemaal in zo'n tekst heeft gestopt. Als ik dan vraag of de leerlingen de dichter in kwestie een vakman (-vrouw) vinden, dan gaan toch altijd haast alle vingers omhoog, los van de smaak. Kennis van literatuur en van poëzie blijf ik van eminent belang vinden, mensen die mij kennen weten dat ik dit al vaak genoeg heb gezegd.
Het gezeur over taalvaardigheid van jongeren van nu is niet van de lucht, ook niet in de commentaren op het weblog van Jongenelen. De analyse voor dit probleem is moeilijk, bestrijkt meerdere onderdelen en jaren en ook een oplossing is meerledig. In elk geval weet ik zeker dat het niet goed is dat een vwo-leerling in de bovenbouw maar twee lesuren effectief Nederlands heeft. (Daar moet je nog een derde uur aan toevoegen dat wordt besteed aan keuzewerktijd of een andere vrucht van de Tweede Fase.) volgens mij is er geen land in de wereld dat zo weinig moedertaalonderwijs geeft aan de hoogste intellectuele opleiding. Graag had ik eens de tijd en rust om eens met mijn leerlingen uitgebreid het schrijven van een fatsoenlijke tekst of het lezen van een mooi stuk proza te behandelen. Nu is Nederlands voor veel leerlingen het sluitstuk op de begroting; alle andere vakken lijken belangrijker. Langetermijndoelen, zoals goed kunnen samenvatten, is iets dat je leert door veel te oefenen en die tijd alleen al hiervoor is er veel te vaak veel te weinig.
Gevoelens onder woorden brengen is goud. Maar het is meer dan zilver als je goed kan omgaan met welke tekst dan ook. Totdat er wat beters wordt bedacht om te examineren voor het mooie vak Nederlands is de combinatie tekstverklaren en samenvatten de beste optie, niet eens de minst slechte. Gezien alle reacties op onderaan het stuk van Jongenelen durf ik deze bewering gerust te doen; verreweg de meeste gaan slechts over een aspect van Jongelens tekst en niet over het geheel. - En dan zwijg ik over het taalgebruik hier en daar. - Bovendien: ook bij het genootschap Onze Taal zou het samenvatten van iemands artikel in één zin nog even geoefend moeten worden, in dit geval.
vrijdag 4 mei 2012
Google Drive scoort in cloudbattle met Dropbox en Skydrive
In het woord systeembeheer zitten twee elementen: systeem en beheer. Dat betekent dat iemand die te maken heeft met veel informatie deze dus het beste goed georganiseerd kan opbergen en dat er regelmatig onderhoud gepleegd dient te worden. Omdat verreweg de meeste informatie die we genereren en verwerken digitaal is, kun je mijns inziens het beste veel gebruik maken van online opslagmogelijkheden. Op die manier kun je altijd bij je spulletjes en dat is handig: mensen vragen je wel eens wat. Er zijn nogal wat opties om je informatie op te slaan in "de cloud" en ze hebben allemaal hun voors en tegens.
Deze week heeft Google in mijn ogen een belangrijke score geboekt in de zogenaamde "cloudbattle", de strijd tussen de grote partijen op het gebied van het online opslaan van documenten en andere bestanden. Omdat ik geen Apple-gebruiker ben, betekent dit dat voor mij de belangrijkste drie aanbieders de volgende zijn: Google Docs - nu dus Drive -, Microsoft met de Skydrive en Dropbox. Hoewel ik mensen ken die zweren bij een van de drie producten, ben ik er nog niet helemaal uit welke de handigste is. Wel merk ik dat ik de Skydrive veel gebruik. Maar waarom eigenlijk?
Een paar jaar geleden ben ik helemaal omgegaan naar Google. In mijn Gmail komen al mijn mailadressen geordend binnen (geloof me, je hebt er zo een aantal, als je op verschillende plekken werkt, onderzoekt of je diensten aanbiedt), ik had al een Youtube-account met eigen materiaal toen Google de zaak overnam, dit Edublog loopt via Blogger en ik heb met veel plezier gebruik gemaakt van Google Docs. Sinds ik een Android-telefoon heb is alles helemaal handig geworden voor me.
Google Docs
Het prettige aan GDocs vond ik meteen de webbased programma's om te tekstverwerken, spreadsheets te maken en andere zaken te doen. Omdat Google de bestanden opsloeg in een eigen formaat, waren de bestanden ook relatief klein ten opzichte van Microsoft Office-bestanden, maar alles was compatibel. Bovendien was de integratie met Gmail altijd perfect. Nadeel vond ik altijd wel dat maar heel weinig mensen in mijn omgeving ook gebruik maakten van GDocs. Dat betekende dat ik nogal vaak zaken naar Word moest converteren en als ik zaken terugkreeg met verbeteringen - met die functie dat er van alles in de kantlijn staat - dan kon ik het zaakje niet meer fatsoenlijk opslaan in GDocs.
Bovendien: presentaties werden altijd erg primitief opgeslagen bij Google. Ik gebruik nooit veel effecten als ik een Powerpointje maak en zelden heb ik meer dan 8 dia's - inclusief begin- en einddia. Eenvoudige zaken als in- en uitfaden waren evenwel niet mogelijk. Daarom greep ik al snel terug naar Powerpoint.
Skydrive
De Skydrive van Microsoft heeft altijd de meeste ruimte geboden: 25 GB, tegen 1GB van GDocs en 1GB van Dropbox. Het gevolg van dit aanbod betekende dat ik alle ter zake doende documenten - op het gebied van onderwijs en wetenschap - die ik de afgelopen 15 jaar heb geproduceerd aldaar heb opgeslagen. Sinds Microsoft eenvoudige webbased Word- en Excel-versies heeft, betrap ik me erop dat ik nogal vaak online zit te werken aan mijn bestanden. Eén nadeel is wel dat Word online geen voetnoten kan maken, waar GDocs dat wel kan. Dit klinkt pietluttig, maar bij het schrijven van een wetenschappelijk artikel is die functie onmisbaar.
Het belangrijkste voordeel van de Skydrive is dat het perfect synchroon loopt met Microsoft Office. Je kunt bestanden ook in de gewone programma's openen en dan kun je natuurlijk alles doen wat je altijd al deed. En boven dit alles is het nu eenmaal zo dat verreweg de meeste wetenschappers en leraren gebruik maken van Word, Excel en Powerpoint. De omgeving dwingt je uiteindelijk toch wel om je bestanden in die programma's te kunnen openen en bewerken.
Dropbox
Dropbox is natuurlijk van begin af aan het meest gebruiksvriendelijk geweest, vanwege het portaal dat je kunt openen op je bureaublad. De functionaliteit is precies hetzelfde als dat van elk mapje in Windows. Dropbox kent geen eigen editor, maar dit is ook niet nodig als je Microsoft Office of Open Office gebruikt. Het medium is precies wat de naam zegt: een grote doos om je spullen in te laten vallen, zij het dan georganiseerd.
De 1GB die je aanvankelijk krijgt, kun je gratis opschroeven naar 8GB, maar dit doe je door zaken met mensen te delen. Als zo iemand zichzelf dan ook aanmeldt bij Dropbox, krijg jij 250 MB cadeau, tot maximaal 8 GB dus. Tip: deel eens wat met een groepje studenten of leerlingen en je zit vrij vlot aan die 8.
Google Drive
Vanwege de - zeg maar - mapjesfunctionaliteit is Dropbox dus verreweg het gemakkelijkste in het gebruik, maar de 8 GB heb je toch snel vol, als je wat fotobestanden uitwisselt. Bovendien is er geen online editor aanwezig en dat is een zeer prettig fenomeen als je even snel wat wil bewerken en weer opslaan. Nu Google Drive diezelfde functionaliteit aanbiedt als Dropbox in combinatie met de webbased tekstverwerker, spreadsheetmaker en aanverwante zaken lijkt het de ideale aanbieder in de cloud.
Skydrive heeft inmiddels ook die functionaliteit. Omdat het grootste deel van de mij bekende onderwijs- en wetenschapswereld werkt met Word en aanverwante artikelen, denk ik dat Skydrive uiteindelijk een beslissende eindscore in de wolken gaat hangen. Dat vind ik als liefhebber van Google-producten erg jammer, maar een mens kan nu eenmaal niet blind zijn voor zijn omgeving.
Deze week heeft Google in mijn ogen een belangrijke score geboekt in de zogenaamde "cloudbattle", de strijd tussen de grote partijen op het gebied van het online opslaan van documenten en andere bestanden. Omdat ik geen Apple-gebruiker ben, betekent dit dat voor mij de belangrijkste drie aanbieders de volgende zijn: Google Docs - nu dus Drive -, Microsoft met de Skydrive en Dropbox. Hoewel ik mensen ken die zweren bij een van de drie producten, ben ik er nog niet helemaal uit welke de handigste is. Wel merk ik dat ik de Skydrive veel gebruik. Maar waarom eigenlijk?
Een paar jaar geleden ben ik helemaal omgegaan naar Google. In mijn Gmail komen al mijn mailadressen geordend binnen (geloof me, je hebt er zo een aantal, als je op verschillende plekken werkt, onderzoekt of je diensten aanbiedt), ik had al een Youtube-account met eigen materiaal toen Google de zaak overnam, dit Edublog loopt via Blogger en ik heb met veel plezier gebruik gemaakt van Google Docs. Sinds ik een Android-telefoon heb is alles helemaal handig geworden voor me.
Google Docs
Het prettige aan GDocs vond ik meteen de webbased programma's om te tekstverwerken, spreadsheets te maken en andere zaken te doen. Omdat Google de bestanden opsloeg in een eigen formaat, waren de bestanden ook relatief klein ten opzichte van Microsoft Office-bestanden, maar alles was compatibel. Bovendien was de integratie met Gmail altijd perfect. Nadeel vond ik altijd wel dat maar heel weinig mensen in mijn omgeving ook gebruik maakten van GDocs. Dat betekende dat ik nogal vaak zaken naar Word moest converteren en als ik zaken terugkreeg met verbeteringen - met die functie dat er van alles in de kantlijn staat - dan kon ik het zaakje niet meer fatsoenlijk opslaan in GDocs.
Bovendien: presentaties werden altijd erg primitief opgeslagen bij Google. Ik gebruik nooit veel effecten als ik een Powerpointje maak en zelden heb ik meer dan 8 dia's - inclusief begin- en einddia. Eenvoudige zaken als in- en uitfaden waren evenwel niet mogelijk. Daarom greep ik al snel terug naar Powerpoint.
Skydrive
De Skydrive van Microsoft heeft altijd de meeste ruimte geboden: 25 GB, tegen 1GB van GDocs en 1GB van Dropbox. Het gevolg van dit aanbod betekende dat ik alle ter zake doende documenten - op het gebied van onderwijs en wetenschap - die ik de afgelopen 15 jaar heb geproduceerd aldaar heb opgeslagen. Sinds Microsoft eenvoudige webbased Word- en Excel-versies heeft, betrap ik me erop dat ik nogal vaak online zit te werken aan mijn bestanden. Eén nadeel is wel dat Word online geen voetnoten kan maken, waar GDocs dat wel kan. Dit klinkt pietluttig, maar bij het schrijven van een wetenschappelijk artikel is die functie onmisbaar.
Het belangrijkste voordeel van de Skydrive is dat het perfect synchroon loopt met Microsoft Office. Je kunt bestanden ook in de gewone programma's openen en dan kun je natuurlijk alles doen wat je altijd al deed. En boven dit alles is het nu eenmaal zo dat verreweg de meeste wetenschappers en leraren gebruik maken van Word, Excel en Powerpoint. De omgeving dwingt je uiteindelijk toch wel om je bestanden in die programma's te kunnen openen en bewerken.
Dropbox
Dropbox is natuurlijk van begin af aan het meest gebruiksvriendelijk geweest, vanwege het portaal dat je kunt openen op je bureaublad. De functionaliteit is precies hetzelfde als dat van elk mapje in Windows. Dropbox kent geen eigen editor, maar dit is ook niet nodig als je Microsoft Office of Open Office gebruikt. Het medium is precies wat de naam zegt: een grote doos om je spullen in te laten vallen, zij het dan georganiseerd.
De 1GB die je aanvankelijk krijgt, kun je gratis opschroeven naar 8GB, maar dit doe je door zaken met mensen te delen. Als zo iemand zichzelf dan ook aanmeldt bij Dropbox, krijg jij 250 MB cadeau, tot maximaal 8 GB dus. Tip: deel eens wat met een groepje studenten of leerlingen en je zit vrij vlot aan die 8.
Google Drive
Vanwege de - zeg maar - mapjesfunctionaliteit is Dropbox dus verreweg het gemakkelijkste in het gebruik, maar de 8 GB heb je toch snel vol, als je wat fotobestanden uitwisselt. Bovendien is er geen online editor aanwezig en dat is een zeer prettig fenomeen als je even snel wat wil bewerken en weer opslaan. Nu Google Drive diezelfde functionaliteit aanbiedt als Dropbox in combinatie met de webbased tekstverwerker, spreadsheetmaker en aanverwante zaken lijkt het de ideale aanbieder in de cloud.
Skydrive heeft inmiddels ook die functionaliteit. Omdat het grootste deel van de mij bekende onderwijs- en wetenschapswereld werkt met Word en aanverwante artikelen, denk ik dat Skydrive uiteindelijk een beslissende eindscore in de wolken gaat hangen. Dat vind ik als liefhebber van Google-producten erg jammer, maar een mens kan nu eenmaal niet blind zijn voor zijn omgeving.
Abonneren op:
Posts (Atom)